TONEEL

Sproeiende confettikanonnen

Tartuffe

Molière’s Tartuffe is het toneelstuk dat tussen 1664 en 1670 is getroffen door een banvloek van christelijke fundamentalisten die waren verzameld in de Broederschap van het Heilig Sacrament, een coalitie van oude vijanden van de schrijver en de koningin-moeder. In het stuk wordt de grootburgerlijke familie van de vermogende Orgon gegijzeld door de religieuze fanaat Tartuffe, die Orgons vrouw Elmire verleidt, gedaan krijgt dat zijn zoon Damis wordt onterfd, zijn dochter Mariane wegkaapt en die de familie uiteindelijk maatschappelijk ruïneert. De zwartgekouste geestverwanten van de tartuffelende Parijse adel dwongen indertijd bij de koning een speelverbod voor het stuk af, dat pas werd opgeheven toen Molière een nieuw slot schreef, waarin de hoofdfiguur in de ondertitel bedrieger en huichelaar (‘imposteur’) wordt genoemd en in de slotscène op last van de monarch als zo­danig wordt ontmaskerd. Dat ‘happy end’ kun je negeren, zoals Dirk Tanghe deed in zijn geniale versie van Tartuffe bij De Paardenkathedraal (1998), je kunt het ook spelen met een sarcastische grijnslach, zoals gebeurde hij Het Nationale Toneel (2003) in de al even briljante regie van de Duitse toneelmaker Jürgen Gosch.

De Bulgaars-Duitse regisseur Dimiter Got­scheff (1943) voegt daar nu een interpretatie aan toe: Tartuffe maakt het karwei van de Untergang des Abendlandes slechts áf, de familie van Orgon verkeerde vóór de komst van de fanaticus reeds in verregaande staat van ontbinding. Die verrotting is mede het gevolg van een in het Grote Niets zwelgende partycultuur met venijnig racistische trekjes. Deze versie van Tartuffe maakte Gotscheff al in 2006, de bejubelde voorstelling werd naar het Berlijnse Theatertreffen (2007) uitgenodigd, maar ging de regisseur naar eigen zeggen niet diep genoeg. Dus greep hij onlangs de kans om die verdieping te bereiken met Vlaamse toneelspelers van NTGent en een enkele van Toneelgroep Amsterdam. Hij handhaafde het openingsnummer van een Oost-Europese poetsvrouw die nog niet via het pvv-meldpunt is opgesloten (Frieda Pittoors). Ook Katrin Bracks spectaculaire versiering van de speelvloer middels een batterij confetti­kanonnen is gebleven, alsmede de toegevoegde teksten uit het werk van Heiner Müller, de canto’s van Ezra Pound en het bijbelboek Prediker.

De grimmigheid van het origineel (in het barokke geluidsdecor was indertijd bijvoorbeeld ook het Horst Wessel-lied Die Fahne hoch, die Reien fest geschlossen versneden) is in deze versie afgefakkeld tot wat een enkele collega voor ‘ongekende theatrale’ kwaliteit houdt, maar wat in de werkelijkheid van de voorstelling uitpakt als vrij boerse en ongerichte leut. Tartuffe als de Grote Wim Opbrouck Show, bijvoorbeeld. Deze bourgondische Vlaamse toneelspeler tuigt zijn Orgon op als een wandelende kerstboom met quasi-obscene, rabe­laiseaanse tuttifrutti die op den duur nogal vermoeiend werkt en waartegen de spitsvondig redenerende evenknie & tegenpool Tartuffe (Koen De Sutter) wat bleekjes afsteekt.

Er is sowieso iets raars aan de hand met deze voorstelling. De regisseur, die op zijn diverse thuisbases (Berlijn, Hamburg, Frankfurt) gedisciplineerd voortdenderende tekstmachines gewend is, hoopte hier de frivole commedia-improvisators te vinden die zijn Molière diepgang moesten geven, maar hij laat hen zo hard en ongericht schreeuwen en de teugels dusdanig vieren dat het geheel op z’n best oogt als een maffe en uit de hand lopende stapel misverstanden, waarin de Vlamingen veel loeien, de confetti­kanonnen rijkelijk sproeien en de dramaturgen van de weeromstuit vergaten in de sinterklaasrijmen ordentelijk te snoeien.

U leest het, uw verslaggever is er lichtelijk melig uitgekomen.


Tartuffe is tot begin juni in heel Nederland en Vlaanderen te zien. www.ntgent.be en www.toneelgroepamsterdam.nl