KUNST

Sprankelen

Jan Six

Het portret van Jan Six, dat in het Rijksmuseum wordt tentoongesteld, is Rembrandts beste schilderij. De tentoonstelling is hoogst uitzonderlijk, omdat het doek bij de familie Six thuis hangt en nooit wordt uitgeleend. Daar hangt overigens nog meer: Jan Six trouwde in 1655 met de dochter van Nicolaes Tulp, en daardoor werd de familie erfgenaam van diens boedel, waaronder portretten van Tulp door Pickenoy en Hals en een levensgroot ruiterportret van Tulps broer Diederik door Paulus Potter.
Jan Six (1618-1700) was een adellijke rijkeluiszoon. Hij studeerde in Leiden en maakte een grand tour door Italië, waarna hij zich in Nederland aan de letteren en de kunsten wijdde. In 1648 verscheen zijn treurspel Medea, dat drie drukken beleefde, maar zonder succes werd opgevoerd. Of Six schrijven kon valt te betwijfelen; ik heb Medea nooit gelezen, maar zijn mengelwerk is in elk geval matig. Neem dit lofdicht op Maarten Tromp: ‘O Tromp! Triumf, triumf! genoech bevochten;/ Zij hebben niet gevonden dat zij zochten:/ O neen! ’t en zij dat slagen buit beduit./ Of waren zij belust op loot en kruit?’ Hm. Belangrijker was Six’ rol als liefhebber en mecenas, voor Joost van den Vondel en Jan Vos, bijvoorbeeld, maar vooral voor Rembrandt, en hiervan is dat portret uit 1654 de bezegeling. Hoe innig de relatie precies was is onbekend, de sociale verschillen waren groot, maar Six leende Rembrandt behoorlijk wat geld, kocht drie van zijn schilderijen; Rembrandt schilderde Six’ moeder, maakte een portret-ets van Jan, het frontispice van Medea en tekende in diens Album Amicorum. De aanname dat zij op niveau over de kunsten hebben gesproken is niet zo gek.
Daarin ligt een prachtig idee voorhanden. In beider leven zal het principe van de 'volmaakte eenvoud’ een rol hebben gespeeld. Six was bekend met Castiglione’s beroemde Il Libro del Cortegiano (de vertaling, De Volmaectke Hovelinck, werd in 1662 aan hem opgedragen). Rembrandt kende dat ook, in elk geval via Titiaans Ariosto, dat hij op de veiling in Amsterdam zag. In de Cortegiano wordt een beeld geschetst van een persoonlijke Kultur die vooral innerlijk is, niet uiterlijk: de volmaakte hoveling kent elk detail van hofleven en cultuur, maar hij toont zich in bescheidenheid, in een natuurlijke, ongedwongen, niet-vormelijke gratie. In die houding blijkt de ware sprankeling van de geest, in het Italiaans: sprezzatura.
Dat concept past nauw op Rembrandts artistieke context. Hij, de molenaarszoon, zag zich als prins der schilders, gebruikte alleen zijn voornaam; ook hij kon door het aannemen van een ongedwongen sprankelende stijl tonen dat hij de schilderkunst op het allerhoogste niveau beheerste. Daarom ziet het portret van Jan Six er - denk ik - uit zoals het er uit ziet: alsof het in een uur geschilderd is. De volmaakte edelman schildert de volmaakte edelman. De tressen van de jas zijn één streek verf, de handen lijken bijna toevallig totstandgekomen te zijn, deels met de vinger geverfd. Alleen het gezicht is meer bewerkt, maar Rembrandt legt er niet de nadruk op, het komt aarzelend uit de schaduw naar voren. Hier zie je een man die zijn handschoen aantrekt om naar buiten te gaan, en je ontmoet hem dus op de drempel van het uiterlijke en het innerlijke leven. De onopgesmukte losheid van het ene doet de diepgang van het andere vermoeden. Vondel schreef er over: 'Zoo maelt men Six, in ’t bloeienst van zyn jeught,/ Verlieft op Kunst en Wetenschap, en Deught,/ Die schooner blinckt dan iemants pen kan schryven./ De verf vergaet: de Deught zal eeuwigh blyven.’
Het tragische is dat met dit portret de vriendschap waarschijnlijk aan zijn einde kwam. Six’ moeder overleed in 1654, hij trouwde in 1655, schoonvader Tulp behoorde tot de streng orthodoxe factie in het Stadhuis, waar Jan nu ook toegang toe had, kortom, het vrijzinnige leven was voorbij. Six lijkt de relatie te hebben verbroken; hij deed de schuldbekentenis van Rembrandt over aan een ander en zijn vrouw werd geportretteerd door Govert Flinck. In 1656 ging Rembrandt failliet.

Rembrandt & Jan Six: Een Amsterdamse vriendschap. Rijksmuseum Amsterdam, t/m 29 november