Economie

Springlevend

‘Ondanks de vele verwijten die de economische wetenschap door de kredietcrisis te verstouwen krijgt, noemt hij haar nog springlevend, wat sommigen ook beweren.’ Dat staat te lezen in het verslag dat De Nederlandsche Bank maakte van de uitreiking van de Pierson Penning, afgelopen vrijdag. De Pierson Penning is een prestigieuze prijs die eens in de drie jaar wordt uitgereikt aan een Nederlandse econoom. En ‘hij’ in het citaat is Arnold Heertje, de prijswinnaar.
We hebben de Amsterdamse econoom wel eens kritischer gehoord over de economische wetenschap. Vooral de kokervisie van veel economen, die groei van de productie volgens Heertje verwarren met toename van de welvaart, kon op zijn toorn rekenen. Er is een veel breder welvaartsbegrip nodig, vindt Heertje, dat rekening houdt met de bijdrage van zaken als natuur, milieu en ruimtelijke ordening aan het welbevinden van de mens. Maar een prijsuitreiking maakt mild. De economische wetenschap is springlevend, ondanks de kredietcrisis.
Andere economen waren het afgelopen jaar minder genadig. De Amerikaan Paul Krugman, winnaar van de Nobelprijs voor de economie in 2008, noemde het grootste deel van macro-economische wetenschap van de afgelopen dertig jaar ‘op z’n best spectaculair nutteloos, en op z’n slechts duidelijk schadelijk’. De Brits-Nederlandse econoom Willem Buiter stelde dat ‘de meeste van de theoretische macro-economische innovaties sinds de jaren zeventig op z’n best naar zichzelf verwijzende, naar binnen kijkende afleidingen zijn gebleken’. Volgens Buiter – vanaf 2010 de nieuwe hoofdeconoom van Citybank – werd het meeste economische onderzoek gedreven door ‘de interne logica, het verzonken intellectueel kapitaal en de esthetische puzzels van aanvaarde onderzoeksprogramma’s’, en niet door ‘een krachtige wens om te begrijpen hoe de economie werkt’.
Dat klinkt allesbehalve springlevend. Is de crisis in de economische wetenschap net zo groot als die in de financiële sector? Misschien wel. Ik denk dat iedere student die de afgelopen kwart eeuw zijn economieboek opensloeg gedacht heeft: hier is iets helemaal misgegaan. In dat boek staan wiskundige modellen, waarin uitzonderlijke rekenwonders figureren, die in staat zijn iedere denkbare en ondenkbare toekomst te calculeren. Ze kennen hun eigen behoeften tot in alle details en zijn er zeker van zijn dat die behoeften onveranderlijk zijn. De modellen beschrijven een foutloze wereld waarin voor ieder product of dienst een goed werkende markt is, waar informatie kosteloos is en alle prijzen de schaarsteverhoudingen perfect weergeven. De rationele homo economicus, wandelend in het economisch paradijs en mijmerend over utopische marktwerking – het kost een beetje universitair docent al gauw een college of vijf om dit beeld aan de sceptische eerstejaars te slijten. Economen zitten met hun hoofd in een door henzelf uitgeblazen roze wolk van economische idylle. Geen wonder dat ze van de harde realiteit van de kredietcrisis niets begrijpen. En logisch dat ze de ellende niet zagen aankomen.
Hoe kan zo’n tak van wetenschap ‘springlevend’ zijn? In een artikel op de economenwebsite Me Judice gaat de VU-hoogleraar Pieter Gautier in de tegenaanval. De zelfkritiek van Krugman en Buiter schiet door, vindt Gautier. Hij schrijft: ‘De crisis zal zeker invloed hebben op de professie en op de toekomstige modellen maar de crisis is in elk geval niet veroorzaakt doordat economen de voorkeur geven aan wiskunde omdat het nu eenmaal een precieze taal is.’
De meeste wetenschappelijke economen leven al lang niet meer in de sprookjeswereld van het studieboek. Al voor de kredietcrisis uitbrak publiceerden economen (ook Nederlandse) theorieën over banken in liquiditeitsproblemen en de financiële crisis die daaruit zou ontstaan. Economen kenden de gevaren van overmoedige bankiers, die weten dat de overheid hen uiteindelijk wel zal redden. Ze voorspelden dat banken onder bepaalde omstandigheden opeens kunnen besluiten niet meer aan elkaar te lenen. En ze erkenden de mogelijkheid dat alle spaarders op hetzelfde moment hun geld willen opnemen. ‘Wie de literatuur bestudeert ziet dat we veel hadden kunnen leren van de modellen van de zogenaamde leunstoeleconomen’, schrijft Gautier.
Ik denk dat hij gelijk heeft. Economen hebben wel degelijk oog gehad voor het falen van de markt. Zeker de helft van de Nobelprijzen van de 21ste eeuw gingen naar economen die marktfalen en informatieproblemen onderzochten. Hun boodschap is bij de beleidsmakers en toezichthouders misschien minder duidelijk overgekomen dan had gemoeten. De kredietcrisis is daarvan het treurige bewijs. Laat dat een les zijn voor alle springlevende economen.