Annie Proulx

Sprookjes uit Wyoming

In Annie Proulx’ verhalenbundel ‘De gouverneurs van Wyoming’ weerspiegelt de onberedeneerbare levensloop van het landschap het duistere verlangen dat de personages drijft.

HET BEELD VAN Amerika als De Nieuwe Wereld — niet toevallig de titel van Frank McCourts tweede deel van zijn autobiografie als Ierse immigrant — wil maar niet wijken. De VS als een alternatieve Hof van Eden, als een Arcadia waar je ‘het kunt maken’ als je maar doorzet, leidt een hardnekkig bestaan. Die visie van gecultiveerde onschuld, die zoektocht naar ongereptheid, grenzeloosheid en vrijheid krijgt vorm en wordt kritisch becommentarieerd in uiteenlopende romans als An American Dream van Norman Mailer, Trout Fishing in America van Richard Brautigan, Moon Palace van Paul Auster en The Great Gatsby van F. Scott Fitzgerald. Tegen het einde van die laatste klassieke roman verzucht de verteller dat zijn verhaal, zich afspelend aan de stedelijke Oostkust, bezeten is van het landelijke Westen: ‘Misschien hadden we een paar gezamenlijke tekortkomingen waardoor we min of meer ongeschikt bleken voor het leven in het Oosten.’


Dat het paradijs uiteindelijk vlak bij de hel ligt, dat de slang kruipt waar hij wil en dat Adam in Amerika voor akelige verrassingen komt te staan en zijn idyllische illusies kwijtraakt, is te lezen in romans als Blue Pastoral van Gilbert Sorrentino en American Pastoral van Philip Roth. Vervuiling, misbruik en roofbouw hebben allang een einde gemaakt aan de onschuld. Het Amerikaanse literaire landschap zit vol valkuilen; toch zijn er altijd weer schrijvers die toegeven aan ‘de zucht naar het Westen’.



IN HAAR Van der Leeuw-lezing van 22 oktober 1999 brak Annie Proulx een lans voor het landschap als personage in de hedendaagse Amerikaanse literatuur: ‘Gevaarlijk terrein: het landschap in de Amerikaanse literatuur’. Net als Leslie Silko (door haar uit de tweede hand geciteerd) bekritiseert Proulx de woordenboekdefinitie van het begrip landschap: ‘landelijke omgeving voor zover men die met één blik overziet’. Beide schrijfsters zien het landschap veel geografischer. Een landschap is een streek die zich in grondstoffen, bewoning, begroeiing en het weer onderscheidt van aangrenzende gebieden. Proulx bewondert streekromanschrijvers als Faulkner en Flannery O’Connor omdat zij het landschap tot op grote hoogte en duistere diepte laten meeklinken. Landschap is ‘klimaat, zwarte eekhoorns en wilde haver, aardplooien, bulldozers, strepen van straalvliegtuigen en prikkeldraad, overheidsgrond, droge beekbeddingen, het is politiek, woestijn, weerlicht, uitgezette diersoorten, autowrakken, wegen, spooksteden, proefterrein, mijnafval, bruggen, dode honden’.


In haar lezing beweert Annie Proulx al te gemakkelijk dat het landschap wel als couleur locale mee mag doen in de Amerikaanse literatuur maar dat het als doorslaggevende gebeurtenis die het leven van een personage kan bepalen een schaars goed is. Waarmee ze schrijvers als Auster, Brautigan en DeLillo negeert en zichzelf meteen als streekromanschrijfster ten onrechte in een veel te exclusieve positie manoeuvreert. Maar het is waar, Proulx laat de lezer in haar werk alle hoeken van Amerika zien, streken die hun stempel drukken op het doen en laten van haar personages. In Ansichten is het een prentbriefkaart die de rode draad vormt van een gewelddadige vertelling vol deelverhalen die een caleidoscopisch beeld vormen van het naoorlogse Amerika. Het bindmiddel in Accordeonmisdaden is een groene accordeon, gebouwd door een Italiaanse immigrant die begin twintigste eeuw in New Orleans een nieuw bestaan wil opbouwen maar al snel de dood vindt. Die accordeon (een ‘dom’ muziekinstrument, zegt een lerares ergens in het boek) gaat van hand tot hand zodat de lezer een gevarieerd inzicht krijgt in het gevecht om lucht dat de Duitse, Franse, Poolse en Italiaanse immigranten moeten leveren om in Het Beloofde Land in leven te kunnen blijven. Er heerst een doem op de accordeon, misschien wel omdat er op een gegeven moment in het binnenste van dat ‘volkse’ muziekinstrument een stapel bankbiljetten van duizend dollar wordt verstopt, geld dat op de laatste bladzijde verwaait in de wind. Vergeefse moeite, keihard werken tegen een karig loon, tegenslag, rampspoed, vuile moedwil en hopeloos misverstand, ongebreideld seksueel verlangen — dat zijn de elementen waardoor Proulx’ verhaal vaart krijgt en de lezer soms in ademnood achterblijft. De muzikale hemel die de personages via het bespelen van de accordeon willen bereiken, verandert binnen de kortste keren in de hel, ‘een bloedheet variététheater (…) waar ongestemde instrumenten in duivelse kakofonie krasten en gilden, één en al chaos en herrie en verminkte demonen die schelmenstreken uithaalden…’.



