Sprankelend en filosofisch?

Als je niet beter wist zou je kunnen denken: een handige jongen, die Nikos Kazantzakis! Slim hoe hij inhaakt op de actualiteit!

Als Griek had hij het geluk er met zijn neus boven op te zitten – eerst die ontwrichtende economische crisis, dan ook nog eens een vluchtelingencrisis met alle dramatische gevolgen van dien, voor een romanschrijver niet minder dan een godsgeschenk.

Dus verbaast het niet dat we in zijn zojuist vertaalde roman Christus wordt weer gekruisigd lezen over een Grieks dorp dat plotseling wordt overspoeld met vluchtelingen, over de tweespalt onder de bevolking die daarvan het gevolg is, een meerderheid die ronduit agressief reageert en een jeugdige minderheid die hulp wil bieden. Het komt ons allemaal overbekend voor. Als er in het dorp iemand sterft krijgen de vreemdelingen de schuld, natuurlijk, we weten er alles van, je kunt niet voorzichtig genoeg zijn, die mensen hebben besmettelijke ziekten onder de leden!

Medium kazantzakis

Maar nee. Actueel is het boek allerminst, het is van 1948 en de grotendeels fictieve gebeurtenissen die erin ter sprake komen spelen omstreeks 1920. Het gevoel van een brandende actualiteit kan ook alleen ontstaan in een samenvatting waarin die gebeurtenissen worden opgediend als tijdloze elementen van een verhaal dat we allang kennen, dus door af te zien van alles wat er vorm, stijl, constructie, kortom literair aan is.

Dat is dan ook het geval in de buitengewoon lovende besprekingen waar Kazantzakis zich sinds jaar en dag, ook in de Nederlandse kwaliteitspers, op mag verheugen. In de jaren vijftig schijnt hij zelfs een paar maal serieuze gegadigde te zijn geweest voor de Nobelprijs, vermoedelijk vanwege de idealistische inslag van zijn werk. Zelf beschouwde hij zijn romans als ‘populaire’ illustraties van zijn levensfilosofie – en dat is precies de reden dat hij die prijs nooit, ook niet bijna, had moeten krijgen.

Nikos Kazantzakis had de Nobelprijs nooit, ook niet bijna, moeten krijgen

Want, tjonge, wat is dit een rampzalig reactionair boek. Ik zou deze ‘sprankelende filosofische roman’ (NRC) liever een fundamentalistisch manifest in romanvorm noemen. In literaire kringen bestaat kennelijk een zo vergaand ontzag voor alles wat zich als ‘filosofisch’ aandient, dat men dit oriëntalisme van de ergste soort, deze onverdraaglijke preek, dit seksisme uit de oertijd van de beschaving, deze verheerlijking van de religieuze zelfopoffering à la IS slikt als hoogstaande literatuur. Behalve een larmoyante imitatie van het lijdensverhaal is Christus wordt weer gekruisigd bovenal een pleidooi voor een statische, homogene, hiërarchische, patriarchale en dus door God streng bewaakte orde. Als beleidsbepalende instantie is de Allerhoogste in elke zin van dit boek irritant aanwezig. Beslissende daden van zijn grondpersoneel komen nooit voort uit eigen initiatief, altijd is er zijn gebiedende stem die hen met de onmogelijkste opdrachten opzadelt.

Hoofdfiguur Manoliós ziet zichzelf als redder, niet alleen van de zondige ‘Maria Magdalena’ (als alle vrouwen uitsluitend bronstig lichaam), maar van de hele mensheid. Hij en zijn discipelen, door de xenofobe dorpelingen bolsjewieken genoemd, zullen de berooide vluchtelingen wel even een lap grond bezorgen waarop ze wortel kunnen schieten, desnoods met geweld. Ze zien zichzelf uiteindelijk als uitverkoren brandstichters in naam van God. Niets liever zou dit arrogante en hysterische heerschap willen dan ‘de grote rottende steden en eerloze paleizen en schaamteloze serails van Constantinopel binnen te gaan en de boel in brand te steken’, hoe zwaarder de misdaad hoe groter de kans op een martelaarschap dat er zijn mag: ‘Slacht me maar af, Aga van me, dan kan ik heilig worden.’

Die Aga van me wordt in de openingsalinea van het boek meteen volledig en definitief uitgetekend. Hij zit op zijn balkon boven het dorpsplein een lange pijp te roken en raki te drinken. Naast hem staat zijn adjudant, ‘een reusachtige, woeste oosterling met loensende ogen en lelijke kop,’ aan de andere kant wordt meneer geflankeerd door ‘een mollig, knap jong Turkenjoch, dat telkens de pijp voor de Aga aansteekt en onophoudelijk raki bijschenkt in zijn kroes’. Geen wonder dat deze potentaat Allah als groot vakman ziet, hij legitimeert al diens luchtig opgediende botheden en seksuele grofheden.

Nu denk je als lezer aanvankelijk dat die stortvloed van stereotypen nog wel ontmanteld zal worden, dat deze gelauwerde Kazantzakis heus wel voor tegenstemmen zal zorgen, je houdt er rekening mee dat we straks in deze types met hun zelfvoldane hangsnorren en christuskoppen de mannen van Monty Python zullen herkennen. Maar nee, geen sprake van, niets gebeurt hier wider den tierischen Ernst. Tegenstellingen zijn er natuurlijk wel, maar die leiden nooit tot ongemakkelijke ambiguïteiten. Ze zijn steevast even massief als het fundamentalistische wereldbeeld van de Aga of van Manoliós en dus even voorspelbaar als hun uitspraken en handelingen. Er wordt flink gescholden, geïntimideerd en gemoord, maar je kijkt er na een paar bladzijden geen moment meer van op. Dit is blijkbaar het Zuidoost-Europese vitalisme waar A. den Doolaard, de Nederlandse ontdekker en pleitbezorger van Kazantzakis, zo warm voor liep. Het meest stuitend, en veelzeggend voor alle bewonderaars van de godsdienstwaanzinnige Griek, vind ik misschien wel de door alle personages vol overtuiging beleden misogynie. ‘Ik ben een man en ik tiranniseer vrouwen, dat is wat ze willen.’ Het doet er nauwelijks toe welke mannetjesputter hier aan het woord is, het is de taal die alle tegenstellingen in dit boek overbrugt.

Zou dit de levenslust zijn die volgens een _Trouw-_criticus bij Kazantzakis van de pagina’s spat? Het valt te vrezen. Zeker is dat alleen een cliché van dit kaliber, het treurigste sinds jaren, passend is voor een boek dat enkel bestaat uit voorgebakken taal en oerconservatieve ideeën.


Beeld: Vluchtelingen uit Klein-Azië in Griekenland, 1922 (American National Res Cross Photograph Collection)