Interview: Socioloog Jeroen van der Waal over laagopgeleiden en politiek

‘Spot maakt plaats voor venijn’

Recent onderzoek laat zien dat laagopgeleide Nederlanders zich steeds meer miskend voelen door de politiek. Het verzet tegen de culturele dominantie van hoogopgeleiden groeit. Wat kunnen politici hiervan leren?

Hij staat bovenaan in de peilingen als meest geschikte minister-president. Maar dat wil niet zeggen dat Mark Rutte populair is bij laagopgeleide vrouwen. Als je het serieus aan ze vraagt, en ze voelen zich veilig genoeg om te vertellen wat ze werkelijk denken, zijn hun kwalificaties niet mals. ‘Hij heeft echt zo een gevoel van: ik ben meer dan een ander’, zegt de 31-jarige werkloze Sanne. ‘Ja, hij voelt zich beter dan de rest’, beaamt Linda (39), die werkt in een paardenpension. ‘Hij kijkt je aan alsof je een worm bent’, meent huisvrouw Anna (55). ‘Dat zie je aan zijn houding, aan z’n ogen’, zegt de 41-jarige typiste Esther. Huisvrouw Elizabeth (62): ‘Da’s een gladdekker.’

Weinig kans dat zij op 17 maart hun stem aan de lijsttrekker van de vvd zullen gunnen – als ze überhaupt gaan stemmen. Nederlanders met een lage opleiding blijven veel vaker thuis. Bij de laatste Tweede-Kamerverkiezingen bedroeg het verschil in opkomst tussen hoog- en laagopgeleiden bijna twintig procent in het voordeel van de hooggeschoolden. De laatsten herkennen zich beter in de Nederlandse ‘diploma-democratie’ waarin academici en hbo’ers de dienst uitmaken, zoals bestuurskundigen Mark Bovens en Anchrit Wille een paar jaar geleden aantoonden. Parlementariërs met enkel vmbo of mbo zijn zeldzaam, dus laat het zich raden dat laagopgeleiden zich slecht vertegenwoordigd zien.

Maar als Bovens en Wille hun onderzoek als waarschuwing hadden bedoeld, heeft dat weinig uitgehaald. De scheidslijn is de laatste jaren alleen maar bestendigd, betoogt hoogleraar sociologie Jeroen van der Waal. Zijn onderzoeksgroep aan de Erasmus Universiteit laat zien dat het gevoel van politieke miskenning groot is bij mensen die zichzelf als de gewone mensen beschouwen. Ze vinden niet alleen dat politici ver van hun leefwereld af staan, maar geloven zelfs dat deze op hen neerkijken. Dit voedt hun verontwaardiging.

Geïnspireerd door de manier waarop de Amerikaanse sociologe Arlie Hochschild de beweegredenen van Trump-stemmers blootlegde door ‘de werkelijkheid te beschrijven vanuit hun ogen’, namen Van der Waal en zijn collega-onderzoekers Kjell Noordzij en Willem de Koster eind 2019 diepte-interviews af met 26 laagopgeleide Nederlanders, in de Randstad en daarbuiten, op een plek waar de geïnterviewden zich prettig voelden, in het gezelschap van vrienden of familie. Op hun gemak gesteld, voelden de ondervraagden zich vrij om hun grieven te spuien richting Mark Rutte en zijn collega’s. ‘Politici kijken naar hun eigen wereldje en daar gaat alles goed’, sneerde Anna. ’En het lef dat je hebt om op zondag in je skybox te gaan zitten’, aldus Esther. Ze horen ‘bij het hogere segment van de bevolking’, zegt de zestigjarige werkloze Robert. ‘Politici verkeren in andere kringen. Ze krijgen met andere dingen te maken. Daarom hebben ze ook andere interesses’, aldus huisvrouw Ingrid (60). ‘Hij is onzichtbaar voor gewone mensen. Hij is de heer’, aldus Elizabeth over een pvda-politicus. ‘Ze kennen het volk niet, ze weten niet wat er leeft’, oordeelde de 53-jarige magazijnbediende Cornelis.

