Opgroeien in de castingmaatschappij

Spring maar door het hoepeltje

Jongeren leven in een castingmaatschappij. Daarin draait alles om ‘ratings’ en pitches, om casten en gecast worden. Hyperdemocratisch? Of laten we ons dresseren?

Medium hh 45683434

‘Lieverd, het is alsof je door een snorkel zingt.’ Betty – jong, bleek, capuchontrui waar een gezin in kan kamperen – hoort het aan en weet wat er gaat komen: het Grote Afzeiken. Het lachen begon al zodra ze de eerste zin uit Ik hou van jou had gezongen. Jurylid Martijn Krabbé slaat de handen over zijn gezicht, begint te hikken, om vervolgens theatraal onder de tafel te duiken, samen met zijn slappe lach.

Betty: ‘Moet ik nog doorgaan?’

Jury: ‘Ja, graag!’

Idols, ‘de talentenjacht aller talentenjachten’, is terug op televisie. Dertien jaar geleden startte het eerste seizoen. Uit de meer dan zevenduizend jongeren die auditie deden, kwam na een afvalrace de toen zestienjarige Jamai Loman als winnaar uit de bus. Maar behalve om zijn succes ging het de miljoenen kijkers ook om iets anders: het leedvermaak om de kneuzen die het níet haalden. Op snoeiharde wijze serveerde de jury de ene wannabe-popster na de andere af.

Het bleek het startschot voor een heel nieuw televisiegenre: de castingshow. Inmiddels zijn er 48 talentenjachten uitgezonden op televisie, rekende de Volkskrant onlangs uit, verdeeld over achttien programma’s. Maar het format leent zich voor veel meer dan alleen zangcompetities. Koks, modeontwerpers, potentiële miljonairsvrouwen – je kunt het zo gek niet verzinnen of het blijkt geschikt voor een afvalrace.

Ik schreef er in 2011 een artikel over, vanuit het idee dat dit voor een bredere ontwikkeling stond. Een die ook buiten de televisiestudio’s voelbaar werd. Of het nou op school is, op Facebook, zoekend naar een studie of op de werkvloer: worden we niet overal gecast? Moeten jongeren niet veel vaker dan vroeger, in een castingachtige setting, bewijzen wat ze in hun mars hebben? En wat zijn de gevolgen daarvan?

Een Duitse mediawetenschapper wees me op de camera in onze mobiele telefoon, die we altijd en overal met ons meedragen. ‘Bijna alles wat we doen, vindt mogelijk voor een ons onbekend publiek plaats. En precies dat inzicht verandert onze manier van denken, onze waarneming, onze zelfpresentatie.’ Het gevolg? ‘Zelfenscenering’, meende hij. ‘Mensen spelen voortdurend een rol. Imago en ik versmelten.’ Een jonge Duitse journaliste, Lara Fritzsche, sprak zelfs van een ‘castinggeneratie’. Voor tieners en twintigers is het hele leven een castingshow, legde ze me uit. Met de wereld als jury.

Welkom in de castingmaatschappij.

Dat verschijnsel blijkt alleen maar verder te zijn opgerukt. Wie jong is en een beetje ambitie heeft, kan er zeker van zijn van de wieg tot het graf gecast te worden.

Dat kun je vrij letterlijk nemen. Het beoordelen begint immers sinds jaar en dag met de apgarscore, direct na de geboorte. Daarna komen de periodieke controles bij het consultatiebureau. Er wordt gewogen, gemeten en getest. Is er niets afwijkends? Heeft de baby de voor deze leeftijd gewenste motoriek? Zit het mooi op het middelste lijntje van alle normaalverdelingen? (Wat een in wetenschappelijk opzicht belachelijk streven is, maar probeer dat maar eens uit te leggen aan de dienstdoende verpleegkundige.)

Vanaf dan gaat het al snel om het omgekeerde: een kind moet vooral níet doorsnee zijn. Er wordt veel geklaagd over een ‘doorgeslagen toetscultuur’. Dat de Cito-toets in groep 8 niet langer bepalend is voor het schooladvies doet daar weinig aan af. Vanaf de kleuterschool krijgen kinderen Cito-testen voorgeschoteld. Op de drempel naar het voortgezet onderwijs hebben zij er ruim zeventig afgelegd.

