Spreker op het podium van de wereld

Nobelprijswinnaar Mario Vargas Llosa is maatschappelijk geëngageerd én hardnekkig liberaal. Lange tijd gold dat als ‘fout’, maar de linkse intelligentsia is om.

Medium llosa

Het was druk, die novemberdag vorig jaar op de Peruaanse ambassade. Hoofdgast was Mario Vargas Llosa, die onder Nederlandse schrijvers fervente bewonderaars bleek te hebben. Christine Otten, die mee terugreed naar Amsterdam, was niet de enige met de gloed van enthousiasme nog op haar wangen.
Zo geanimeerd is dat soort bijeenkomsten zelden.
Toen ik binnenkwam hief hij zijn armen, stralend. Vargas Llosa straalt altijd, of misschien is blaken het woord. Hij had gehoord dat ik hem voortreffelijk had vertaald, zei hij. Ik antwoordde dat ik zijn werk bewonder en erover heb geschreven en georeerd, maar dat ik nog nooit een letter van hem heb vertaald. Noem me de coryfee die dan nog lacht. Hij deed het.
‘Toch heb ik over je gehoord’, hield hij vol, en ik zag hem in zijn geheugen zoeken.
Het typeert de nieuwe Nobelprijswinnaar: soepel en aardig. Hij werd in 1936 geboren in het slaperige Arequipa, maar werd een wereldburger, ook fysiek. Hij woont tegenwoordig vooral in Spanje, waar hij zijn tweede staatsburgerschap heeft verworven.
Die avond, vorige herfst, hield hij de Spinoza-lezing in de aula van de UvA. Het leek wel of in ons land een enorm, verdekt maar popelend Vargas Llosa-genootschap bestond. Het was stampvol. De lezing ging over de Inca Garcilaso, de in Cuzco geboren zoon van een Spaanse conquistador en een Indiaanse prinses, die als eerste het nieuwe continent inventariseerde. Historische eigenaardigheid: de Inca Garcilaso overleed op dezelfde dag in 1616 als Shakespeare en als Cervantes, die zo graag naar dat continent toe had gewild. Vargas Llosa benadrukte het belang van getuigenissen, van over de grens kijken, van het erkennen van verschillen, en van het fenomeen taal in heel z'n ongrijpbaarheid.
Af en toe ronkte het een beetje. Nederlanders zijn daar overdreven allergisch voor, alsof antiretoriek het hoogste streven is. Lees het dankwoord van Faulkner toen die in 1949 de Nobelprijs kreeg. Dat ronkt van begin tot eind en tegelijk heb je de sensatie waarheid te horen; dat waren andere tijden, oké.
Faulkner is een van Vargas Llosa’s grote voorbeelden. Van hem leerde hij de technisch zo moeilijke veelstemmigheid en de lenigheid om vanuit één punt een veelkantige, complexe wereld op te roepen. In Het groene huis (1965) is een bordeel zo'n punt in een uitwaaierende, overtuigende wereld, die op de een of andere manier realistisch aandoet. In het eerdere De stad en de honden was het een kadettenschool, waar hij zelf op had gezeten; in het latere Gesprek in de kathedraal (1969) een kroeg.
De meerstemmigheid kenmerkt Vargas Llosa. Hij is én maatschappelijk geëngageerd én een voorstaander van liberalisme, en hij zou almaar weer in fictieve vorm of in essays de corrumperende werking van macht analyseren. Wat dat aangaat was Het feest van de bok (2000), over de Dominicaanse dictator Trujillo, een hoogtepunt, maar ook het in Brazilië spelende De oorlog van het einde van de wereld (1981), over geloofsfanatisme en andere vormen van verblinding. Dat er zoveel spanning en humor zit in die rijk gedocumenteerde, zeer geschakeerde en altijd lichtelijk essayistische romans is dé grote verdienste van de Peruaan.
Vargas Llosa volgt de actuele ontwikkelingen, dat spreekt vanzelf, of stop je die er als lezer in? Voor mij was zijn Spinoza-lezing een waarschuwing tegen xenofobie en populisme, dat van xenofobie z'n bestaansrecht maakt.
Dat hij in mijn leven een rol heeft gespeeld is waar. Mijn eerste boekbespreking in NRC Handelsblad betrof de vertaling van Mariolein Sabarte Belacortu van La casa verde (Het groene huis), een van de boeken die de wereld verliefd maakten op de Latijns-Amerikaanse literatuur, omdat die niet leed aan de bedaagdheid van de westerse literatuur toen, maar juist intrigeerde met verfrissende, vanzelfsprekende, niet door geblaseerdheid ondermijnde ambities. De invloed die daarvan uitging is groot. Het bekendste boek uit die booming-generatie is García Márquez’ Honderd jaar eenzaamheid. Ik had net Rayuela, van Cortázar, ook zo'n gigant, vertaald. Ze worden vaak met z'n allen magisch-realisten genoemd. Dat slaat nergens op; de enige magisch-realist is Márquez, die een sleep van mindere goden achter zich aan kreeg, voorop Isabel Allende.