Nu zijn klachten over politici niet nieuw. Door de eeuwen heen zijn grappen gemaakt over machthebbers die geen idee hebben van het leven van de gewone mens. Maar spot heeft plaatsgemaakt voor venijn bij een deel van de laagopgeleiden, blijkt uit het onderzoek. Sommigen zeggen: politici negeren ons opzettelijk en houden doelbewust afstand. Ze klinken gekrenkt. Volgens Pauline (56), werkloos, ‘hebben politici wel een idee hoe het is, maar ze hebben er gewoon schijt aan’. Beveiliger Jan (59): ‘Je wilt het niet zien of je moffelt het weg omdat je een heel andere doelstelling hebt.’ Ze schuiven het ‘bewust aan de kant’, aldus taxichauffeur Jolanda (57). Robert (60), werkloos: ‘Heel dat politieke gebeuren, ze hebben gewoon schijt aan je.’

Het wantrouwen vreet aan de legitimiteit van politici, schrijven de onderzoekers. Laagopgeleiden zien zichzelf onvoldoende vertegenwoordigd. Dit wordt duidelijk verwoord door reïntegratiemedewerker Anouk (29) die een foto krijgt voorgelegd van het getatoeëerde SP-Kamerlid Peter Kwint. ‘Ah, er zit toch iets normaals bij’, roept ze. ‘Jij, jij past bij mij.’ Maar de twijfel slaat ook terug op het gevoerde beleid. Omdat ze zo hoog in de boom zitten, denken geïnterviewden, ontbreekt het politici aan het gezond verstand dat nodig is om problemen op te lossen. Vrachtwagenchauffeur Dennis (31): ‘Een paar opleidingen verder gaan ze ineens de politiek in. En dan gaan ze aan iedereen hiero vertellen hoe ze het moeten regelen.’ Monique (53): ‘En niemand weet hoe het op de vloer gaat.’ Jeffrey (34), werkzaam bij een sociale werkplaats: ‘Je leert dingen in de praktijk, niet op een schooltje.’

Andersom is er wél respect voor politici die daadwerkelijk praten vanuit het perspectief van gewone mensen. ‘Die spreekt namens mij’, zegt deurwaarder Peter (60). Taxichauffeur Jolanda zegt over een politicus: ‘Ik mag ’m ook niet waar hij voor stond. Maar het gaat erom waar hij vandaan komt en waar hij is terechtgekomen.’ Een staatssecretaris die in Volendam woont, zoals Mona Keijzer, zal heus een nuchtere kijk hebben, denkt Anna. Geïnterviewden uit Noord-Brabant spreken goedkeurend over ‘gewoon Brabantse’ politici als Klaas Dijkhoff of Thierry Aartsen, die zij vanzelfsprekend steunen omdat die laten zien dat ze zich niet boven het volk verheven voelen.

‘Laagopgeleiden vertrouwen politici niet, want die geven er geen blijk van enig idee te hebben van hun belevingswereld’, zegt Jeroen van der Waal. ‘Maar er speelt meer. De manier van spreken van veel politici vinden ze omfloerst, dat maakt achterdochtig. Waarom zeggen politici niet waar het op staat? Hebben ze iets te verbergen? Waarom zeggen ze niet: we gaan ervoor zorgen dat dit of dat stopt? In plaats van: dit is een gecompliceerd vraagstuk met veel aspecten waarin wij ons verder moeten verdiepen om een weloverwogen besluit te kunnen nemen? Dat politici omfloerst praten, voedt de twijfel aan hun beweegredenen.’

