‘Spreek ik met de heer… Kırmızıyüz?’

Het consumentenprogramma Radar belde afgelopen dagen naar 78 uitzendbureaus in Nederland. Ze deden zich voor als een klant die zocht naar callcentermedewerkers, maar deze ‘klant’ had een aantal specifieke wensen: liever geen Turken, Marokkanen of Surinamers. Dat wilde de ‘klant’ liever niet.

Ongeveer de helft van de uitzendbureaus werkte mee aan deze discriminatie: ‘Ik heb u niet gehoord, maar ik noteer het’, antwoordde een medewerker van een van de gebelde uitzendbureaus. Je kon hem zowat door de telefoon horen knipogen. Of wat ik ook een parel van jewelste vond: ‘We mogen eigenlijk niet discrimineren, maar ik begrijp het.’

In de uitzending van maandagavond ging de presentatrice van Radar met twee vertegenwoordigers van de uitzendbranche hierover in gesprek.
‘Wat bent u van plan hieraan te doen?’ vroeg ze aan een van hen.

De man aan wie ze de vraag stelde ging er eens goed voor zitten en dacht even na: ‘Ja, dat is natuurlijk niet goed. Er moet een duidelijk protocol komen zodat de uitzendbureaus hier goed op kunnen reageren en in een gesprek met de cliënt…’

‘Maar discriminatie is toch strafbaar’, brak de presentatrice hem af. ‘Wat doet u bijvoorbeeld met een medewerker die een laptop steelt?’

Nu was er een snel antwoord: ‘Nee, dat kan niet.’
‘Zo iemand wordt toch gewoon ontslagen?’
‘Ja.’
Een veelbetekenende stilte volgde.

We vinden het natuurlijk niet door de beugel kunnen, maar we gaan hier geloof ik niet heel verbaasd meer over doen, toch? Nederland is dan misschien geen racistisch land, maar we kunnen moeilijk meer ontkennen dat racisme en discriminatie hier beide welig tieren.

Een jaar of vijftien geleden, zo rond mijn twintigste, werkte ik zelf als callcentermedewerker en praatte ik voor twee verschillende dagbladen (ik zal geen namen noemen maar het eerste heeft zijn hoofdkantoor tegenwoordig aan het Rokin in Amsterdam en het tweede heeft het woord ‘Algemeen’ op zijn voorpagina staan) mensen een proefabonnement aan.

Op de eerste dag kwam de teamleidster naast me zitten. Eerlijk gezegd dacht ik dat ik sjans had; ik zette mijn koptelefoon af en lachte mijn vriendelijkste glimlach. Uiteraard zat ik er naast.

De teamleidster legde me vriendelijk uit dat het met mijn naam misschien moeilijker zou zijn om het minimum van vier proefabonnementen per shift te halen. Ik luisterde naar wat ze zei en bedacht

a) dat ik dit bijbaantje echt nodig had om de huur te kunnen blijven betalen en
b) dat het misschien ook wel een goede speloefening voor me zou zijn aangezien ik later dat jaar auditie ging doen op de toneelschool.
Ik dacht even na en koos als voornaam Michel, naar een vriend van me, en de teamleidster leende me haar eigen achternaam.
Het daaropvolgende half jaar belde ik als Michel Roberts het hele land plat.

Toen ik me eens per ongeluk versprak en mezelf als mezelf voorstelde ging het daaropvolgende telefoongesprek als volgt:
‘Goeiemiddag, u spreekt met Sadettin Kırmızıyüz van de huppeldepupkrant.’
‘Met wie?’
‘Sadettin Kırmızıyüz.’
‘Wie?’
‘Sadetti…’
‘Nee, ja, ja, geen interesse, daaaaag.’

Ik zou waarschijnlijk hetzelfde hebben gedaan als ik werd gebeld door iemand met zo’n exotische naam.

Laat ik daar voor de goede orde meteen aan toevoegen dat als er een achternaam het tegenovergestelde van exotisch is – zelfs een Turkse – het de mijne is.
Opgelet: Kırmızı: karmozijn (rood)
Yüz: gezicht
Rood Gezicht. Appel. Ei. Kind doet de was.

Geloof me, het kan veel beter. Zo ontmoette ik ooit iemand die Dünyadagülmez heet (‘Lacht niet op deze wereld’) en liep ik een ‘Kleine Vrolijke Turk’ (Küçükşentürk) tegen het lijf.

Zo nu en dan word ik zelf nog wel eens gebeld, over een verlenging van een abonnement of voor een uitnodiging om weer terug te keren bij een energieleverancier.

Bij een van die gesprekken stelde de jongeman aan de andere kant van de lijn zich in accentloos Nederlands voor (Winston nog iets) en toen hij me bij mijn naam aansprak pauzeerde hij even: ‘Spreek ik met de heer… Kırmızıyüz?’

Ik hoorde aan zijn foutloze uitspraak dat hij Turkstalig was. Achteraf vind ik de pauze die hij nam voor hij mijn naam zei veelbetekenend, alsof hij gedacht moest hebben: ga ik deze cliënt laten merken dat ik een Turk ben?

‘Zo, zeg je dat even helemaal goed. Hoor ik niet vaak, hoor’, complimenteerde ik hem.
‘Ja, graag gedaan.’
‘Wat was jouw naam ook al weer?’
‘Winston, meneer.’
‘Nee, serieus, je echte naam.’
‘Umut, meneer.’
‘Dank je Umut’, zei ik, ‘maar ik ben niet geïnteresseerd. Werk ze en veel succes.’

Umut. Dat vind ik ook een mooie naam, mooier dan Winston (sorry Winstons dezer aarde), een naam die ‘Hoop’ betekent. Ik hoop dat Umut die dag zijn targets heeft gehaald, en dat hij na het onderzoek van Radar het hele land onder zijn eigen naam plat zal bellen.