Straattaal versus staatstaal

Spreken zonder komma’s

Coalitiepartijen moeten voortdurend in zalvende zinnen onoverbrugbare tegenstellingen bedekken. Het ‘nee is nee’ van Wouter Bos inzake Uruzgan was dan ook een taalbreuk. Hij verkoos de helderheid van de taal van de straat.

‘NEE IS NEE’, luidde de boodschap van Wouter Bos en Mariëtte Hamer. Als het aan de PVDA lag, zo kondigde Bos op de televisie aan, zou Nederland aan het eind van dit jaar de bijdrage aan de militaire missie in Uruzgan beëindigen. Daarover mocht geen enkele twijfel bestaan. Opmerkelijk was de fermheid van het daarop volgende debat, waarin de ministers Bos en Verhagen weigerden te schikken of te plooien. Het kabinet-Balkenende IV was niet tegen deze spanningen bestand.
Nog maar enkele dagen eerder, tijdens het debat over de conclusies van de commissie-Davids, was de toon van het gesprek aanmerkelijk anders. De eenzame held was CDA-voorman Pieter van Geel, die aan de ene kant geen afstand mocht doen van de harde conclusies van de onderzoekscommissie, maar tegelijk de conclusies niet kon omhelzen, omdat hij dan ruzie zou krijgen met partijleider Balkenende. Vanuit die benarde positie begon Van Geel een schimmig taalspel, dat Femke Halsema 'typisch CDA-gezwabber’ noemde. Ook de kranten beschimpten de talige kronkelconstructies waarmee het kabinet zichzelf overeind moest houden.
De verschillende tonen van de Kamerdebatten over Irak en Afghanistan illustreren een opmerkelijk verschil. Toen de ministers ferme taal uitsloegen, viel het kabinet, terwijl de zalvende woorden van Van Geel de regering overeind wisten te houden. Dat zegt wat over de functie van woorden in de politiek. Voor een kabinet is het beter helder te zijn dan onduidelijk, maar is het nog beter onduidelijk te zijn dan inefficiënt. De zalvende woorden van Van Geel versus het 'nee is nee’ van Bos ontbloot de taalbreuk tussen het vocabulaire van de regering en de taal van de buitenstaanders. Eenvoudiger gezegd: in de subtekst van deze botsing valt de onverzoenbaarheid te lezen tussen de taal van de staat en de taal van de straat.
Burger en overheid verstaan elkaar slecht. Zeker de laatste jaren. Om dit te bestrijden, maakt de overheid woordenboeken om het eigen spreken te vertalen in 'gewone mensen’-taal. Zoals de gemeente Den Haag, die in het boekje Helder Haags vertalingen verzon voor ambtelijk jargon. Behelzen heet voortaan 'gaan over’. Beleidsimpuls mag de Haagse gemeenteambtenaar vertalen met 'goed plan’, of 'extra aandacht geven’. Quick-scan heet 'nattevingerwerk’. Wanneer een Hagenees zijn paspoort ophaalt, ontvangt hij dus duidelijke instructies. Maar wanneer diezelfde burger naast het stadhuis een minister ontmoet, gelden in dat gesprek andere regels. Voor politieke bestuurders is helder Haags een handicap. Helderheid creëert duidelijkheid, maar duidelijk spreken is in de Haagse arena hetzelfde als vloeken in de kerk.
Dat is geen onwil, noch een vertoon van gebrekkig retorisch talent. Coalitiepartijen moeten na de ondertekening van het regeerakkoord voortdurend de degens kruisen om standpunten te bepalen. In moeizame huwelijken, zoals Balkenende IV dat was, leidt dat tot omslachtige formuleringen. Zalvende zinnen bedekken onoverbrugbare tegenstellingen. Vage formuleringen bieden kemphanen de ruimte om na het bereiken van het compromis zichzelf in de tekst te blijven herkennen.
Het communicatieadvies om 'vanuit de ontvanger’ te denken, geldt onder de Haagse kaasstolp als naïef. Vage taal is de smeerolie van de politiek. Een mooie illustratie hiervan was de kernzin uit de kabinetsreactie op het rapport van de commissie-Davids: 'Het kabinet accepteert de beschrijving van de feitelijke gang van zaken.’ Vlug volgt een relativering: ’… waarbij het kabinet zich realiseert dat ieder van de destijds betrokkenen de beschrijving van de feitelijke gang van zaken leest en beoordeelt vanuit de persoonlijke beleving en herinnering.’ Rouvoet bedacht deze bijstelling, waarmee de minister het CDA met de PVDA verzoende.
Ook voor oppositiepartijen is taal een ruilmiddel. Een partij die kans maakt op regeringsdeelname moet in het eigen spreken onderhandelingsruimte laten bestaan, desnoods tussen haakjes. De taal van vandaag bevat vaak het compromis van morgen.
Als bestuurders spreken, onderhandelen zij. Om deze onderhandelingsruimte te faciliteren, poetsen ambtenaren in de coulissen al te scherpe uitspraken weg. Een Utrechtse taalwetenschapper volgde eens de publiekelijke toezegging van een gedeputeerde: 'De provincie moet het heffen van statiegeld invoeren.’ De meegekomen ambtenaar herschreef de zin: 'Wij zullen de mogelijkheden tot het heffen van bijv. Statiegeld en nadruk op productaansprakelijkheid (waar mogelijk en uitvoerbaar) steeds nadrukkelijk in onze overwegingen betrekken.’ Het vertechnocratiseren of verjuridiseren helpt om politieke ruzie onder de tafel te houden.