IN HAAR MEEST recente verhalenbundel De gouverneurs van Wyoming is het narratieve houvast geen ansicht of accordeon maar Wyoming, een van de leegste staten van Amerika, gelegen in het noordwesten van de Rocky Mountains. Die staat is bijna negen keer zo groot als Nederland en telt nog geen half miljoen inwoners. Het lege landschap van Wyoming is ‘gevaarlijk en onverschillig terrein: bij deze onbeweeglijke massa stellen menselijke tragedies niets voor, al zijn de tekenen van tegenslag alom zichtbaar. Geen enkele slachtpartij of wreedheid uit het verleden (…) houdt de stroom ochtendlicht tegen.’


De elf verhalen die Proulx bijeenbrengt in deze bundel staan inderdaad bol van jaloezie, overspel, ongebreideld seksueel verlangen, wanhoopsdaden, moord en doodslag. Misschien zijn ze samen te vatten met het woord ‘bottenspel’, een term die een rodeocowboy in het verhaal ‘De modder onder je’ gebruikt voor de gevolgen van het berijden van stieren. Iedereen in De gouverneurs van Wyoming raakt vroeger of later innerlijk stuk.


Wie Proulx’ verhalen leest als realistische vertellingen over het ruwe landelijke leven in Amerika, moet even blijven stilstaan bij het motto dat de schrijfster uit de mond van een gepensioneerde boer uit Wyoming heeft opgetekend: ‘De werkelijkheid is hier nooit van veel nut geweest.’ Wellicht is het beter het boek te lezen als een verzameling sprookjes, waarin gras sissend spreekt en een groene tractor een geduchte gesprekspartner is. Sprookjes die in hun gruwelijkheid verwijzen naar een werkelijkheid die vage idyllische trekjes vertoont maar die vooral verloederd is door het moderne leven. In dat leven is het landschap ondergeschikt aan afvalproblemen, grootschalige landbouw, moderne infrastructuur en verstedelijking. Het plegen van roofbouw op het land is hetzelfde als roofbouw plegen op de personages, die Proulx met subtiel gevoel voor details en metaforen neerzet (‘de harde oude vrouw was als een touw dat zo strak stond dat er geen rek meer in zat’). De levensloop van het landschap weerspiegelt het slopende leven van haar cowboys, barmeisjes, ploeteraars, schaapherders, weglopers, boeren, prutsers, oplichters en oude mannen die terugkeren naar hun oude Wyoming maar daar de weg kwijtraken. Proulx’ creaties raken letterlijk of figuurlijk geamputeerd omdat het landschap onberedeneerbare dingen met hen voorheeft die haaks staan op het duistere verlangen dat hen drijft: ‘Hoe weet je wanneer het allemaal genoeg is geweest? Wat haalt de hendel over die het stopbord omhoog zet? Welke energiebronnen laten je hersens sissend en krakend het besluit nemen ergens weg te gaan?’


Proulx’ solitaire wrekers met een grenzeloos uithoudingsvermogen staan niet met beide benen in de grond van Wyoming maar worden gedreven door een verlangen dat niet eenvoudig is te benoemen. Als curieuze overlevingskunstenaars halen ze rare capriolen uit, en die ‘fratsen’ maken de charme uit van Proulx’ voortdenderende verhalen. Het meest geslaagd is ‘Twee cowboys’ omdat de ontroering in dat slotverhaal niet helemaal wordt weggedrukt door de aaneenschakeling van rampspoed, door Proulx’ soms wat al te samenvattende manier van vertellen. In ‘Twee cowboys’ groeien twee schaapherders uit tot minnaars van elkaar zonder dat ze die overdonderende sensatie volledig aan elkaar en aan de wereld willen toegeven. Tot de dood erop volgt.


‘Vriend, het is gemakkelijker dan je denkt om toe te geven aan de duistere impuls.’ Zo eindigt Proulx een van haar verhalen op enigszins laconieke en opgeruimde toon. Een ander verhaal sluit ze af met het schijnbaar onbezorgde: ‘Wie afgelegen woont, schept zijn eigen pleziertjes.’ Je kunt die slotzinnen lezen als relativering of uitleg van het gedrag van Proulx’ pestkoppen, pedofielen, patjepeeërs of politieke onbenullen. Maar omdat Proulx sprookjes schrijft mogen de lezers er ongetwijfeld een moraal in zien, een met een dubbele bodem natuurlijk, want het landschap van Wyoming blijft verraderlijk en schuldig, bijna net zo schuldig als de mens die maar doet en aanrotzooit in de verraden Hof van Eden.



Annie Proulx, De gouverneurs van Wyoming. Vertaling: Regina Willemse, uitg. De Geus, 318 blz., ƒ49,90