Spuugtoneel

Grasduinend in mijn toneelarchieven voor een essay over Shakespeares antiheld Coriolanus, kwam ik de eerste naoorlogse uitvoering van het stuk tegen, door de Nederlandse Comedie, première 29 oktober 1960 in de Amsterdamse Stadsschouwburg.

De titelrol werd vertolkt door Ko van Dijk, toen een gerijpt acteur van 44. Hoe zou dat toen geklonken hebben? Uit de kritieken word ik niet veel wijzer. Daniël de Lange spreekt van ‘overrompelende scènes’ waarin Ko van Dijk 'de onbuigzame trots’ van Coriolanus toont, en diens verachting voor het volk, waarin het 'onvermogen tot uitdrukking komt om zijn persoonlijk lot en het welzijn van de staat van elkaar te scheiden’. De criticus Gomperts schrijft in Het Parool dat de acteur te veel bij Freud heeft gewinkeld en van Coriolanus een 'dweperig moederskindje’ maakt.
Maar hoe hebben die versregels (vertaling: Bert Voeten) uit de mond van Ko van Dijk geklónken? Waarom kom ik daarover niks te weten? Helaas, we zullen het nooit meer weten.
Hoe 'onthoud’ je een acteur? In het afgelopen weekend schreef Theodor Holman in Het Parool over zijn aarzeling om een boekje over Ko van Dijk dat hij in een antiquariaat vond, te kopen. Nemen of niet nemen? Holman liet het boekje aanvankelijk liggen, filosofeerde achter zijn tekstverwerker over de tragiek van het vervliegen van grote kunst (vooral de kunst van het hier-en-nu, acteren) en besloot daarna het boekje toch te kopen. Het zal de biografische schets van Guus Verstraete wel geweest zijn, waarin de acteur Ko van Dijk in het begin van de jaren zeventig (toen hij veertig jaar aan het toneel was) mijmerde over 'het vak’ en over zijn grote voorbeelden. Het is geen best boekje, het is wel een van de weinige geschriften over het grote 'toneeldier’ dat Ko van Dijk is geweest.
Ik gaf ooit eens les aan jonge toneelspelers. Ze kenden Ko van Dijk alleen uit zijn laatste televisie-optreden, boer Bonte in de KRO-serie Dagboek van een herdershond. Over de toneelspeler Ko van Dijk zoemden bij de jonkies alleen maar vooroordelen rond: holle pathetiek, gebulder, loos geschreeuw. 'Spuugtoneel’, zei een van de toneel-kids. We zijn toen naar het Theaterinstituut aan de Amsterdamse Herengracht gegaan en hebben daar de televisieregistratie van De dood van een handelsreiziger (Arthur Miller) bekeken, waarin Ko van Dijk (in 1967) de eeuwige loser Willy Loman speelde. Daar werden die jonkies wel even stil van. Troost voor Theodor Holman: 'de echte Ko van Dijk’ is in die registratie niet ondergesneeuwd onder opvattingen van anderen, als regisseurs en cameramensen. Je ziet op die tape weliswaar slechts een 'afdruk’ van de theaterreus die hij was, niet veel meer, maar ook echt niks minder. De schaduw van een genie is nog altijd beter te genieten dan het verwaaide stof van zijn vergankelijkheid.
Ik kijk naar de enige foto die ons rest van Coriolanus uit 1960 - Ko van Dijk staat naast Johan Fiolet, die toen de andere legeraanvoerder uit het Shakespeare-stuk speelde. Iedereen op die scènefoto oogt stijfjes, Ko van Dijk maakt met zijn lijf een lichte draai, en zijn toneelsmoel verraadt een hoop energie en woede (geen slechte katalysators voor deze lastige rol).
In de afgelopen zomer zou Ko van Dijk tachtig zijn geworden. Over anderhalf jaar zal het twee decennia geleden zijn dat hij stierf - vrij plotseling, te jong, en nogal treurig. Ik wil in mei 1998 op de Nederlandse televisie een mooie documentaire zien, vol met mensen die herinneringen aan Ko van Dijk ophalen, en met veel fragmenten uit films, televisieseries en voorstellingen waaraan hij meewerkte. De radio kan ook meedoen: de Vara heeft in haar archief een prachtige serie interviews liggen, gemaakt door Tony van Verre, vol onnavolgbare theateranekdoten. Daar zit volgens mij een serie herhalingen in. Of een compleet nieuw programma.
Doe mij (en Theodor Holman) een groot plezier!