En dus zegt Peter: ‘Ze draaien eromheen.’ ‘Ze praten een hoop, maar ze zeggen eigenlijk niks’, aldus Thomas. Ze kunnen geen goede besluiten nemen, denkt Pauline: ‘Vooral dat gezeur allemaal. Wat willen we nou bereiken?’ Sommigen vermoeden opzet. ‘Ze zijn gewiekst’, zegt Linda. ‘En stiekem’, zegt Esther. ‘Hij praat altijd dubbel’, zegt Anna over een politicus. Politici zijn niet alleen besluiteloos, ze zijn achterbaks. ‘Ze willen overal onderuit komen, met welke bochten ook’, zegt Jolanda. Harm sneert: ‘Ze willen dus geen heel hard ja of nee zeggen, want anders kan je bij ze terugkomen.’ Politici die daarentegen helder zeggen waar het op staat, zijn in de ogen van deze laagopgeleiden juist besluitvaardig en integer. Vooral politici die met heldere taal tegen het establishment durven in te gaan – denk bijvoorbeeld Pim Fortuyn – kunnen rekenen op bewondering. Wie geen duidelijk standpunt inneemt, geldt als incapabel en onbetrouwbaar.

Wat ook een grote rol speelt, zegt Van der Waal, is dat laagopgeleiden het gevoel hebben dat er op ze wordt neergekeken door mensen met een hoge opleiding, onder wie dus ook politici. Dat ze denken dat Mark Rutte ze aankijkt ‘alsof je een worm bent’. Waaruit dat dan precies blijkt, vinden ze moeilijk onder woorden te brengen. ‘Uit dat elitaire gedoe’, meent Esther. Politici praten ‘kakkerig’, vindt Jolanda. ‘Zijn houding is: ik ben meer als jullie’, zegt Gerrit over een bepaalde politicus. ‘Hij kijkt met minachting naar het gewone volk’, denkt Harm. ‘Ze zien ons als het klootjesvolk’, zegt Dennis. ‘Want wij weten toch niks, wij zijn simpele zielen’, zegt Anna. ‘Je wordt weggezet als een tokkie. Omdat je geen scholing hebt gevolgd’, zegt Sylvia. Zodat, zegt Peter, opvattingen van laagopgeleiden uiteindelijk niet worden meegenomen in ‘top-downpolitiek’. Ze voelen zich miskend. Ze denken dat hun opvattingen er niet toe doen, omdat ze niet gestudeerd hebben.

‘Ah, er zit toch iets normaals bij’, zegt reïntegratiemedewerker Anouk (29) die een foto krijgt voorgelegd van het getatoeëerde SP-Kamerlid Peter Kwint

‘Dit gevoel is cruciaal om hun beweegredenen te begrijpen’, zegt Van der Waal. Maar de laatste jaren hebben politici toch juist veel aandacht gehad voor de boze burger? Niet alleen politici van pvv en FvD maar ook van cda en vvd deden hun best om klare taal te spreken, zonder al te veel nuances. ‘Het gaat ook om wie het zegt. Klaas Dijkhoff heeft nog wel iets volks over zich. Maar Sybrand Buma, met zijn dubbele achternaam, kon wel dingen roepen, maar dan zag de gemiddelde laagopgeleide meteen: hij is niet een van ons. Politici maken deel uit van een professionele klasse, en die verandert niet door zo nu en dan stoere teksten uit te spreken. Laatst zei Mark Rutte: wij luisteren niet naar tokkies die achter in de zaal hard staan te roepen. Praat hij ook zo over studenten die luidruchtig demonstreren voor het milieu? Het valt me op dat daar met aanzienlijk minder dedain over wordt gesproken door politici, en hoogopgeleiden in het algemeen.’