Ooit haalde ik samen met zijn Nederlandse uitgever Vargas Llosa van Schiphol; hij zou voor de stichting CPNB spreken over de stand van het boek. Niemand luisterde; de aanwezigen wilden boekenbal, geen lezingen. Een andere spreker, Koos Verhoeff, sprak voorspellende woorden over de bevraagde toekomst. Vargas Llosa benadrukte de blijvende mogelijkheden van literatuur, namelijk om de condition humaine uit te diepen, zoals die in de wetenschap of feitenanalyse ontbreken. Hij heeft er nog veel over geschreven, onder meer in Aan een jonge romanschrijver (1997). Natuurlijk zagen we hem opdraven in zo'n over-ernstig programma van Wim Kayzer, en hij blijft terugkomen. Hij is de beoogde erespreker op het volgende Nexus-symposium, in Tilburg.
Het is duidelijk: Vargas Llosa is geliefd; hij bezit naar het schijnt 43 eredoctoraten, als het er niet al meer zijn. Met zijn betrokken, erudiete opinies en essays is hij welkom in alle bladen en programma’s die ertoe doen. Hij gold al lang als kandidaat voor de Nobelprijs, maar zijn scepsis leek iets te groot voor het Nobel-comité, dat er een sport van maakt politieke statements af te geven. Als debater op het podium van de wereld geeft hij steeds weer blijk van de argeloze ernst (denk ook aan Claudio Magris), die je wel voor hem moet innemen. Iedereen in de intellectuele wereld houdt van Vargas Llosa.
O ja? Dat zou hem ongevaarlijk maken. Het is ook niet zo. Het wás in elk geval niet zo.
We gaan naar de begintijd van de boom, de jaren zeventig, toen er tussen de boom-schrijvers zelf grote verdeeldheid bestond over de rol die je als schrijver moet spelen. Dat ze hun intuïtie en hun literaire geweten zo veel mogelijk moesten volgen, vonden ze uiteindelijk allemaal - tot verdriet van de West-Europese, ook Nederlandse neocommunisten, die partijpolitieke kleur verlangden. Twijfelen was verboden. Je moest kiezen, tot er een eenduidig engagement was verwoord! Dat deed dus niemand, maar bijvoorbeeld Márquez en Cortázar namen in het openbaar een pan-Amerikaans, links standpunt in en omarmden het nieuwe revolutionaire elan (Castro), terwijl Vargas Llosa zich dissident opstelde.
Voor de linkse blindgangers was je (dit ter verheldering) rechts of op z'n best verdoold als je Borges vertaalde, want die deugde niet, of voor NRC of De Groene schreef. Iedere zweem liberalisme werd als lafheid of verraad bestempeld. Vargas Llosa was fout omdat hij, als enige binnen de links angehauchte Latijns-Amerikaanse intelligentsia, liberalisme voorstond. Hij waarschuwde tegen radicalisme en elke vorm van ideologie en bepleitte als een echte erasmiaan wat ik de trage strijd noem. Hij was gelieerd aan de APRA, een partij links van het midden, maar niet communistisch, dus dat mocht niet. De betweters spraken er schande van.
De boomers krakeelden onderling ook maar achteraf hoorde je dat de problemen meestal persoonlijk waren. Márquez en Vargas Llosa raakten gebrouilleerd om een vrouw en niets anders. Wel werd Vargas Llosa ook door collega’s voorgehouden dat Latijns-Amerika niet toe was aan liberalisme, wat hij een belediging voor Latijns-Amerika vond. Voor hem is sociaal-democratisch getint liberalisme maatschappelijk het hoogst haalbare; het leek hem de poging waard. Hij waarschuwde hardnekkig tegen te veel politieke macht. Macht corrumpeert; het belang van vrijheid merk je pas als er geen sprake meer van is.
Vargas Llosa is de vierde Nobelprijswinnaar uit die schrijversgeneratie, als ik Neruda en Octavio Paz, eigenlijk iets ouder, meereken. In 1995 won hij al de Premio Cervantes, de belangrijkste literaire onderscheiding binnen het Spaanse taalgebied.
Een curieuze beslissing in zijn leven was zijn kandidaatstelling voor het presidentschap van Peru, in 1990. Al was het ook weer niet zo heel vreemd, omdat in dat continent met z'n instabiele regeringen vaker schrijvers als spreekbuis of volksvertegenwoordiger hebben gefungeerd, meestal in diplomatieke dienst (Neruda, Paz), maar ook wel als president. Vargas Llosa verloor van Fujimoro, die een bewind van corruptie en willekeur instelde. Je weet niet of en hoe Vargas Llosa zijn integriteit had behouden, maar goed, hij bleef bewaard voor het schrijverschap en deed om te beginnen amusant verslag in Een vis in het water. Persoonlijk houd ik erg van de Vargas Llosa die durft te dollen, zoals ook in Pantaleón en het zeer autobiografische Tante Julia en meneer de schrijver, allebei beginboeken.
Vrienden van me kwamen hem onlangs tegen in een hotel op Mallorca. 'Aardige man!’
Precies. En boeiend. Er is alle reden om uit te kijken naar zijn ongetwijfeld serieuze, liberale, bewogen dankwoord in december.

Beeld: Patrick Sorquist / SVD / ANP