‘Niet ras, maar klasse’

Spreiding in het onderwijs

Het WRR-rapport Vertrouwen in de school doorbreekt het denken in zwarte en witte scholen. Onderwijssocioloog Bowen Paulle was mede-inspirator van het rapport. Hij pleit voor spreiding op basis van klasse. ‘Dit zou vroegtijdige schooluitval kunnen reduceren.’

‘ALS ACHTERSTANDSKINDEREN met het juiste percentage kinderen uit de middenklasse in de klas zitten, stijgen de prestaties van de eerste groep terwijl de tweede groep er geen negatieve gevolgen van ondervindt. Er zijn indicaties dat een ideale verhouding op een school rond de 35-65 procent is, maar dat lukt alleen met de juiste visies, instrumenten en collectieve afspraken om spreiding op scholen te stimuleren en handhaven. Dit zou vroegtijdige schooluitval kunnen reduceren.’
Onderwijssocioloog Bowen Paulle is stellig. Spreiden is juridisch haalbaar en kan werken, mits op basis van klasse en niet op basis van etniciteit. Vanuit de onderwijssociologie ziet hij dat segregatie vooral over kansarme en kansrijke kinderen gaat, over de sociaal-economische achtergrond van leerlingen. Deze benadering werd in zijn geboorteland Amerika twintig jaar geleden met een gericht spreidingsbeleid op scholen geïmplementeerd. ‘Maar’, zegt Paulle, ‘in Nederland wordt nog steeds gesproken over zwarte en witte scholen. Het WRR-rapport doorbreekt dit denken en veroorzaakt, hoop ik, een omslag in het onderwijs.’
Bowen Paulle (1970) groeide op in een middenklassegezin in New York en werkt sinds enkele jaren als socioloog aan de faculteit sociologie en antropologie aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). De liefde bracht hem tien jaar geleden naar Nederland. In 2005 promoveerde hij bij Abram de Swaan en Nico Wilterdink op een vergelijkende etnografische studie naar gesegregeerde scholen in New York en Amsterdam. Het onderzoeksmateriaal verzamelde hij voornamelijk op ‘zeer problematische’ scholen in de Bronx en de Bijlmer waar hij tussen 1996 en 2002 als leraar werkte. Tegelijk deed hij daar als wetenschapper sociologisch onderzoek, wat leidde tot het proefschrift Anxiety and Intimidation in the Bronx and the Bijlmer: An Ethnographic Comparison of Two Schools (2005, Dutch University Press). Daarin laat hij zien dat scholen met een hoge concentratie probleemleerlingen de positie van achterstandskinderen verder omlaag trekken.
Paulle: ‘Het gedrag van de groep veelal labiele leerlingen beheerst het klimaat op dit soort scholen. Structurele chaos is het resultaat. Dat tast de concentratie in de lessen en de motivatie van leraren en leerlingen aan. Ik heb dat zelf ook zo ervaren. Als leraar werd ik ge-killed. Ik heb daar geen romantisch beeld aan overgehouden. Slechts twintig procent van de docenten doet het goed en dat zijn superleerkrachten. Leerlingen raken in de wanorde verder beschadigd of verlaten vroegtijdig school. Deze drop-outs, of beter gezegd burn-outs, zijn een groot probleem voor de samenleving. Het is een situatie die in Nederland echt verbeterd kan worden, ook al valt het vergeleken met de Franse banlieues en de Amerikaanse getto’s hier nog enorm mee. De kernvraag is of je als bestuurder een onderwijssysteem wilt dat ongelijkheid onnodig verergert.’
Vanuit internationaal onderzoek ziet Paulle genoeg reden om de bestaande, op etniciteit gebaseerde invalshoek op onderwijssegregatie los te laten en te vervangen door een in eerste instantie sociaal-maatschappelijke benadering. Deze visie heeft tot Paulle’s eigen verrassing veel impact gehad op het onlangs verschenen eindrapport Vertrouwen in de school van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) onder leiding van Pieter Winsemius. De aanleiding voor het onderzoek waren de toenemende problemen op concentratiescholen en het hoge aantal vroegtijdige schoolverlaters in het vmbo en mbo, per jaar zo’n vijftigduizend leerlingen.
‘Winsemius zei tijdens een gesprek tegen me dat hij zich écht zorgen maakt over de kansarme blanke kinderen. Zij komen helemaal niet meer in contact met kinderen uit andere milieus en zitten nog meer dan veel allochtonen in een klein cirkeltje waarin ze dag in, dag uit met kolossale problemen te maken hebben. Gunstig gemengde scholen kunnen ook hen compensatie bieden om hieruit te ontsnappen.’