Van der Waal geeft leiding aan een onderzoeksgroep met een lange traditie van onderzoek naar beleving van mensen aan de onderkant. De Rotterdamse sociologen focussen op culturele verschillen tussen hoog- en laagopgeleiden, die – in tegenstelling tot wat veel mensen denken – grotendeels los blijken te staan van sociaal-economische verschillen, en die nader onderzoek rechtvaardigen. Tien jaar geleden schreef ‘hun’ cultuursocioloog Dick Houtman al in De Groene: ‘Veel laagopgeleide autochtone Nederlanders verlangen naar een nieuw verhaal dat hen een identiteit, een stem en een toekomstperspectief verschaft.’ Dit speelt nog steeds.

Een oud en saai thema dus? Zeker niet, zegt Van der Waal. Nederland is grotendeels uitgesorteerd. Alleen bij groepen met een migratieachtergrond kun je nog spreken van sociale mobiliteit. Het onderwijs is gesegregeerd. Er groeit een kloof tussen stad en regio. Media bedienen hun eigen publiek. ‘We leven steeds meer langs elkaar heen. En het is natuurlijk een gegeven dat naarmate je meer langs elkaar heen leeft, je ook moeilijker begrip voor elkaar opbrengt.’

Het leidt tot een nieuwe dynamiek, aldus Van der Waal. ‘In het oude denken over status volgens socioloog Bourdieu, is de onderkant dociel. Maar zijn data komen uit Frankrijk van voor 1968. Toen was het idee dat laagopgeleiden de verschillen in status herkenden en erkenden. Dat verandert nu. We zijn vragen rond status opnieuw aan het doordenken. Er is nog steeds een groep die zich minderwaardig voelt. Dat zijn de niet-stemmers, de afgehaakten, die vaak gevoelig zijn voor het negatieve stigma van een lage opleiding. Maar steeds meer mensen herkennen dit statusverschil wel, maar ze erkennen het niet meer. Ze bevragen de statushiërarchie. Ze zijn boos en ze protesteren. Ze lopen te hoop tegen de wetenschap, de kwaliteitsmedia. En tegen de politiek.

Het verzet groeit tegen de culturele dominantie van hoogopgeleiden in belangrijke instituties waar laagopgeleiden van afhankelijk zijn, zoals in politiek en bestuur. De verhouding tussen de grote stad en de periferie verscherpt. Ik zie twee soorten reacties. Stel, je woont in de Oude Veengebieden en je haalt een hoge Cito-score. Soms zegt de familie dan: maar je wilt toch niet naar het vwo en daarna naar de universiteit? Dat is niet voor mensen zoals wij. Wij noemen dat anticiperende zelfexclusie. Maar sommigen gaan een stap verder en zeggen: we willen er niets mee te maken hebben. Ze lachen je uit als je naar het vwo of het gymnasium gaat. Of als je gaat studeren. Jongeren die dan toch naar universiteit of hogeschool gaan, weten dat ze op afstand komen van hun eigen familie. En ook van hun vrienden, die cognitief hetzelfde in hun mars hebben, maar die bewust hebben besloten om niet te gaan studeren. Omdat ze de statushiërarchie niet erkennen.’

Dit verzet speelt overal in de westerse wereld. De Canadese sociologe Michèle Lamont beschreef het als een recognition gap, een ‘erkenningskloof’ tussen mensen met een hoge en een lage opleiding. Dit gevoel van miskenning steekt en schrijnt. Als reactie gaan mensen hun gebrek aan opleiding dragen als een geuzentitel. In de VS trekken ze een T-shirt aan met de tekst ‘adorable deplorable’. Dit blijkt ook uit het onderzoek van de vakgroep van Van der Waal. Geïnterviewden zeggen hoe ‘trots’ ze zijn op zichzelf, hun eigen opvattingen, op hun volharding, op hun ‘heel hoge moraal’ zoals Jeffrey het noemt. ‘We hoeven ons niet te schamen voor wie we zijn’, zegt Ingrid. Sylvia steekt de loftrompet over oud-staatssecretaris Fred Teeven, die na zijn politieke loopbaan een spijkerbroek aantrok en ging werken als buschauffeur. ‘Hij liet zien dat hij niet meer of minder is dan een gewone Nederlandse burger.’

