Sprookjes

Ik stond met mijn fiets voor het stoplicht te wachten bij de Munt. Er stopte een brommertje naast me, met daarop twee Marokkaanse jongens. Dat Marokkaanse wordt straks nog functioneel. Ik zat met Maria Goos in mijn hoofd, en Peter Blok.

Een film van Woody Allen – was het Husbands and Wives? – begint met een vriendenavondje. Het ene stel kondigt aan te gaan scheiden, en het andere stel – vooral de vrouw – is volkomen ontredderd door dat nieuws. Alsof haar eigen huwelijk hiermee ook op de tocht komt te staan. Nu kén ik Maria Goos en Peter Blok niet eens persoonlijk, dus klinkt het bijna obsceen dat ik oprecht ontzet was toen ik hoorde dat ze gingen scheiden.

Toevallig had ik net de week ervoor de dvd-box gekocht van Volgens Robert, de meest recente tv-serie van Goos, die ze samen met Blok had geschreven. En had al kijkende bedacht hoe geruststellend het is dat mensen kunst kunnen maken van hun ergste nachtmerries. Alsof ze aan duiveluitdrijving doen.

Volgens Robert is een huwelijksdrama verpakt als een comedy. Robert (Peter Blok) en Jacqueline (de fantastische Jacqueline Blom) zijn zo’n 25 jaar samen, als op een dag de rek eruit lijkt. De strijkplank gaat in tweeën, Jacqueline wordt in het gezicht geslagen. In zijn tijdelijke onderkomen raakt Robert reddeloos verliefd op zijn overbuurmeisje.

Zijn shrink: ‘Je verzet je in blinde paniek tegen het feit dat je maar één leven hebt.’

‘Áls je me dan verlaat, verlaat me dan voor een leuke vrouw’, zegt zij.

En als hij op zijn schreden terug lijkt te willen keren: ‘Ik weet niet of ik wel oud met je wil worden.’

Ik stelde me Maria Goos en Peter Blok voor samen aan de keukentafel, lachend en begeesterd werkend aan het script. De linzensoep op het vuur, de chocoladetaart in de oven, want ’s avonds zou tutti weer aanschuiven – de kinderen, en Carice van Houten als verloren schaap, Marcel Mutsers als huisvriend – om tot diep in de nacht te eten en te drinken. Was het niet in een oergezellig huis in Amsterdam-Oost, dan wel in een verwilderde tuin in Zuid-Frankrijk. De krekels tsjirpen, er worden mooie dingen bedacht en gemaakt, er wordt gelachen, liefde hangt te zegevieren in de lucht.

Het regent overigens scheidingen in mijn omgeving. Koppels die ik ken van jarenlang gehaal en gebreng, schoolpleinsores, slaapfeestjes, behoren voorgoed tot de voltooid verleden tijd. Gealarmeerd verkondigde mijn al lang uit huis wonende zoon ons, zijn ouders, een dergelijke stap nooit te zullen vergeven. Toen ik de impact van zijn uitspraak even op me in moest laten werken, zei hij ter relativering dat het hem nooit gelukt was zijn ouders als mensen te zien.

Het eindigt zo droevig, Volgens Robert. ‘Ik héb je niet meer’, zegt zij tegen hem.

Hier aanbeland in mijn gedachten bood ik daar voor dat stoplicht bij de Munt misschien een al te menselijke aanblik. In ieder geval hoorde ik opeens naast me: ‘Wat kijkt u boos.’ Een tamelijk simpele mededeling, maar ik had ’m al een tijdje niet gehoord. Zo’n drie decennia, vier keer daags, was het: ‘Wat kijk je boos.’ Meisjes horen huppelend door het leven te gaan, en lachend. Het is een rituele mededeling, net zoiets als ‘Alles goed schat?’, en ik heb nog nooit een goeie reactie kunnen bedenken. En nu dus dit: ‘Wat kijkt u boos.’

Dat ‘u’ maakte alles anders. Opeens was er iemand die mijn zielennood had opgemerkt, zomaar op een dinsdagmiddag, op een van de drukste punten van Amsterdam. Hij liet het er ook niet bij zitten toen ik stug voor me uit bleef kijken. ‘Bent u chagrijnig?’ Het begon een beetje te woelen in mijn hoofd. Ik wil eigenlijk nooit de lulligste zijn, een houding die me al vaker heeft opgebroken en in precaire situaties gebracht.

Sommige dingen veranderen nooit: als iemand mij iets wil verkopen voor een ‘special price’, dan denk ik dat die prijs ook écht speciaal voor mij is. Als iemand me zegt dat hij van me houdt, dan ben ik ervan overtuigd dat hij dat zijn leven lang zal blijven doen. Zo lang geleefd, en nog regeert diep daar binnen de blauwdruk van het sprookje. Dus ondanks mezelf – haat en schaamte streden om voorrang – merkte ik dat langzaam een glimlach zijn intrede deed daar voor dat stoplicht, en ik glimlachte nog steeds toen ik opzij keek. De jongen keek naar me op vanaf de bagagedrager van het brommertje, de ander hield het stoplicht in de gaten.

‘Heb je een zware dag gehad?’ vroeg hij.

Ik lachte inmiddels breeduit, net als hij. Zo snel kon het gaan.

‘Ja lekker gewerkt hoor.’

Het stoplicht sprong op groen, het brommertje trok op, ook ik zette me in beweging. De jongen keek om en wierp me nog één lange schalkse blik toe. Ik moest erom lachen, en lachte nog steeds toen ik keek naar mijn tas die uitnodigend open aan mijn stuur hing. En in één vernietigende klap daagde het me: ik ben natuurlijk gewoon beroofd.

Maar nee. Dat was niet het geval.