Natuurlijk draait onderwijs altijd om cijfers, om proefwerken en examens. Maar zowel de hoeveelheid hoepels waar jongeren doorheen moeten springen als het belang daarvan is enorm toegenomen. En het belangrijkste verschil: het is nooit ‘af’. Heb je mooie cijfers voor je eindexamen, dan volgen nieuwe selectieprocedures. Meer dan de helft van de masterstudies kent inmiddels een speciale selectieprocedure, óók voor de eigen bachelorstudenten. Na het afstuderen volgen stages en tijdelijke contracten, en zelfs daarna geldt nog: bewijs maar dat jij deze baan waard bent. Elke dag opnieuw.

‘Het uitgangspunt is dat jij, met jouw unieke talenten, jezelf als merk ziet en als dusdanig in de markt zet’

Het leven als één grote elevator pitch – de populaire methode waarbij mensen zich in een seconde of dertig moeten zien te presenteren aan een hoger geplaatste. Die tendens is het duidelijkst zichtbaar bij de bijna één miljoen zzp’ers die Nederland inmiddels telt. Geldt voor hen niet dat zij zich voor elke opdracht opnieuw moeten laten casten? Om in zo’n competitieve wereld succesvol te zijn, wordt mensen geadviseerd zichzelf te branden. Dat vergt voortdurende alertheid. ‘Als je geen duidelijke toegevoegde waarde hebt, loop je het gevaar je baan te verliezen bij een reorganisatie, ontslagronde of inkrimping. Het credo van nu is: differentiate or die’, schrijft het populaire handboek Het merk IK. De oplossing: ‘Het uitgangspunt is dat jij, met jouw unieke talenten, jezelf als merk ziet en als dusdanig in de markt zet.’

Iets soortgelijks is zichtbaar onder academici. Hun carrière is verworden tot een aaneenschakeling van onderzoeksvoorstellen en tijdelijke beurzen. Succes is haalbaar, maar altijd voorwaardelijk. Dat is een groot verschil met, zeg, dertig jaar geleden. Slechts weinigen zullen ooit nog genoegzaam kunnen constateren – glas whisky in de ene, sigaar in de andere hand – dat zij ‘gearriveerd’ zijn. We blijven een leven lang onderweg.

De castingmaatschappij heeft een enorme vlucht genomen. Toch is er de voorbije jaren iets veranderd. Natuurlijk: de veelbesproken afzeikcultuur heeft niet standgehouden. Anders dan bij Idols draaien de meeste castingshows al lang niet meer om het afkraken van kandidaten. Integendeel. De sneer heeft plaatsgemaakt voor tomeloze bewondering. De met afstand best bekeken castingshow is The Voice of Holland, met over zes seizoenen gemiddeld 2,6 miljoen kijkers. Daar draait alles om mensen met écht talent. Filmpjes van onvermoede kandidaten die de sterren van de hemel blijken te zingen, gaan viral. De jury beperkt zich tot uitroepen van verbazing en enthousiasme: wie had dát gedacht?!

Maar er is ook een veel ingrijpender ontwikkeling gaande. Wie meent dat het een kleine elite is die cast, pitchdagen organiseert en anderszins beoordeelt, terwijl het gewone volk dit alles lijdzaam ondergaat, heeft het mis. De castingmaatschappij is nog veel minder dan voorheen eenrichtingsverkeer. We casten en worden gecast.

De twee factoren die daar sterk aan hebben bijgedragen, zijn sociale media en de deeleconomie. Wat die eerste betreft: via YouTube kan iedereen, heel democratisch, zijn eigen televisiekanaal beginnen. Wie droomt er niet van een succesvol vlogger te worden? Geen John de Mol die daar nog zijn toestemming voor moet verlenen.