De bestendige statuskloof tussen ‘slim’ en ‘minder slim’ zit ook sommige hoogopgeleiden dwars. De kritiek op het meritocratische denken zwelt de laatste tijd weer aan. Het idee dat mensen met een hoge opleiding hun positie ‘verdienen’ deugt niet, betoogt bijvoorbeeld politiek filosoof Michael Sandel in zijn laatste boek De tirannie van verdienste, dat in Nederland veel aandacht kreeg. De Britse journalist David Goodhart mengde zich in dit koor met zijn boek Head, Hand, Heart. Hij pleit daarin voor een herwaardering van handarbeid en vakmanschap, zoals socioloog Richard Sennett dat voor hem deed in The Craftsman. Met Sandel beklemtonen ze het belang van de waardigheid van mensen die praktisch geschoold zijn. Waar moet je anders je eigenwaarde aan ontlenen in een wereld die vooral lijkt te draaien om cognitieve intelligentie?

De auteurs raken daarmee een gevoelig punt. Want hoogopgeleiden kunnen wel vinden dat iedereen gelijke kansen en een gelijke behandeling verdient; de praktijk is prozaïscher. In zijn boek citeert Sandel Nederlandse onderzoekers die hebben vastgesteld dat hoogopgeleiden in Nederland, België en Engeland meer waardering en sympathie opbrengen voor moslims, mensen van Turkse afkomst, dikke mensen, arme mensen of visueel gehandicapten dan voor mensen met een lage opleiding. Hoogopgeleiden blijken zichzelf inderdaad competenter te vinden, precies zoals laagopgeleiden beweren. En het lijkt of hoogopgeleiden denken dat opleiding meer een kwestie is van persoonlijke keuze dan bijvoorbeeld afkomst of huidskleur. Het verklaart mogelijk waarom ze het niet in hun hoofd zullen halen om denigrerend te spreken over moslims of zwarte mensen, maar wel probleemloos een grapje maken over ‘tokkies’. Natuurlijk voelen die ‘tokkies’ dat.

‘De statuskloof ging lange tijd voornamelijk over verschillen in levensstijl’, zegt Van der Waal. ‘Maar de laatste tijd gaat het vooral over het omarmen van culturele diversiteit. Daar denken laag- en hoogopgeleiden anders over. Collega David Goodhart bespeurt hierin een zekere ironie, en dat ben ik met hem eens. Hoogopgeleiden hebben zich nog nooit zo druk gemaakt over de emancipatie van achtergestelde groepen als nu. En onderwijl koesteren ze groot dedain voor een andere achtergestelde groep, namelijk de laagopgeleiden, waar zij de weerstand tegen diversiteit lokaliseren. Het is in veel hoogopgeleide kringen zoals op universiteiten buitengewoon ongepast om je onheus uit te laten over allerlei minderheidsgroepen, maar er is er één waarover men probleemloos mag schmieren: de laagopgeleide medemens. Het is daarbij opmerkelijk dat het dedain van hoogopgeleiden voor de weerstand tegen culturele diversiteit onder laagopgeleiden lijkt te ontbreken bij hun waardering van etnische minderheden, waar deze weerstand vaak nog aanzienlijk sterker is.’

‘Alsof je minder recht van spreken hebt omdat er nu eenmaal 'white trash' op Zuid woont. Dat voelen bewoners zo’

Terwijl hoogopgeleiden denken dat ze strijden voor de goede zaak, namelijk diversiteit, hebben ze nauwelijks oog voor de achterstand waar een andere groep mee kampt. ‘Wij doen onderzoek waarom laagopgeleiden niet willen meedoen aan burgerinspraaktrajecten van de gemeente Rotterdam’, vertelt Van der Waal. ‘Dan zie je dat het feit dat ze van Rotterdam-Zuid komen in zichzelf een stigma meebrengt. Alsof je minder recht van spreken hebt omdat er nu eenmaal white trash op Zuid woont. Dat voelen bewoners zo. Terwijl mensen met een hoge opleiding probleemloos meedoen met dit soort trajecten. Ze staan er niet eens bij stil dat andere groepen zich misschien laten weerhouden vanwege hun achtergrond. Die dynamiek verander je niet een-twee-drie. Maar het is goed om daar sensitiever voor te zijn.’

