Spring maar

De eerste keer gebeurt het hem in het reuzenrad: hij stapt beneden in, met zijn goede vriend Robert, en het bakje gaat met schokjes steeds verder omhoog. Net zo lang tot ze vijfenveertig meter boven de grond hangen. En dan is hij stom: ‘Toen maakte ik een enorme fout: ik keek naar beneden. Vijfenveertig meter was het en op dat moment werden meters omgezet in seconden. Zes zouden het er zijn. Zes trage seconden. Een, twee, drie, vier, vijf, plof. Ik hoorde een stem in mijn hoofd. “Toe maar, spring maar.” Het was een aardige stem, een stem die ik leek te kunnen vertrouwen. Er zou me niets overkomen. De diepte zoog, de grond riep. Ik klemde mijn handen om de rand van het bakje en sloot mijn ogen. Het leek uren te duren. Mijn mond was droog. Ik hoorde “oh” en “ah” en “moet je kijken”. Ik hield mijn ogen stijf gesloten. Ik zweette en zag mezelf opstaan, over de rand stappen, door de lucht zweven en met mijn hoofd op de stenen klappen. Bloed. Gegil. Het was een eindeloze herhaling van steeds dezelfde beelden. En die stem, steeds weer die stem: “Toe maar, spring maar.”’

(Ze zeggen dat veel mensen dat hebben. Dat maakt het niet minder erg als het je overkomt.) Sinds die dag heeft Tom Lemming het niet zo op hoogten. Ze doen hem beseffen dat de dood altijd nabij is. Of dat nu de reden is of iets anders, Tom is een jongen die geen gekke dingen doet. In tegenstelling tot zijn boezemvriend Robert, naast wie hij in alle klassen van de middelbare school zat. Typisch Robert, om op een dag spoorloos te verdwijnen. Typisch Robert, ook, om tien jaar later plotseling weer op te duiken. Typisch Robert om dan meteen maar Toms zus Petra aan de haak te slaan. En dan is het ook typisch Robert om op een dag in het bad te gaan zitten en met een stanleymes zijn polsen open te snijden. Een zelfdoding die hij op de middelbare school al had aangekondigd, herinnert Tom zich. Want na de dood van zijn gewezen boezemvriend gaat Tom hun gezamenlijke leven reconstrueren. Die reconstructie vormt de inhoud van het debuut van an Roelof van der Spoel (1966), Lemmingjaren. Een echt debuut, waarin de schrijver nog niet durft te schrijven, en netjes binnen de lijntjes blijft om geen fouten te maken. Beetje type Tom Lemming. (Overigens nog nooit een schrijver zo ingewikkeld moeilijk zien kijken op een achterplat. Check maar in de winkel.)