Nieuw internationaal elan voor het Stedelijk?

Ssssstedelijk

Martijn Sanders, extern adviseur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, gelooft in nieuw internationaal elan voor het museum. Maar met de buitenlandse pers praat hij niet.

De Amerikaanse schrijver Hans Koning wilde in opdracht van The New York Times een vervolg schrijven op het artikel dat die krant afgelopen maart aan de Nederlandse kunstwereld wijdde. Times-medewerker Andras Szanto legt daarin uit dat het kunstbudget van de gemeente Amsterdam, met 720.000 inwoners, ongeveer drieënhalf keer groter is dan het huidige kunstbudget van de gehele staat Californië, met zijn 35 miljoen inwoners. Szanto vertelt zijn Amerikaanse lezerspubliek dat de Nederlanders («among the highest-taxed people on earth») geen zin hebben hun portemonnee voor een overheidsdienst te trekken, dat «private filantropie» een van de weinige Amerikaanse culturele fenomenen is die het land niet heeft weten te exporteren, maar dat er bij Nederlandse beleidsmakers sinds enkele jaren wel een «fascinatie met doing things the American way» bestaat.

Voor die houding staat directeur van het Concertgebouw en extern adviseur van het Stedelijk Museum Martijn Sanders, wellicht omdat hij enige tijd in Amerika studeerde. Met behulp van particulier geld wist hij van het Concertgebouw een internationaal toonaan gevend en bloeiend bedrijf te maken. In het debat over de kunsten — waarin protagonisten van het «cultureel ondernemerschap» tegenover bestuurders staan die klagen over populisme — bleek de liberale kunstverzamelaar en oud-jazzcriticus Sanders de laatste maanden acceptabel voor beide partijen die zich nu al decennia in en rond het Stedelijk hebben ingegraven.

Maar bij het zogeheten cultureel ondernemerschap hoort ook openheid. Sanders stelt in het rapport van de naar hem genoemde commissie dat de gemeente meer geld moet uittrekken voor het museum. Van dat extra geld zegt hij twintig miljoen euro te hebben losge kregen van particulieren. Dat Sanders tegen niemand wil zeggen van wie hij die extra twintig miljoen euro krijgt en dat hij nu zelfs niet wil praten met The New York Times, is dan ook curieus. Zeker omdat zelfs in de Verenigde Staten, met hun traditie van kunstsponsoring en mecenaat, de bomen niet meer tot in de hemel groeien. De plannen van het MoMa en het Guggenheim in New York bleken na de val van de beurskoersen bijvoorbeeld veel te ambitieus en worden nu in afgeslankte vorm doorgezet.

Nee, dan de nieuwe zakelijk directeur van het Stedelijk Museum. De generalist Hans van Beers (eerder onder meer directeur van de VPRO en netcoördinator van Nederland 3) is al jaren actief in de ontelbare besturen die het culturele leven kent, maar is nog nooit betrapt op een eigen artistieke visie op de beeldende kunst die hij nu moet protegeren. Op de vraag van een radiojournalist welke hedendaagse kunstenaar hij bewondert, antwoordde hij enkele dagen na zijn benoeming tot interim-directeur, geheel in stijl van de omroep bestuurder: «Daar kan ik in dit stadium nog geen uitspraken over doen.» Bij de omroep was zijn meest verregaande plan: «Meer leut».

Willem Sandberg, de man die het Stedelijk na de oorlog internationale allure gaf, kreunde hoorbaar in zijn graf. Voor hem zou hooguit geruststellend zijn dat het rapport-Sanders voorziet in een nieuwe artistieke directeur die medio november al moet aantreden. Ver ontrustend daarentegen is dat Van Beers al heeft laten doorschemeren dat dit wat hem betreft helemaal niet zo nodig hoeft. Hij gaat het liefst door «voor zo lang als de schepper mij gunt».

