Na dit brevet van onvermogen volgt toch, stamelend en soms hulpeloos, het gebruikelijke verhaal. Hoe de kinderen door hun vader worden gebeld en uit alle windstreken naar het ouderlijk huis stromen. Hoe ze hun moeder in het ziekenhuis bezoeken en zich bevinden op ‘de smalle grensstrook tussen zelfbedrog en het besef van verlatenheid’. Hoe een verpleegster als een onverschillige verkoopster naar het bed van hun moeder wijst en hun op niets gebaseerde vrolijkheid elk moment in huilen kan omslaan. Hoe ze zichzelf de tijd niet gunnen om met elkaar te praten en hun situatie te verlichten en niet in staat zijn echte rouwgevoelens te ontwikkelen.
Het verhaal gaat over de begrafenis, de onhandige blijken van medeleven, de gesprekjes over het ‘met waardigheid gedragen ziekbed’ en over hoe ‘de arme stakker aan het eind gevoerd moest worden’. De bijeenkomst heeft een stuitende gelijkenis met vroegere bijeenkomsten. Of is juist het verschil met vroeger zo stuitend?
De verteller weet zich zo met zijn gevoelens geen raad - hij moet zichzelf soms overtuigen: er is iets héél ernstigs aan de hand, zijn moeder is dood - dat er nog iets ongebruikelijks gebeurt in De hulpwerkwoorden van het hart: de dode moeder neemt het woord over. Opeens zijn de rollen omgedraaid: hij is daar en zij is hier, hij is ook dood voor haar. En omdat hij er voor haar niet meer is, vertelt ze hem over haar jeugd, haar liefdes en zijn begrafenis.