STAATSTAAL EN STRAATTAAL zijn om een tweede reden onverenigbaar, namelijk vanwege de bijzondere relatie tussen burger en staat. Een gangbare wijze om de democratie te legitimeren, is door de democratie te bezien als een 'sociaal contract’ tussen burgers, waarin zij hun recht op geweld overdragen aan de staat. De staat is een gevaarlijk instituut, want als enige instantie bevoegd geld af te nemen en te onteigenen. Deze 'zware’ monopolies verplichten de staat om een aantal belangrijke regels en deugden in ogenschouw te nemen, zoals de hoogleraar bestuurskunde Paul Frissen uiteenzette in zijn recent verschenen boek Gevaar verplicht. Een van deze regels is dat de staat zijn burgers niet willekeurig behandelt.
In de taal manifesteert dit gebod zich in een onbepaaldheid van spreken. Het parlement maakt geen wetten die bevelen dat mevrouw Boon, wonend in de Van Speijkstraat te Amsterdam, haar gevel niet roze mag schilderen. In plaats daarvan stelt een overheid dat inwoners van een beschermd stadsgezicht verplicht zijn om bij het verrichten van aanpassingen aan de gevel een vergunning aan te vragen bij de daartoe bevoegde instantie. Het gebod op willekeur vertaalt zich in onderwerploze zinnen, veelal geschreven in de passieve vorm. Hoe sober en saai dat ook moge zijn, deze onbepaaldheid behoort tot de essentialia van de staat. Dat vond ook de eerste hoogleraar bestuurskunde, Gerrit van der Poelje (1884-1976), die schreef 'dat de ambtelijke stukken niet de spontane reactie weergeven van een enkel persoon, maar dat hun inhoud aanvaard is door allen, die daarbij betrokken zijn of kunnen worden, dat m.a.w., als het stuk uitgaat, het niet meer het individu is, maar het apparaat, dat zijn stem laat horen’.
De onderwerploosheid van de taal van de staat leidt tot dilemma’s in een gemediatiseerde samenleving. Een intrigerende paradox van de 'toeschouwerdemocratie’ is dat bestuurders en politici - het middelpunt op eigen departement of parlement - figurant zijn in het script van de journalist. Voor die scripts gelden bijzondere regels. 'Show, don’t tell’, leren journalisten op hun opleiding. Die stijlfiguur betekent dat een geschreven verhaal of filmpje beelden nodig heeft om het nieuws, de gebeurtenis of ontwikkeling mee te illustreren. Daarom vertelt Netwerk het verhaal van de financieel-economische crisis aan de hand van een reportage over werkloze vrachtwagenchauffeurs. Het kleine verhaal van de verdrietige chauffeur illustreert het grote verhaal van de economische crisis.
De taal van de journalist staat haaks op de taal van de staat. Waar de staat onderwerploos dient te zijn in zijn opvattingen van burgers gebruiken journalisten gezichten ter illustratie. Waar de staat passieve zinnen schrijft, teneinde ze algemene geldigheid te verschaffen, zoeken journalisten naar het bijzondere en specifieke. Het is een botsing tussen algemeen versus specifiek, bepaald versus onbepaald, en een van de oorzaken voor het structurele gebrek aan 'mediageniekheid’ van de overheid.