Op iets subtielere wijze lijken ook Facebook en Twitter soms wel één grote poging om de buitenwereld te laten zien hoe leuk, grappig en interessant we zijn. Daarbij heeft Facebook haar jureringsmethode begin dit jaar verfijnd. De keuze gaat niet langer tussen ‘vind ik leuk’ of niet. Gebruikers kunnen in reactie op een bijdrage ook woede uitdrukken, ongeloof, verdriet; ze kunnen iets grappig vinden of een hartje aanklikken.

Van recenter datum, en dat vormt de tweede factor, is een verschijnsel waarover vooral Amerikaanse media de afgelopen tijd hebben geschreven: de rating economy. Schrijvers en filmmakers waren het al gewend om hun werk aan de hand van één tot vijf sterren beoordeeld te zien worden. Nu volgen taxichauffeurs, restaurant- en hoteleigenaren, klussers – zo’n beetje alles en iedereen die via internet zijn diensten aanbiedt.

Deelsites als Uber en Airbnb lopen voorop in deze ontwikkeling. Zij gebruiken zulke scores als middel om vertrouwen te kweken tussen onbekenden. Waarom boden mensen tot voor kort hun huis of auto slechts aan vrienden aan? Omdat ze alleen dan wisten of deze persoon te vertrouwen was. Dat informatietekort lijkt opgelost in de deeleconomie. De gedroomde, vrije marktplaats komt een stapje dichterbij. Met dank aan de ratings.

Ook hier komt het van twee kanten. Bedrijven als Uber en Airbnb laten niet alleen de taxichauffeur of verhuurder beoordelen door hun klanten. Het omgekeerde is net zo goed mogelijk: de consument krijgt een score. De Uber-chauffeur die zijn passagier niet via de snelste route op diens bestemming aflevert, kan dus een slechte beoordeling krijgen. Maar wie in een dronken bui zijn maaginhoud leegt op de achterbank loopt net zo goed het gevaar slechts één ster te krijgen. Met als mogelijk gevolg dat niemand hem nog een rit wil aanbieden. Want één ster zijn, dat is niet genoeg in de rating-economie.

Die wederkerigheid lijkt een effectief middel tegen de al genoemde afzeikcultuur. De wetenschap dat niet alleen wij casten, maar ook worden gecast, zou ons wel eens allemaal tot positivo’s kunnen maken. Zo werd een budgethotel in San Francisco, op een site waar alleen consumenten een rating mogen geven, tot op het bot afgekraakt. ‘Verschrikkelijk’, oordeelden klanten. En: ‘Bug bites!’ Maar op Airbnb, waar ook de gebruiker een score krijgt, was de toon heel wat milder: ‘Kamers zijn zeer, zeer rumoerig, maar comfortabel.’ Een ander vond het, hoe subtiel, ‘relatief schoon (wat haren op de kussens etc.)’.

Erg oprecht klinkt dat niet. Het is het resultaat van een reputatie-economie, waarin alle deelnemers weten dat hun gedrag én beoordelingen nog jarenlang voor de hele wereld zichtbaar zullen zijn. Natuurlijk waren er altijd al zwarte lijsten van kwakzalvers. Ondernemers die twijfels hebben over een klant kunnen hun licht opsteken bij het Bureau Kredietregistratie (bkr). Maar die informatie is nooit voor iedereen zonder moeite toegankelijk geweest. Dat is nu wel het geval. Bovendien zijn het niet langer alleen de wanpresteerders die in de gaten worden gehouden. Iedereen, goed of slecht, wordt beoordeeld. Met als gevolg dat we erop gaan anticiperen. Volgens techniekfilosoof en criticus Evgeny Morozov verandert dat ons zelfs in ‘altijd parate eenmansbedrijfjes die moeten denken als een merk’.

Het voorlopige dieptepunt van de trend om altijd en overal een stel sterren op te plakken, had de site Peeple moeten zijn. Die kondigde vorig jaar aan dat ze mensen elkaar wilde laten raten – op professioneel, maar ook op romantisch en vriendschappelijk gebied. Zodat je als je iemand voor het eerst ontmoet, weet wat voor vlees je in de kuip hebt. Motto: ‘character is destiny’. Na hevige kritiek werd de opzet alsnog gewijzigd. Sterren uitdelen is vooralsnog niet mogelijk en positieve kritiek heeft de voorkeur. Het moet tenslotte wel leuk blijven.

