muziek

Ssst, de buren…

Bij De buren denk ik meteen aan mijn eerste pianolerares. Misschien ben ik wel piano gaan spelen omdat zij toevallig naast ons woonde. Tussen mijn zevende en mijn twintigste belde ik wekelijks één deur verder aan om mijn vorderingen te laten horen, eerst op een grote zwarte piano, later op een vleugel, een bruine Blüthner.

Ik heb nooit geweten of Jopie, zo heette ze, mij kon horen als ik (niet) studeerde. Haar hoorde ik in elk geval nooit, wel haar man, een hartstochtelijk amateurviolist met intonatieproblemen. Zonder deze buren had ik dit stukje misschien wel nooit geschreven. Ik leende hun boeken, te beginnen met de muziekgeschiedenis van Casper Höweler waarvan ik het complete aanhangsel overschreef, ik werd er met mijn allereerste grafische partituur geconfronteerd (een stuk van stadgenoot Ton Bruynèl), luisterde er naar Glenn Gould aan wiens Bach-spel ik een voorbeeld kon nemen, werd betrokken bij muziekavondjes. Bij de buren moest je zijn. Veel mensen denken bij buren aan geluids-overlast. Ik denk eerder aan gedempte klanken. Vroeger kwamen die van buurmans viool, een paar jaar geleden van een koortje dat op zondagmiddag boven mijn hoofd repeteerde, tegenwoordig van een benedenbuurman die zich in zijn vrije tijd aan Beethoven waagt. Geen van allen realiseren ze zich waarschijnlijk dat ik meeluister, dat ik zelfs van ze geniet. Ook van de misslagen en valsigheden. Soms zijn die me nog het dierbaarst.

Louis Andriessen heeft daar lang geleden een mooi stuk ‘over’ gemaakt. Melodie heet het. Een piano en een blokfluit spelen samen, heel zacht, één melodie, maar soms vergist een van beide zich zogenaamd. Er klinkt een milde vorm van onenigheid. Wie heeft er gelijk? En, vooruit, ze proberen het nog maar eens, net zo lang totdat moeder en kind - zo'n soort tafereel zie je al luisterend voor je - weer op één lijn zitten.

En Kees de Jongen, natuurlijk. De mensen uit wier ramen hij de vioolmuziek hoort die zijn hoofd op hol brengt zijn weliswaar niet de buren, maar ook hier gaat het om klanken die nietsvermoedend hun geheimzinnige invloed op een passant doen gelden. In feite hebben we het hier niet over luisteren maar afluisteren. Dat is ook wat Gérard Depardieu doet in de rol van de viola da gamba-virtuoos Marin Marais in Tous les matins du monde, mijn favoriete muziekfilm. Bij nacht en ontij verstopt hij zich onder het componeerhuisje van zijn leermeester Sainte-Colombe en hoopt er zo eindelijk achter te komen wat het geheim van diens schitterende noten is. Onvergetelijke scène. Man wil muziek op heterdaad betrappen. Zou er een woord bestaan voor dit voyeurisme van het oor?

Weinig oeuvres zijn mij meer waard dan dat van Strawinsky, maar er zijn momenten dat de afluisteraar in mij zijn gedrukte werken zou willen inruilen voor het niet-bestaande tapeje waarop te horen is hoe de componist honderd jaar geleden in een piepklein torenkamertje vlak bij het Meer van Genève op een krakkemikkige piano de slotdans van Sacre du printemps bij elkaar stompt, op zoek naar het enige juiste ritme, steeds weer een nieuwe maat erbij verzinnend en vooralsnog niet wetend hoe hij de noten ooit op papier moet krijgen. De opname is in het diepste geheim door de benedenbuurman gemaakt. Wat je hoort is, stel ik mij voor, geluid met een plafond ertussen, doffe klanken die nog van alles te raden laten.

Doordat zachte klanken de indruk wekken van verder te komen lijken ze van zichzelf al een beetje op buurklanken. Als ze maar zacht genoeg zijn, wordt het bijna vanzelf afluisteren wat je doet. Naar Morton Feldman kun je alleen met oren op steeltjes luisteren, zo ook naar veel muziek van Webern, Sciarrino, Knaifel, Silvestrov. Omdat zulke muziek zich alleen tot jou lijkt te richten, zou je ook werkelijk graag de enige zijn voor wie zij klinkt. Met een volle zaal de adem inhouden kan iets moois hebben maar ook iets ongemakkelijks.

In de serie De buren die ik in gedachten heb, wordt uitsluitend achter deuren, muren en gordijnen gemusiceerd en geluisterd. Op verschillende adressen in de stad staat de deur op een kier en betreedt men op kousenvoeten de huizen van musici die nietsvermoedend zitten te spelen. Waar anders dan in de Vondelstraat van Kees de Jongen speelt een violiste een suite van Bach. Elders staat het strijkkwartet Intieme brieven van Janácek op de lessenaars. Voor de scherpste oren zijn daar nauwelijks hoorbaar Dowlands Lachrimae op luit. Verder kan men kiezen uit onder meer de posthoornsolo uit Mahlers Derde symfonie, preludes van Debussy op een oude Érard, ondefinieerbare prepared piano-klanken van Cage, Guus Janssen die op clavichord improviseert, een vocaal kwintet dat Purcell repeteert. En heus niet alleen omdat met De Buren, thema van de volgende AAA-reeks, België wordt bedoeld, klinkt ergens in een duister zaaltje Disappearing in Light van Wim Henderickx. Geen voorbeeldiger samengaan van geografische en intieme nabijheid dan de schaduwklanken van deze Vlaming, zoals ze onlangs nog op het festival November Music in Den Bosch voor de goede verstaander te horen waren.