In het WRR-rapport wordt gepleit voor spreiding van achterstandskinderen – of ‘overbelaste kinderen’ – en scholen daartoe te dwingen. Een andere aanbeveling aan de regering is dat een school een verlengstuk van de maatschappij moet zijn om probleemjongeren – naar schatting 25.000 – binnenboord te houden. Deze ‘plusschool’ fungeert als een huiskamer, met leerkrachten als een soort ouders.
Het rapport oogstte veel kritiek: scholen moeten zich richten op de kerntaken en zijn geen opvoedingsinstituten of instellingen die maatschappelijke problemen oplossen. Nalatige ouders zouden zich bovendien verder kunnen onttrekken aan hun verantwoordelijkheid, ‘want de school knapt het wel op’. En mag je leerkrachten overladen met nóg meer taken? Dwang tot spreiden strookt niet met grondwetsartikel 23, waarin de vrijheid van onderwijskeuze ligt verankerd.
Bovendien heerst er een algehele allergie voor grote deltaplannen voor het onderwijs, want er is in de afgelopen decennia al genoeg geknoeid over de hoofden van kinderen en leerkrachten heen. Vanaf de Mammoetwet, 1968, is er gefuseerd en geëxperimenteerd met nieuwe structuren en leermethoden. Uit het parlementair onderzoek naar onderwijsvernieuwing bleek dat de kwaliteit van onderwijs hier sterk onder had geleden. Het rapport Tijd voor onderwijs stelde dat docenten weer aan zet zijn en niet de overheid. De WRR wil nu, amper een jaar later, dat scholen maatschappelijke problemen helpen oplossen. Op een gedwongen operatie van spreiding van overbelaste leerlingen zitten directies en leerkrachten niet te wachten.
Volgens onderwijssocioloog Jaap Dronkers rept het WRR-rapport niet over de aanpak van andere maatschappelijke oorzaken van schooluitval, zoals falende opvoeding, drugsgebruik, echtscheidingen of woonwijken vol agressie, criminaliteit en straatoverlast. ‘De onderzoekers kijken niet naar de samenhang maar doen aan symptoombestrijding’, aldus Dronkers in NRC Handelsblad.
Paulle ziet veel in de argumenten van Dronkers, maar meent dat je van fouten uit het verleden moet blijven leren: ‘In Amerika ging in de jaren vijftig segregatie alleen maar over ras. Je had bijvoorbeeld in de jaren zeventig de zogenaamde Boston Bussing-projecten: zwarte kinderen werden met bussen naar blanke scholen gebracht. De desegregatieprojecten waren heel slecht bedacht en puur op dwang gebaseerd. Ze werden een groot fiasco. Blanke arbeiderskinderen werden gemengd met zwarte arbeiderskinderen. De blanke ouders kwamen in het geweer, omdat ze vonden dat hun kinderen dienden als proefkonijnen terwijl de middenklasse buiten schot bleef. De prestaties van zwarte kinderen werden overigens niet beter door ze te mengen met blanke kinderen uit vergelijkbare klassesituaties. Er zijn toen domme fouten gemaakt, maar dat is begrijpelijk in het licht van de tijd: er was maar een kleine black bourgeoisie en Martin Luther King had net zijn oproep gedaan om het zwart-wit-denken te doorbreken.
Vanaf de jaren tachtig ging men anders denken over segregatie. De zwarte en Latino middenklasse groeide en er was tegelijk een toenemend besef dat er een groep heel arme blanken bestond, die bijvoorbeeld woonden in trailer parks buiten de steden. Ook bleek de beste voorspeller voor succes op school keer op keer het beroep en opleiding van de ouders te zijn en niet etniciteit of huidskleur. Met dit inzicht werd de focus van desegregatieprojecten verschoven van ras naar klasse. Vanaf 2000 werd bijvoorbeeld in Cambridge Massachusetts gekozen voor programma’s waar op scholen rond de veertig procent kansarme kinderen, ongeacht hun huidskleur, werd gemengd met rond de zestig procent middenklassekinderen. De scores van de kansarmen gingen omhoog, terwijl de middenklassekinderen hierdoor niet in prestaties achteruit gingen. Dit leidde ook tot een vergroting, niet een verkleining, van de keuzeruimte voor alle ouders.’
