Vrouwkje Tuinman

Spreeuwen in het hoofd

Vrouwkje Tuinman
Receptie
Nijgh & Van Ditmar, 56 blz., € 14,90

Toen ik wilde gaan schrijven over de nieuwe bundel van Vrouwkje Tuinman (1974) herinnerde ik me maar één enkele strofe. Ik kon me amper een gedicht voor de geest halen. Er was wel een alles overheersende stemming, een manier van moeilijk leven. Ik herinnerde me een vrouw die in de gedichten als schuurpapier langs het leven raspt.

Bij herlezing heb ik geprobeerd te zien waar het aan lag dat deze gedichten zo’n ijle indruk hadden nagelaten. Er gebeurt weinig tot niets in het leven van de vrouw die in de gedichten de hoofdrol heeft. Ze blijft vooral binnen en verbeeldt zich invloeden van en op de wereld buiten de deur. Ze probeert er iets van te maken, zoals ook de dichteres iets bijzonders probeert te wringen uit een stroef bestaan.

Zelfs ‘overige bestemmingen’, zoals een van de gedichten heet, zijn van een beklemmende huiselijkheid:

Mijn antwoordapparaat geeft ieder jaar september een felicitatie

en de tussenstand van wie er dood en wie daar nog mee bezig is.

Het communiemeisje aan de muur is iemand uit een ander land.

Bij mijn moeder thuis heb ik een eigen vork dus weet ik waar ik zit.

Ze vindt dat ik een nieuwe rok heb dat mijn wenkbrauwen veranderd zijn.

De dichteres construeert zinnen die niet in één keer duidelijk zijn. Ze vragen om ontwarring. Dan kun je je voorstellen dat in de eerste regel een oma of een ander familielid een keer per jaar belt, op een verjaardag. ‘Ze vindt dat ik een nieuwe rok heb’ is vreemd totdat je bedenkt dat haar moeder waarschijnlijk heeft gezegd ‘je hebt een nieuwe rok’, ze heeft het niet gevraagd. Dat voegt iets toe aan het begrip van de lezer voor deze moeder. Maar na de ontwarring is er niet veel over om bij stil te staan.

Heeft het zin dat er af en toe een woordje ontbreekt? ‘Van wie er dood’ levert een hortend soort lezen op, maar als de regel eenmaal is gladgestreken door er ‘is’ bij te denken ontstaat er niet iets nieuws.

De helikopterfoto plaatst een zonneluifel in de achtertuin.

Ik weet niet precies wat deze regel betekent. Gaat het om een foto van een helikopter of om een beeld dat is gemaakt vanuit de lucht? De zonneluifel in de achtertuin roept iets op: mooi weer, buiten, maar toch ook afgeschermd. Nu gaat het beginnen, denk je als lezer, nu kan het gedicht gaan opstijgen.

Maar de dichteres gaat door met het opsommen van bevindingen die geformuleerd zijn als feiten. Hoe het een met het ander te maken heeft moet de lezer, bij nadrukkelijk gebrek aan verbindingswoorden als ‘maar’ en ‘omdat’, zelf uitmaken.

In het kuiltje van mijn pols acteer ik hoe je kussen kan.

De mensen zeggen dat ze mij niet zijn vergeten en herhalen dat.

‘De mensen zeggen dat ze mij niet zijn vergeten’ heeft spanning. Elke regel op zich is een bijzondere waarneming of constatering. Maar ze gaan weinig met elkaar aan. De regels zijn als bij de supermarkt gespaarde zegels waarvan je hoopt dat ze op een dag, als je er maar genoeg hebt, een geschenk zullen opleveren.

Het leven is een opeenvolging van gebeurtenissen die geen verband houden met elkaar, lijkt Tuinman te willen zeggen. Het heeft geen zin er meer van te maken. Toch probeert ze dat. De gedichten in Receptie bewegen zich in de kruipruimte tussen niet geloven dat er betekenis schuilt in het alledaagse en het toch willen.

Tuinman houdt alles bewust dicht bij huis. Ze doet gek, maar is niet gek. Zo verzamelt ze familieleden maar legt ze meteen uit hoe dat zit: ‘Uit de etalage koop ik een familie van papier./ De man die nu mijn oom wordt, leunt glanzend tegen/ een auto.’

Tuinman beschrijft in haar gedichten vaak hoe iets vreemds kon gebeuren in plaats van het te laten plaatsvinden. Ze doet verslag van een dagdroom in plaats van de lezer deelgenoot te maken van de fantasie: in Mos vallen de geliefden niet, maar stelt de dichteres zich voor hoe dat zou zijn. Ook in het slotgedicht legt de dichteres eerst uit: ‘Alleen met ogen dicht kan ik nog zien.’ Hoe mooi de beelden ook zijn die erop volgen (‘De zonsopgang/ is dikbewolkt, de cipressen antraciet mijn/ blikveld kantelt vol verwachting open’) de dichteres heeft al aangekondigd dat het allemaal maar verbeelding is, waarmee ze de lezer een ervaring ontneemt.

Maar dan is er de regel ‘Aai de spreeuwen uit mijn hoofd’ in Vena amori. De dichteres legt niet uit hoe de spreeuwen in haar hoofd terecht zijn gekomen en hoe het kan dat een hand vogels uit je gedachten kan strelen. Spreeuwen roepen schreeuwen op, en veel chaotisch zwart. Het is de regel die me bij was gebleven. Het is een regel die opstijgt, verwarring veroorzaakt, en om meer vraagt.

Alles wat ik nodig heb: jouw handen om de mijne

vast te nemen. Aai de spreeuwen uit mijn hoofd,

draag ons dekens door het licht uit.