We worden gedwongen ons te gedragen en te presenteren op een manier die anderen verzonnen hebben

De castingmaatschappij functioneert als één groot panopticum, waarin niemand aan het zicht van de massa kan ontsnappen. Wat doet dat met ons? Het – kritische – antwoord ligt voor de hand. De Duits-Koreaanse filosoof Byung-Chul Han spreekt van een ‘etalagesamenleving’. Daarin ‘is elk subject zijn eigen reclameobject’, schrijft hij in zijn boek De transparante samenleving (2012). ‘De tentoonstellingsdwang leidt tot de ontvreemding van het lichaam zelf. Het lichaam wordt tot een ding, een expositie-item dat optimaal benut moet worden. In zo’n lichaam kun je niet wonen. Het moet worden uitgestald en uitgebuit.’

Zelf doen wij, uitgestalde individuen, daar op onze beurt ook aan mee. Han heeft het over onze ‘scannende waarneming’. Die is vluchtig, zonder werkelijk stil te staan bij iets of iemand. In zo’n wereld, waarin we onszelf voortdurend uitleveren aan het oordeel van een toekijkende menigte, wint de schijn het al snel van het zijn. Verlegenheid is not done. Je móet extravert zijn, positief, en vooral niet te moeilijk. Het resultaat is oppervlakkigheid.

Dat doet denken aan de voorspelling van Alexis de Tocqueville, in het verslag van de reis die hij in de jaren dertig van de negentiende eeuw maakte door de Nieuwe Wereld. ‘In Amerika trekt de meerderheid een geweldige cirkel om het denken heen’, schreef de Franse politiek denker over de kuddegeest die hij aantrof. ‘Wee hem die de grens waagt te overschrijden. Niet dat hij voor de brandstapel moet vrezen, maar hij is wel het mikpunt van allerhande uitingen van afkeer en van dagelijkse vervolgingen.’ Het gevolg: ‘Ik ken geen land waar in het algemeen minder geestelijke onafhankelijkheid en minder werkelijk vrije discussie bestaat dan in Amerika.’

Vervang ‘Amerika’ door ‘de castingmaatschappij’ en je hebt een aardige samenvatting van de vrees die bij sommigen leeft. Een samenleving waarin iedereen zich voortdurend bloot moet geven en laten beoordelen door het grote publiek valt ten prooi aan de tirannie van de meerderheid. Die dicteert oppervlakkigheid en conformisme. Een onschuldige uiting daarvan zijn de websites waarop vakantiebestemmingen worden beoordeeld, zoals Zoover. Handig: niemand hoeft meer bang te zijn dat die leuke Kroatische camping aan zee, ter plaatse aangekomen, een stinkend schijtkot te midden van uitgedroogde weilanden blijkt te zijn. Maar het echte avontuur is op die manier ook verleden tijd. Door af te gaan op ratings vaar je op de smaak van de meerderheid. Dat betekent: geen verrassingen. Niet in negatieve, maar ook niet in positieve zin. Lang leve het anwb-gevoel.

Je zou dit de romantische kritiek op de castingmaatschappij kunnen noemen. Er zit zonder twijfel wat in. Maar het is ook het soort cultuurpessimisme dat altijd klinkt, van de komst van de stoomtrein tot internet. Achteraf blijkt het zelden zo dramatisch. Mensen zijn weerbarstige wezens. Hebben zij niet altijd al met rollen gespeeld? En kent niet elke maatschappij bepaalde selectiemechanismen?

Casten, raten en pitchen hoeven zo bezien niet slecht te zijn. Het alternatief is immers een elkaar als vanouds de baantjes toeschuivende elite. De castingmaatschappij als het nieuwe gezicht van de meritocratie. Om daarin boven te komen drijven, heb je op het eerste gezicht geen bijzonder netwerk of specifieke afkomst meer nodig. Iedereen krijgt een kans om te laten zien wat hij of zij waard is. De vader van winnaar Jamai was conciërge, zijn moeder huisvrouw. Dankzij Idols kwam zijn talent bovendrijven. En bewijst juist de ontwikkeling die de castingshows sindsdien hebben gemaakt niet dat het daarom gaat: een oprechte herwaardering voor mensen die iets bijzonders kunnen?

