Staalkaart van wilde denkers

WE KUNNEN het ons nauwelijks meer voorstellen, maar ooit stond het christelijk geloof hoog in aanzien. Het bood een antwoord op alle vragen en het vervulde een dominante rol in het culturele en maatschappelijke leven. Er was een uitgebreide religieuze infrastructuur, die veel mensen werk verschafte. De kerk oefende daarom niet alleen aantrekkingskracht uit op mensen met een oprecht en diep gevoeld geloof, maar ook op allerlei lieden die op zoek waren naar een baantje, status of macht.

Het geloof in de heilige drieëenheid is inmiddels weggeduwd naar de marge van onze cultuur. Het geloof in de wetenschap heeft sinds zo'n tweeënhalve eeuw die rol overgenomen. Wetenschappers worden geacht een oplossing voor alle problemen te leveren en het menselijk bestaan te optimaliseren. Ze hebben een hoge status, soms ook een aanzienlijke macht, en er is een wijdvertakte en hoogwaardige wetenschappelijke infrastructuur. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de tempel der wetenschap ook veelvuldig wordt bezocht door mensen die er eigenlijk niets te zoeken hebben, types die zich hullen in het habijt van de wetenschapper, maar die zich niet aan de orderegels houden.
Het zijn deze lieden die in een bonte stoet langstrekken in Tussen waarheid & wetenschap. Met deze ‘encyclopedie der pseudo-wetenschappen’ hebben Marcel Hulspas, wetenschapsredacteur van Intermediair, en wiskundige Jan Willem Nienhuys een handig en helder naslagwerk geschreven, dat in deze onzekere tijden enige houvast biedt aan wie door de New Age-bomen en het postmoderne kreupelhout het bos niet meer ziet.
DE GRENS tussen wetenschap en pseudo-wetenschap is moeilijk te definiëren, en toch kunnen er eigenlijk geen misverstanden over bestaan. Met een redelijke opleiding en enig gezond verstand voel je op je klompen aan wanneer het 'wetenschappelijke’ bewijs voor een bepaalde opvatting flinterdun is. En toch tuinen veel mensen er in, blijkt het vertrouwen in de 'wetenschappelijkheid’ van spectaculaire theorieën te berusten op de intense behoefte erin te geloven.
Maar waar kun je de 'echte’ wetenschapper nu aan herkennen? Hulspas en Nienhuys zijn daar duidelijk in. Nieuwsgierigheid en eerlijkheid, daar draait het om. Een wetenschapper wordt gedreven door een enorme honger naar kennis, door de drang om op bepaalde vragen een antwoord te krijgen. Of die kennis nuttig is, of de mensheid er direct iets mee opschiet, dat zijn vragen van secundair belang. Het weten an sich, daar gaat het de wetenschapper om. En die kennis kan alleen verkregen worden door middel van volstrekte eerlijkheid. Of een wetenschapper nu vreemd gaat of de belasting oplicht, dat is niet van belang, als hij maar volmaakt integer is zodra hij met zijn vak bezig is. Dienen zich feiten aan die in strijd zijn met de theorie? Dan moet die theorie van tafel, niet het feitenmateriaal.
De pseudo-wetenschapper is uit geheel ander hout gesneden. Om te beginnen is hij niet echt nieuwsgierig. Hij weet het antwoord al en is alleen op zoek naar allerhande 'bewijzen’ die anderen moeten overtuigen van zijn 'waarheid’. Het verlangen naar zuivere kennis speelt dan ook geen rol. Het gaat volgens Hulspas en Nienhuys bij de 'pseudo’ om iets anders, iets 'hogers’. Dat hogere doel kan een eerbaar karakter hebben, zoals de wil om de medemens van ellende en gebrek te bevrijden, of de wens met dierbare overledenen te converseren, of de behoefte een religieuze ervaring te delen met anderen.
Maar ook minder fijne motieven spelen soms een rol. Er zijn nogal wat pseudo-wetenschappers geweest die het uitsluitend ging om eigen roem en portefeuille, en velen hebben zich ingespannen om de superioriteit van eigen klasse, volk of ras 'aan te tonen’. Het zal duidelijk zijn dat voor het bereiken van dergelijke doelstellingen niet alleen nieuwsgierigheid maar ook eerlijkheid een hinderlijke eigenschap is.
UITERAARD IS dit boek doorschoten met lemma’s over religieuze en occulte zaken. Rudolf Steiner en de antroposofie, de theosofie, de lijkwade van Turijn, de zondvloedtheorie, de Gaia-hypothese, Jomanda en tal van New Age-fenomenen worden op zakelijke wijze tegen het licht gehouden. Ook publiciteitsgeile oplichters als Uri Geller, Thor Heyerdahl en Erich von Däniken komen aan bod. Tevens wordt nog eens bondig samengevat wat er onwetenschappelijk is aan de theorieën van Freud en diens tijdelijke geestverwanten Wilhelm Fliess en Carl Jung, namelijk alles. De aan alle kanten rammelende wetenschappelijke onderbouwing van zaken als hypnose, de meervoudige-persoonlijkheidsstoornis en de IQ-test wordt door de auteurs eveneens beschreven, zoals ze ook zeer droogjes vertellen dat het zo spectaculair ogende 'vuurlopen’ van Emile Ratelband au fond niets voorstelt. Soms komt men evenwel namen tegen die men niet verwacht, omdat het gaat om mensen als Faraday, Pauling en Tesla - die wetenschappelijk beslist het een en ander hebben gepresteerd. Deze geleerden blijken echter op het eind van hun carrière 'doorgedraaid’ te zijn, en hebben toen de grootst mogelijk onzin verkondigd.
Wie ik in dit pantheon van quasi-wetenschappelijke systeembouwers overigens node mis, zijn Karl Marx en Vladimir Iljitsj Oeljanov. Vanzelfsprekend heeft Trofim Denisovitsj Lysenko, die vanaf de jaren dertig tot aan de dood van Stalin met zijn dialectisch-materialistische alternatief voor de evolutietheorie het landbouwbeleid van de Sovjetunie domineerde, wel een plaatsje gevonden in dit boek. Hij wordt echter vooral in verband gebracht met de zogenaamde 'boerenwetenschappers’ van kort na de Russische Revolutie. Dat het toch vooral het pseudo-wetenschappelijke karakter van het marxisme-leninisme was dat Lysenko de kans bood om zoveel invloed te vergaren, blijft helaas onderbelicht.
Wat wel telkens weer opduikt in deze staalkaart van het wilde denken, is het bruine spook. Aan de hand van een groot aantal lemma’s en verwijzingen laat het duistere complex van nationaal-socialisme, racisme, eugenetica, de grote samenzweringstheorie, Blut und Boden zich vrij gemakkelijk reconstrueren. Bio- en bibliografische gegevens van types als Houston Stewart Chamberlain, graaf De Gobineau, Hitler, Himmler, Hess en Mellie Uyldert zijn in dit boek snel op te zoeken.
Wat trouwens opvalt, is dat de meeste lieden die op een bepaald gebied een krankjoreme theorie aanhangen, ook op andere terreinen bereid zijn groteske flauwekul te verkopen. Vandaar dat je in bijna elk lemma verwijzingen naar andere artikelen vindt. Op deze manier leest deze fraai uitgevoerde en goed geschreven encyclopedie als een doe-het-zelfroman.