Bewustwording dat er impliciet dedain spreekt uit het gedrag van hoogopgeleiden is volgens Jeroen van der Waal een eerste stap op weg naar een mogelijk vergelijk. Dat doet denken aan de discussie over institutioneel racisme en white privilege van zwarte jegens witte mensen. Ook daar wordt bewustwording gezien als een eerste stap naar erkenning van structurele ongelijkheid. Een tweede stap is dat de taal verandert, van blanken in witten, bijvoorbeeld. Zo spreken sommigen tegenwoordig doelbewust van praktisch geschoolden, in plaats van mensen met een lage opleiding.

‘Een sociaal-culturele kloof laat zich niet zo eenvoudig dichten’, zegt Van der Waal. Het is anders met sociaal-economische ongelijkheid. Om die te bestrijden, kunnen hoge inkomens meer belasting gaan betalen of kan het minimumloon omhoog. Maar de politiek kan moeilijk afdwingen dat mensen anders gaan denken over diversiteit of klimaat. En het is een misvatting om te denken dat laagopgeleiden wel van mening zullen veranderen als je hun inkomen verhoogt. Van der Waal: ‘Het doel van linkse partijen om de sociaal-economische ongelijkheid te verkleinen wordt ook gewaardeerd aan de onderkant. Als ze maar niet denken dat ze daarmee het culturele onbehagen onder laagopgeleiden oplossen, want dan vergissen ze zich. Dit onbehagen heeft grotendeels andere oorzaken dan economische.

Het overgrote deel van de verschillen tussen hoog- en laagopgeleiden draait om verschillen in smaak en levensstijl. Onderzoek toont dit keer op keer aan. Voel je je senang bij meerduidigheid of juist bij eenduidigheid? Een succesvolle glazenwasser met twee nieuwe auto’s voor de deur vertoont bijvoorbeeld vaak de smaak en stijl van laagopgeleiden. Ondanks zijn succes voelt hij dat er op hem wordt neergekeken. Hij voelt ook een grote culturele afstand tot de politiek. Voor de academisch opgeleide freelancejournalist die op een houtje moet bijten, geldt precies het tegenovergestelde. Dat zie je bij de omarming van culturele diversiteit. Laagopgeleiden ervaren dat als een schending van de culturele orde. Dat is al zo sinds we het gingen meten in de jaren veertig van de vorige eeuw. Of het nu gaat om de rechten van communisten in de jaren vijftig, de waardering voor hippies en Dam-slapers in de jaren zestig en zeventig, voor Surinamers in de jaren tachtig, voor Antillianen in de jaren negentig, en voor moslims sinds begin deze eeuw. Wat afwijkt, wordt gezien als een aanval op de norm.

Naarmate dat afwijkende “normaler” wordt, neemt het verzet af. Dat zie je bijvoorbeeld aan de positie van de vrouw. Ook laagopgeleiden vinden het tegenwoordig normaal dat een vrouw een hoge positie bekleedt. Alleen is er nu een statusverschil in het geding. Laagopgeleiden denken dat hoogopgeleiden ze stiekem uitlachen, of in elk geval op ze neerkijken. Dat zit nu enorm in de weg. Dan gaat het vooral om culturele verschillen tussen academici en de rest van Nederland. Ook middelbaar opgeleide vakmensen denken in cultureel opzicht voornamelijk langs de lijnen van de onderkant.’