Tel daarbij op dat tegenwoordig iedereen elkaar beoordeelt. De vakjury’s waarvan niemand ooit snapt hoe en waarom de leden precies aangesteld worden, zijn op hun retour. Dit is een sollicitatiecommissie waarin iedereen kan participeren. In de ratingeconomie is het simpelweg de meerderheid die beslist. Meritocratie plus democratie. Wie kan daar tegen zijn?

Toch wringt er iets. Zo ontdekten onderzoekers van Harvard Business School in 2014 dat witte huiseigenaren in New York twaalf procent hogere prijzen kunnen rekenen dan zwarte verhuurders, voor vergelijkbare accommodaties. Misschien nog wel een groter probleem is dat wit en zwart, rijk en arm zelden vergelijkbare woningen kunnen huren en verhuren. Om goede beoordelingen te krijgen op Airbnb heb je een mooi appartement nodig in de binnenstad van een dure metropool. En om daarover te beschikken, heeft iemand een goede baan of ten minste rijke familie nodig.

Met die meritocratie valt het dus ook in de ratingeconomie wel mee. Het onderwijs is een ander voorbeeld. De selectieprocedures voor fraaie masterstudies ogen eerlijk: talent wordt beloond. Maar de kansen om überhaupt op dat punt in een onderwijscarrière aan te belanden, om die talenten te verwerven, zijn nog altijd zeer ongelijk verspreid.

Zo gaan achter het oppervlak van de castingmaatschappij oude machtsverschillen schuil. Een goede komaf en de juiste contacten blijven de kortste weg naar succes, in een selectieprocedure die slechts op het eerste gezicht democratischer en meritocratischer is. Maar als het niet gaat om een revolutionair nieuwe methode om het kaf van het koren te scheiden – wat is dan het doel van de castingmaatschappij?

‘Misschien wel het aantrekkelijkste element van dit systeem’, schreef hoogleraar bedrijfspsychologie Tomas Chamorro-Premuzic in The Guardian, ‘is dat het druk zet op mensen om een goede reputatie te krijgen en behouden, iets waartoe zij zich anders misschien niet verplicht hadden gevoeld.’ Wat deze hoogleraar beschrijft, is een uitgekiend systeem van zelfcontrole. Foucault had het niet beter kunnen bedenken.

Een eerste vermoeden dat dit is waar het om gaat, krijg je door alle evaluaties die dagelijks op ons af worden gestuurd. Het lijkt bijna een wetmatigheid: hoe korter en onbetekenender het contact met een organisatie, hoe uitvoeriger de enquête die je direct daarna wordt voorgelegd, per e-mail of telefoon. ‘Blijft u na dit gesprek nog even aan de lijn, we willen graag meer weten over uw gebruikservaring.’ Je vraagt je af hoe al die informatie verwerkt moet worden. Het voedt het wantrouwen dat het daar stiekem ook niet om gaat. Het werkelijke doel van deze beoordelingsbureaucratie ligt elders. Degene die jou zojuist te woord heeft gestaan, wéét dat hij geëvalueerd wordt. En zal zijn gedrag daarop afstemmen.

Zo is de castingmaatschappij boven alles een vorm van disciplinering. We worden gedwongen ons te gedragen en te presenteren op een manier die anderen verzonnen hebben. Niet éénmaal, maar telkens weer. Het is nooit goed genoeg. Dat zet sommige personen aan tot grootse prestaties. Een enkeling drijft het tot zelfmoord. Maar op de meesten heeft het een ander effect. Door alles voorwaardelijk te maken, worden we onzeker. En wie onzeker is, is kneedbaar. De castingmaatschappij, dat is mensen hun hele leven lang door de ene na de andere hoepel laten springen.

In het circus hebben ze daar een woord voor: dressuur.


Beeld: 11 april 2015. Lucas van Roekel uit Veenendaal wint de nale van The Voice Kids (Goos van der Veen / HH)