Europa

Spot

‘Huize “Berghof” voerde met recht het bijvoeglijk naamwoord “internationaal” in zijn schild’, zo schrijft Thomas Mann in De toverberg (1924). Het boek is dan voorbij de helft. Toch wordt er nog een personage geïntroduceerd in het mondaine sanatorium in de Zwitserse Alpen, een Hollander. Mijnheer Peeperkorn is een koffieplanter uit Java, een opvallend grote man, die over aandacht niet te klagen had. Daar waren redenen voor. Zo was hij niet alleen groot, hij vertoonde ook het populaire gedrag dat hoort bij het hebben van veel geld (en waarbij de vraag hoe dat verdiend is minder relevant is).

Als er iemand thuis was in de internationale setting van Huize Berghof dan was het wel deze ‘koffiekoning in ruste’. Althans dat vond hij zelf. Voor ieder van die rare snuiters uit andere landen had Peeperkorn wel een passend gebbetje. Zijn maîtresse van ‘de Goede Russentafel’ kreeg een parelcollier. Niks mis mee. Sterker, mijnheer Peeperkorn schiep er eer in om een netto-betaler te zijn in dit gezelschap. Graag maakte hij dat zichtbaar: stukje rentmeesterschap, wereldwijsheid, lesje verantwoordelijkheid.

Anders dan de Italiaanse en Spaanse gasten citeerde Peeperkorn geen dichters en denkers. Laat staan dat hij ze las. Hij volgde de moraal van de administratie. Of preciezer: die van internationale handel en kapitaal. ‘Blauw zijn’, heet dat in het consultancy-Nederlands van vandaag. Peeperkorn las De Telegraaf en citeerde zichzelf. Of in de woorden van Mann: ‘Nee, mijnheer Peeperkorn was er de man niet naar om logische verwarring te zaaien.’ Logisch: hij wist alles al.

De Italiaanse en Spaanse gasten beten zich wel vast in de logische verwarring van hun tijd. Deze Zuid-Europeanen werden door Peeperkorn behandeld met een gearticuleerd respect, dat de allure leek te hebben van ironie. ‘Leek’, inderdaad. Want, zo legt Mann uit: ‘Koningen kennen geen ironie – niet eens als middel der welsprekendheid, laat staan in gecompliceerdere zin.’ Het was daarom eerder ‘een ontzaglijke vorm van spot’ – ‘verborgen achter lichtelijk overdreven ernst’ – die kenmerkend was voor de houding van Peeperkorn jegens de Zuid-Europese vrienden van de onzekere Duitse hoofdpersoon Hans Castorp.

De biografie van Chopin meedragen zonder hem te lezen...

Die spot had zijn spiegelbeeld in de heimelijke Zuid-Europese hoon voor deze domme Noord-Europeaan, waarin Hans werd ingewijd. En toch, toch voelde de jonge Duitse ingenieur een aanhoudende aantrekkingskracht tot deze Hollander, tot de superieure soepelheid van het morele alternatief dat hij liet zien: de biografie van Chopin meedragen zonder hem te lezen, als ware het een extra ornament voor de moraal van de netto-betaler. Wie dat kan, kent geen tragedies en geen wanhoop.

In 2011 was Jürgen Stark wanhopig. De reden: een opkoop-programma van staatsobligaties in Spanje en Italië. Stark stapte op als bestuurslid van de Europese Centrale Bank (ECB), maar de wanhoop bleef. In 2015 publiceerde hij een opiniestuk in de Financial Times. Daarin koppelde hij economisch ‘goed’ en ‘fout’ aan cultureel ‘goed’ en ‘fout’. Zijn analyse: Duitsland kwam de eurocrisis goed door dankzij deugdelijk beleid, de rest had boven z’n stand geleefd. De oorzaak van dit alles zat hem in de cultuur. Dit was een poging om het enorme taboe te doorbreken dat de euro belast: het erkennen van cultuurverschillen. Stark probeerde het, maar zonder ironie. Hij faalde.

Toch blijft de vraag achter de horkentaal van Stark wat betreft de toekomst van de euro staan: hoe kunnen we de open samenlevingen van de eurozone bij elkaar en fit houden, zonder de dwingende eenvormigheid van een politieke unie (die er niet zal komen)? Dat is precies waar het om draait bij de euro, iedere dag weer. Nog altijd blokkeert het taboe op cultuurverschillen een constructief debat hierover. Dit voedt clichés, en dat leidt tot ongelukken. Dat laatste overkomt hun die alles al weten als eerste: niet zelden zijn dat Nederlandse ministers van Financiën.

Belangrijker is echter dat dit taboe het onmogelijk maakt om de kool (van wederzijds vertrouwen) en de geit (van prudent monetair beleid) te sparen. En juist dat is de gezamenlijke opdracht aan de regeringen van de eurozone in deze crisissituatie. Voor inspiratie hoe voorbij deze jarenlange impasse te geraken, kan het geen kwaad om behalve het nationale kasboek ook een vertaalde roman ter hand te nemen. Constructieve Europese politiek heeft beide nodig. Anders wordt zij (weer) een karikatuur van zichzelf.