Sprekende wolkenkrabbers

Er is geen groter vloek dan verantwoordelijkheid. De mens is een onverantwoordelijk wezen; meer dan de zorg voor zijn eigen eten en onderdak kan hij niet aan, en zelfs dat gaat nog vaak mis - elk verregend weekend lopen er weer mensen friet te eten in de regen. Iedereen met een grote verantwoordelijkheid is te beklagen: Japanse beleggingsadviseurs, pizzakoeriers in Reykjavik, de volgende minnaar van Connie Palmen, de man van de onlangs overleden Mexicaanse moeder van zeventig kinderen, en alle Amerikaanse schrijvers. De laatsten vanwege hun onmogelijke opdracht: de eeuw is bijna om en de Great American Novel is er nog altijd niet.

Ooit heeft, om niet meer na te speuren redenen, een Amerikaans criticus bedacht dat de Grote Amerikaanse Roman er zou moeten komen. Dat wil zeggen: een door een blanke, protestantse man of vrouw (voormalige negerslaven of trotse Indianen in de familie is niet per se een nadeel, mits er van die afstamming geen zichtbare sporen meer zijn) geschreven definitieve roman van tenminste 500 pagina’s over de Amerikaanse identiteit, en met een representatieve selectie uit de volgende onderwerpen: immigranten, honkbal, drive-ins, pioniers, paarden, het eindexamenbal (Prom Night), de Sovjetunie, de zaterdagavond zonder afspraakje, basketbal, country & western, stripteaseuses, gangsters, zangers, presidenten en hot-dogverkopers. Door dit onzalige bedenksel zitten de Amerikaanse critici nu op hete kolen: elke Amerikaanse roman die vandaag de dag een fatsoenlijk aantal pagina’s telt, heeft al grote kans om tot Great American Novel uitgeroepen te worden, in ieder geval veel meer kans dan eerder deze eeuw, toen 2000 nog een fictieve datum was en er nog genoeg schrijvers te gaan waren. Elke Amerikaanse auteur van enige importantie is al eens op die schaal gewogen (zonder dat iemand durft te zeggen dat een definitieve roman over een heel continent niet de vorm van een boek zou moeten hebben, maar minstens van een sprekende wolkenkrabber): Theodore Dreiser, John Dos Passos, William Faulkner - steeds bleken ze achteraf gefaald te hebben, omdat Amerika wel veranderde, maar vreemd genoeg hun boeken niet.
Bij het uitkomen van E. Annie Proulx’ Postcards in 1993 schreef de New York Times hoopvol dat dit ‘misschien wel’ de Great American Novel zou kunnen zijn. In 1994 wist men zeker dat het de oude meester Henry Roth was, die met zijn Mercy of a Rude Stream aan een trilogie begonnen was waarin eindelijk het laatste woord over Amerika gezegd zou worden.
Nu, in 1998 weet men het eindelijk zeker: het is Don DeLillo’s Underworld. Ik schat dat er de komende twee jaar nog tenminste twee GAN’s zullen verschijnen.
Het maakt toch een beetje jaloers dat het idee van de Grote Nederlandse Roman nooit bij iemand is opgekomen, maar er is nu eenmaal een veel te groot verschil tussen Amerikaanse en Nederlandse literatuur: bij Amerikaanse schrijvers staan de karakters in dienst van het verhaal, bij Nederlandse schrijvers staat alles, van het behang in de huiskamer tot het weer, in dienst van het humeur van de hoofdpersoon - daarom regent het zo vaak in Nederlandse romans.
Nederlandse schrijvers hebben niet de verantwoordelijkheid om over iets belangrijks te schrijven, het liefst hebben we toch dat het over henzelf gaat. Daarom zijn Nederlandse schrijvers vaak gelukkige mensen.