Jeroen van der Waal kan spreken uit eigen ervaring. Hij kent beide werelden persoonlijk. Na een onvoltooide mavo-opleiding werkte hij van zijn zestiende tot zijn 25ste op de binnenvaart. Daarna draaide hij ploegendiensten in de Rotterdamse haven tot zijn 31ste. In zijn milieu was studeren niet gewoon. Maar het werk bevredigde niet en hij wilde verder leren. Sociologie was een van de weinige studies aan de Erasmus Universiteit met een avondopleiding. Zo lukte het Van der Waal op te klimmen van student tot hoogleraar sociologie wiens intreerede vanwege corona is uitgesteld tot mei 2022.

Hij zegt: ‘Het is niet gemakkelijk om je de hoogopgeleide denkwijze eigen te maken als je niet kunt studeren. En kinderen uit een lager milieu die toch weten door te dringen tot de universiteit, betalen daar vaak een prijs voor. Er is een mooi proefschrift van Mick Matthys met de titel Doorzetters, dat sociale stijgers beschrijft die het moeilijk vinden om de weg terug te vinden naar hun familie. Verjaardagen en partijtjes vinden ze lastig. De manier van doen, de grapjes, de manier van spreken verschillen. Het wordt op enig moment ongemakkelijk. Het gedachtegoed is aan beide kanten ingesleten, dat verander je niet zomaar. En dit proces werkt zo sterk dat het zelfs bloedbanden begint te doorsnijden.’

Bij de vorige Kamerverkiezingen waren vvd en cda zich goed bewust van de noodzaak om laagopgeleide kiezers aan zich te binden. Mark Rutte deed zichtbaar zijn best met heldere oneliners. Klaas Dijkhoff liet zich niet onbetuigd. Sybrand Buma pleitte voor meer vaderlandsliefde. Maar de bakens lijken alweer verzet. Je kunt van Wopke Hoekstra met de beste wil van de wereld niet zeggen dat hij zich thuis lijkt te voelen tussen laagopgeleiden. Ook Mark Rutte presenteert zichzelf weer als de redelijkheid zelve. Klaas Dijkhoff vertrekt uit Den Haag. Onderwijl stijgt de pvv in de peilingen. Ligt hier een verband?

‘Ik denk dat hier een les te trekken valt voor de komende verkiezingen en voor de periode hierna’, zegt Van der Waal. ‘Laagopgeleiden voelen zich het meest thuis bij de SP en de pvv, dat is een feit. Partijen als D66 en GroenLinks staan ver van ze af; die bedienen echt een ander publiek. Maar grote middenpartijen als vvd en cda zouden potentieel laagopgeleide kiezers kunnen aantrekken. Alleen wordt dat lastig met een lijsttrekker als Wopke Hoekstra. Kuitenbijter Pieter Omtzigt spreekt ze veel meer aan. Hij won bijna de interne verkiezingen, maar uiteindelijk kreeg toch Hoekstra de voorkeur. Daar voelt de partijelite zich veel zekerder bij. Dat is tekenend.

Terwijl we weten dat een succesvol klimaatbeleid niet kan zonder draagvlak onder laagopgeleiden. Datzelfde geldt voor het streven naar inclusie en de bestrijding van racisme. Vanuit dat oogpunt is het niet zo’n handige keuze om een bij uitstek elitair figuur als Ed Nijpels boegbeeld voor het klimaat te maken. Daar herkennen laagopgeleiden zich absoluut niet in.

Als mensen het gevoel hebben dat ze de les wordt gelezen, gaan ze in de contramine. Dat weten we uit onderzoek. Als je ze wilt meekrijgen, moet je wel zorgen dat je ze bereikt en dat ze zien dat ze serieus worden genomen.’


Het onderzoek They don’t know what it’s like to be at the bottom werd verricht door Kjell Noordzij met hulp van Willem de Koster en Jeroen van der Waal