TOT SLOT er is nog de verlegenheidstaal, een taal waarin de overheid haar verlangen naar maakbaarheid bedekt. Om de herkomst van dit weifelende taalgebruik te begrijpen, moeten we kort de curieuze ontwikkeling bekijken van de betekenis van het begrip maakbaarheid.
Dat begint rond 1848. Door technologische hoogmoed verandert Nederland in een land van ingenieurs. Politiek staat gelijk aan het herordenen en verbeteren van de natuur. Sporen aanleggen, de klokken gelijk zetten en dijken bouwen: in rap tempo verandert de staat het aangezicht van Nederland. Het wetenschappelijke denken viert hoogtij. De samenleving bestaat uit uitrekenbare en dus oplosbare problemen. Tot ver na de Tweede Wereldoorlog was Nederland vervuld van dit daadkrachtige denken, maar vanaf de jaren zestig en zeventig ontstaat kritiek op het grootschalig willen ingrijpen in de samenleving. De intelligentie van burgers stijgt en mogelijkheden om kennis te delen nemen toe. Hierdoor blijkt de ordening vanuit de staat te botsen op een samenleving die de overheid altijd een stap voor blijkt te zijn. Overheden hebben bovendien minder gezag, burgers meer kennis en ruimte om te anticiperen op beleid. Tragische beleidsgeschiedenissen, gegrond in goede bedoelingen zoals bijvoorbeeld de bouw van de Bijlmermeer, of recenter de onderwijsvernieuwing, volgen elkaar op. Sociale wetenschappers benadrukken daarom dat de overheid haar ambities moet temperen. Echte maakbaarheid lijkt in de moderne samenleving een illusie.
Daar sta je, als overheid. De samenleving 'maken’, 'plannen’ of 'ordenen’ mag niet meer. Kan ook niet. Tegelijk verwachten burgers van de overheid dat zij iets doet. Bestuurders willen het verschil maken, maar moeten sinds de financieel-economische crisis ook bezuinigen. Daarnaast zijn eerder al veel taken uit handen gegeven door privatisering of publiek-private samenwerking. Op een doorsnee ministerie levert dat interessante taalvondsten op. Weinigen heten 'planner’, niemand 'intervenieert’. In plaats daarvan leeft daar een enorme groep ambtenaren met als functie: ketenregisseur, kennisadviseur of procesbegeleider. Hoogleraar sociologie Jan Willem Duyvendak herkent in deze bloemrijke functieomschrijvingen een 'verlegenheidstaal’. Een taal van een overheid die niet durft toe te geven dat ze de samenleving wil maken, maar daar heimelijk wel naar verlangt.

TERUG NAAR DE botsing tussen de ferme uitspraken van Bos en de zalvende woorden van Van Geel. Enkele dagen eerder lijmden weifelende woorden zoals die van Van Geel de verhoudingen, maar in het standpunt van Bos lag geen enkele komma verscholen waarachter CDA en ChristenUnie hun opvatting konden plaatsen. Het ultimatum was een uitspraak gedaan op straat, maar, in weerwil van Bos’ eigen standpunt, geen uitspraak namens de staat. Bos weigerde naar woorden te zoeken die nu eenmaal passen bij de overheid en sprak zijn collega’s toe alsof hij een politieke buitenstaander was.
Daarmee bezegelde Bos het lot van een kabinet dat vanaf de start probeerde aansprekende woorden te vinden, maar daar slecht in slaagde. Een onbekende maar betekenisvolle poging was Project Grondtoon, waarin de overheid een 'klankenschaal’ componeerde voor de eigen correspondentie. In het eigen spreken moest een ondertoon doorklinken, waardoor burgers zouden weten waar de overheid voor staat. Het projectteam had zelfs al een mission statement, waarvan het concept luidde: 'De rijksoverheid staat voor Nederland.’ Om onduidelijke redenen is het statement er niet gekomen.
Eigenlijk zegt het ongezegde het meest. De door communicatieadviseurs opgeleukte zinnen weerspiegelden een overheid die aansluiting zocht bij de wereld van de burger, maar niet kon vinden. Het kabinet-Balkenende IV wist al na een jaar, of zelfs enkele maanden, niet of het nog legitimiteit bezat bij de achterban. Vooral in de PVDA heerste het gevoel de achterban kwijt te zijn, afgaand ook op de aanhoudende, slechte peilingen. Als representant van de staat lukte het Wouter Bos niet aansprekende woorden te vinden voor zijn kiezers. Met zijn ultimatum aan het kabinet verkoos hij weer de helderheid van de taal van de straat. Maar in deze wending naar de kiezer verloor Bos het kabinet.