Paulle merkt dat praten over klasse in Nederland nog gevoelig ligt: ‘We zijn een beschaafd volk en je wilt elkaar geen pijn doen, maar we weten en voelen het wel. In het openbaar classificeren we niet in termen van klasse, terwijl we thuis tot in de details bespreken uit welk milieu iemand komt. Dat gaat tot op het niveau van de tennis- of biljartclubkeuze. Op zich is dat in Amerika niet anders. Het verschil tussen het milieu van Sex and the City en de echte oud-geldelite in de films van Woody Allen is overduidelijk. Nederland is een klein land en we doen alsof het klassevraagstuk voorbij is, iets wat in de jaren zestig is opgelost. Het enige is dat er kansarme bruine mensen zijn binnengekomen. Ondertussen zijn er duidelijk klassendistincties binnen de maatschappij. Bij problemen is de neiging toch om terug te schieten in een zwart-witterminologie. Etniciteit doet er soms toe, maar dit is natuurlijk eenzijdig.’
Paulle refereert voor de haalbaarheid van spreidingsbeleid aan zijn onderzoek voor de gemeente Amsterdam, Evenwicht in West. Deze studie was gefocust op Amsterdam Oud-West, en in mindere mate op de andere stadsdelen in West binnen de Ring. In deze sociaal gemengde buurt werd de perceptie van ouders onderzocht om te zien of er potentie is om te spreiden. Niet in alle delen van Nederland ligt immers potentieel. ‘Niet in Aerdenhout en ook niet in Slotervaart, als je ze apart neemt, omdat daar een sociaal-economisch homogene bevolking leeft en er dus niks te mengen valt. Wat we in stukken van West met de juiste demografische achtergrond veel hoorden van vooral blanke ouders, yuppietypes, is dat ze walgen van de tweedeling, maar niet willen experimenteren met hun eigen kind. Ze kiezen vaak voor de veilige school, een met een stabiel en zeer laag percentage achterstandskinderen.’
De conclusie was dat hier vanwege de populatie en het schoolaanbod kansen liggen voor een zogenoemde controlled choice-benadering, een geregelde keuze, zoals in Cambridge en elders in de Verenigde Staten gebeurt. De invoering ervan werkt als volgt, legt Paulle uit: ‘In de contexten waar het kan leggen uitvoerders ouders eerst duidelijk uit dat er in de participerende scholen op een verhouding van rond de dertig procent kansarme en zeventig procent kansrijke kinderen wordt gemikt. De scholen binnen het netwerk ontwikkelen elk een eigen profiel, op basis waarvan de ouders hun voorkeur geven. Ze krijgen de mogelijkheid om drie keuzes voor scholen in te dienen. Bij de selectie wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de voorkeur, oudere broers en zussen, et cetera. In Cambridge blijkt rond 83 procent de eerste keuze te krijgen. Het mooie is dat alle ouders in het projectgebied de garantie hebben van toegang tot een evenwichtige basisschool, omdat er geen concentratiescholen meer zijn. Bij onze gesprekken bleven ouders zeer kritisch. Ze willen grondige voorlichting en eisen “harde bewijzen”. Maar ze raken er wel van overtuigd dat deze benadering een win-win-situatie is: kansarme kinderen presteren beter en de middenklasse-ouders hebben minder problemen met het vinden van dé school voor hun kind.’
Ja, zegt hij, hij zou het ook doen voor zijn eigen dochters. ‘Ik vind het niet wenselijk dat ze in een bubble met andere geprivilegieerde kinderen zitten. Zeker als ik niet bang hoef te zijn dat het hun prestaties negatief zal beïnvloeden vanwege een stabiele middenklasse-meerderheid.’
In zijn betoog heeft Paulle het niet over de invloed van opvoeding, van de islamitische zaterdagschool of van de straatcultuur in slechte wijken. Is dat niet érg beperkt? Paulle: ‘Ik zeg niet dat een school álles oplost. Maar we weten dat het heel moeilijk is om invloed uit te oefenen op wat er gebeurt achter de voordeur. Gezinscoaches dragen misschien een steentje bij, net als straatcoaches en hulpverleners. Maar we weten dat kwetsbare kinderen vaak naar slechte scholen gaan. Ik ben het grondig met Winsemius eens: kijk waar mogelijkheden zijn en probeer die kansarme jongeren via de school uit het afvoerputje van de samenleving te halen.’