Is dat een reden voor zijn weigering met New York Times-medewerker Koning te praten? «Nee, maar het is wel lastig dat het rapport van Sanders over veel kwesties tegelijk gaat. Ik vind dat we ons op het punt van de artistiek leider nog moeten beraden. Willen we er een? En zo ja, wanneer? Al die kwesties moeten opnieuw ter discussie kunnen komen te staan», aldus Van Beers deze week desgevraagd.

Twaalf jaar modderen, eindigend met een omroepmanager aan het roer die de schijn wekt zelf het artistiek beleid voor zijn rekening te willen nemen, dient voor velen in de kunstwereld als een illustratie van de zwakke kanten, of zelfs het mislukken van het Hollandse poldermodel. Waartoe hebben al die advies raden en overlegstructuren gediend? Het maakte niets uit dat de waakhond van het museum, de Amsterdamse Kunstraad, al in 1996 de alarmbel luidde. De wereldfaam die het Stedelijk vanaf 1945 met relatief beperkte middelen opbouwde door slim aan te kopen en spraakmakend te programmeren, is bijna geheel verloren gegaan, zo was het oordeel van de raad in 1996. Vier jaar later oordeelde de Kunstraad opnieuw vernietigend. Maar weer gebeurde er niets. De raad vroeg zich publiekelijk af «waarom de gemeente het zo ver heeft laten komen».

B. en w. en gemeenteraad zullen in september moeten beslissen of het plan-Sanders zal worden uitgevoerd. De voorstanders van het plan, die destijds zo hard van de toren bliezen, blijken nu minder zeker van hun zaak. «Het ligt inderdaad allemaal heel gevoelig», zegt Van Beers.

Uitgesproken voorstander van Sanders’ advies is wethouder van Financiën en VVD’er Geert Dales. Na drie opeenvolgende D66- wethouders van Cultuur — Ernst Bakker, Jikkie van der Giessen en Saskia Bruines — hoopt Dales, alhoewel niet van cultuur, de geschiedenis in te gaan als de wethouder die eindelijk belangrijke knopen durfde door te hakken en het Stedelijk uit de modder wist te trekken. Burgemeester Job Cohen, wethouder Duco Stadig en raadslid Riem Vis (PvdA) heeft hij aan zijn kant weten te krijgen. Maar Hannah Belliot, wethouder van Cultuur, is halsstarrig. «Dit plan betekent langer lijden», zei ze al direct na de presentatie. Net als de raadsleden Rob Oudkerk (PvdA), Ruud Nederveen (cultuurwoordvoerder VVD) en wethouder Mark van der Horst (VVD) is ze geïrriteerd dat Sanders zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden: een advies uitbrengen dat niet meer kost dan de beschikbaar gestelde 57,6 miljoen euro. Bovendien is er geen garantie dat die twintig miljoen die Sanders beloofde los te peuteren bij het bedrijfsleven, ook werkelijk gevonden wordt. Er zijn vaker beloftes gebroken. De intentie «internationaal weer mee te tellen» blijkt daar nu ook één van.

_________________________

Hoofdrolspelers Stedelijk bang voor internationale pers

Het Stedelijk Museum moet zijn internationale allure terugkrijgen. Maar met de internationale pers willen de hoofdrolspelers in Amsterdam niet spreken. Afgelopen week heeft de Amerikaanse schrijver Hans Koning namens The New York Times tevergeefs geprobeerd om de verschillende betrokkenen, die zich om het Stedelijk bekommeren, te interviewen. Allen weigerden hem te woord te staan. Hun motief was van stadspolitieke aard.

Koning was door chef kunst van The New York Times Steven Erlanger — voorheen correspondent voor dezelfde krant in Rusland en de Balkan — naar Nederland gestuurd om voor de krant een artikel te schrijven over de toekomst van het moderne kunstmuseum. Het Stedelijk zou daarin figureren als voorbeeld van het internationale debat over de scheiding van moderne en contemporaine kunst in de musea. De bestuurlijke beslommeringen in Amsterdam zelf interesseerden The New York Times minder. Hans Koning is in de Verenigde Staten een gerenommeerde romanschrijver en auteur van bekroonde reisreportages.

