Spullen duurder, werk goedkoper

Dat het belastingstelsel niet meer beantwoordt aan de eisen des tijds, is iets waar iedereen het wel over eens is. Het stelsel legt zware lasten op arbeid, met als gevolg een groot verschil tussen bruto- en netto-inkomens, de roemruchte wig.

Dat maakt arbeid duur en investeren in machines aantrekkelijk. De werkloosheidsbestrijding zou dus gebaat zijn bij een forse vermindering van de lastendruk. Maar waar haalt de overheid dan haar centen vandaan? Belasting verschuiven naar spullen, vooral vervuilende spullen, zoals automobielen.
De tweede reden waarom het belastingstelsel aan herziening toe is, is de toenemende internationale concurrentie. Landen concurreren met elkaar om de beste vestigingsvoorwaarden te scheppen voor bedrijven. Belastingen zijn daarin niet onbelangrijk. Het resultaat is een soort prijzenslag, waarin met name de tarieven van overheden onder voortdurende neerwaartse druk staan.
Beide tendenzen zijn duidelijk waarneembaar in de voorstellen voor het belastingstelsel van de volgende eeuw, die op dit moment in de ministerraad worden besproken. De vergroening krijgt z'n beslag in een forse verlaging van de tarieven voor de inkomstenbelasting onder gelijktijdige verhoging van de BTW naar 19 procent. Het laagste tarief, nu 37,5 procent over de eerste 45.960 gulden, wordt verlaagd naar 18 procent over de eerste 32.000 gulden. Over de volgende 32.000 gulden moet straks 36 procent betaald worden (nu geldt tussen de 45.960 en 98.950 een tarief van 50 procent). Wie meer verdient dan 64.000 gulden, moet straks over dat meerdere 48 procent gaan betalen (nu geldt een toptarief van 60 procent boven de 98.950 gulden). Spullen worden dus duurder, werk goedkoper.
Dat is mooi. Maar die verandering heeft ook een nadeel, althans voor wie voorstander is van meer gelijkheid. De belasting op arbeid is progressief, die op spullen niet. Daarvoor betaalt iedereen hetzelfde, ongeacht het inkomen. De rekening voor de vergroening van het belastingstelsel komt op die manier terecht bij de lagere inkomens. Dat nadeel wordt nog eens versterkt door die andere factor die de motor is van de belastinghervorming, de fiscale concurrentie. Op het eerste gezicht lijkt het in het voorstel van Zalm en Vermeend alsof juist het laagste tarief het meest daalt. Maar die daling wordt voor een fors deel weer ongedaan gemaakt door de afschaffing van de belastingvrije som van 7100 gulden die iedereen nu van zijn belastbaar inkomen mag aftrekken. Ook over die eerste 7100 gulden moet in het vervolg 18 procent worden betaald.
In hoeverre de wijzigingen werkelijk denivellerend werken, wordt verder bepaald door de mate waarin de afschaffing van aftrekposten doorgaat. Zalm en Vermeend willen alleen de aftrekbaarheid van de hypotheekrente onaangetast laten; die van de uiterst in trek zijnde koopsom- en lijfrentepolissen sneuvelt. Het eerste gepruttel daartegen uit kringen van VVD en CDA is reeds begonnen. Is dat gepruttel succesvol, dan betalen de lagere inkomens en de overheid zelf, in de vorm van minder belastinginkomsten, twee rekeningen: die van de vergroening en die van de verrijking.