Desondanks was geen der Amsterdamse autoriteiten bereid Koning te woord te staan. Niet alleen verantwoordelijk wethouder Hannah Belliot van Cultuur, ook zakelijk directeur Hans van Beers van het Stedelijk, wethouder Geert Dales van Financiën en extern adviseur Martijn Sanders waren bang om zich voor het debat in de gemeenteraad in algemene zin uit te spreken.

Dat was een maand geleden wel anders, bij de verschijning van het rapport Het Stedelijk Museum, terug naar de top van de commissie-Sanders. In aan de sport ontleende taal velde deze commissie — waarin naast Sanders het Ser-lid Victor Halberstadt en directeur John Leighton van het Van Gogh Museum zitting hadden — een hard oordeel over het museum zoals het nu is. Wil het zich weer meten met internationale topmusea als het MoMa in New York, Tate Modern in Londen en Centre Pompidou in Parijs, dan kost dat 33 miljoen euro meer dan de 57,6 die de gemeente reserveerde voor nieuwbouw en renovatie. De commissie beloofde dat ze daarvan twintig miljoen zelf zou kunnen financieren, dankzij haar goede contacten met het bedrijfsleven. Als de gemeente voor die lijn zou kiezen, is de beloning immens. Het museum zal dan «uit het peloton van internationaal belangrijke musea demarreren om naar de kopgroep te springen», aldus de commissie-Sanders. De oude plannen van de architect Siza zijn volgens haar niet «opportuun voor de internationale allure van het museum».

Maar toen Hans Koning hem benaderde voor een gesprek over het internationale karakter van het Stedelijk werd Sanders huiverig. «Ik vrees dat ik niet de juiste gesprekspartner voor u zou zijn. Ik acht mezelf niet deskundig over de situatie hier in het algemeen», aldus Sanders.

Zakelijk directeur Van Beers bevestigt desgevraagd zijn weigering om The New York Times te woord te staan.

«Jij kunt van ambities en allure spreken, maar het Stedelijk is nog altijd gewoon een gemeentelijke dienst. Op dit moment is het vooral en alleen wachten op wat er in de gemeenteraad wordt besloten over het rapport-Sanders. Ik ben nu niet de aangewezen persoon om mee te praten. Het paradoxale is dat in het rapport de verzelfstandiging wordt geregeld, maar dat het nog niet zover is», aldus Van Beers.

Bovendien, vraagt Van Beers: «Wie is die Koning eigenlijk?»

_________________________

Een decennium bestuurlijke ellende

1992 Directeur Wim Beeren laat zijn oog vallen op de Amerikaan Robert Venturi als architect van de
uitbreiding van het Stedelijk Museum. De gemeente stelt maximaal 14 miljoen euro beschikbaar.

1994 Venturi’s voorstel kost ten minste 35 miljoen euro. De gemeente zet een streep door het plan.

1995 Directeur Rudi Fuchs kiest voor de Portugees Alvaro Siza.

1997 Siza’s voorzichtigste voorstel kost 25 miljoen euro.

2000 De gemeente kiest voor Siza’s «maximalisatievariant». Kosten: 90 miljoen euro.

2002 De gemeente wil toch slechts een compromisvariant van Siza. Kosten: 57,6 miljoen euro.

2003 Wethouder Geert Dales noemt Rudi Fuchs de verkeerde man op de verkeerde plaats. De commissie-Sanders adviseert een nieuwe architect aan te nemen en zeventig miljoen euro voor zijn plannen uit te trekken. Namen worden niet genoemd.

Najaar 2003 De gemeente beslist over het advies van de commissie-Sanders.