PHILIP HUFF, NIEMAND IN DE STAD

Staat je goed

Zo gemakkelijk als Niemand in de stad, de tweede roman van Philip Huff, zich laat lezen, zo moeilijk is het aanvankelijk de vinger erop te leggen waar deze aangenaam meanderende, maar ook een tikkeltje wijdlopige vertelling op afstevent.

Medium huff niemandindestad

Je kunt je afvragen of alles dan altijd maar een doel moet hebben, of een diepere reden, maar juist al die korte tafereeltjes, vrolijke schetsen over de achterkant van het studentenleven, de snelle dialogen, de heldere verteltrant, doen na zo'n honderd bladzijden snakken naar het drama. Het drama dat de schrijver ons in het vooruitzicht heeft gesteld met zijn proloog waarin de - waarschijnlijk zelfgekozen - dood van een van de personages wordt aangezegd.
Slim, zo'n proloog, maar ook een beetje een truc. Het zet alle kots-, bral- en neukpartijen die in de bladzijden erna worden gememoreerd door de ik-verteller - volgens het beproefde stramien van de terugblik - in een onvermijdelijk weemoedig en diepzinnig licht. Daarom ook altijd een beetje een zwaktebod, de proloog. Alsof de schrijver niet durft te vertrouwen op de kracht van het eigenlijke verhaal, maar er bij voorbaat een laagje vernis overheen kwast. Zeker met de dood in het vooruitzicht is het wat dat betreft makkelijk scoren, op het kitscherige af. Verbeeld ik ’t me of wordt er bijna geen roman meer geschreven zónder een proloog? Ik sta er misschien wat lang bij stil, bij die luttele twee pagina’s, maar dat komt vooral ook omdat ik denk dat Huff die hele kunstgreep van de proloog niet nodig had, zo kundig weet hij de lezer op den duur in zijn greep te krijgen.
Niemand in de stad is een roman die zich afspeelt in het milieu van het studentencorps, maar anders dan in andere corpsromans, zoals De ontgroening van Boudewijn van Houten en Mores van Onno te Rijdt, is dat bijzaak. Het is er de schrijver duidelijk niet om te doen een precieze beschrijving van de mores te geven, het gaat hem erom dat zijn personages zich nog even in een soort vrijstaat bevinden, waarin ze kunnen experimenteren met wie ze zijn en wat ze willen. Het is om die reden ook een minder grollig, meer filosofisch en grimmiger boek dan bijvoorbeeld de studentenromans van Ronald Giphart, vooral ook omdat Huffs verteller, net als de schrijver Philip genaamd, niet echt een gretige feestvierder is. Hij wordt dan ook ‘De monnik’ gedoopt door zijn huisgenoten, Bhikkhu is de nog mooiere naam die Jacob hem geeft, Bhiek in de wandelgangen. 'Bhikkhu’, houdt deze Jacob hem voor als hij net in het roemruchte studentenhuis Het Weeshuis is komen wonen en nog denkt dat hij de keuken kan reorganiseren, 'hier zijn we de rol die we spelen. Gun dat ons. Het recht om ons over te geven aan de groep. Gun het jezelf.’
De terughoudendheid van Philip maakt hem een interessant personage. Op zich is wat hij doormaakt niet het meest wereldschokkend - hij denkt zijn schoolvriendinnetje Elisabeth nooit ontrouw te worden, maar help, vanaf het moment dat hij de breedkakige Karen ontwaart is hij geobsedeerd en blijkt hij leugenachtiger te kunnen zijn dan hij ooit voor mogelijk hield - maar door de manier waarop Huff zijn gewetensnood, zijn twijfels en zijn pijn verwoordt is het in feite wél het meest wereldschokkend dat iemand kan doormaken. Het heeft te maken met het verlies van illusies, de schaamtevolle blik in de spiegel en de vraag: wie ben ik eigenlijk? Op de achtergrond speelt dan ook nog mee de angst om in de voetsporen te treden van de trouweloze vader, inmiddels bezig met zijn derde leg.
Klassieke thema’s die in Niemand in de stad heel persoonlijk en klein tot leven worden gebracht. Om dat goed te kunnen doen, de lezer interesseren én beroeren, moet je goed kunnen schrijven. En dat kan Huff. Het gekke is alleen dat ik niet goed kan benoemen waar dat ’m in zit, behalve dan wat ik eerder opmerkte, die behendige mengeling van dialoog, korte scènes, heldere zinnen. En, daarover doordenkend, het feit dat de schrijver zich niet vergaloppeert aan hoogdravende metaforen, of gewilde diepzinnigheid. 'Staat je goed’, zegt Karen als ze na zoveel tijd en de nodige pijnlijkheden een afspraak heeft met Philip in het Vondelpark, 'dat baardje.’ Het is precies goed getroffen, de intimiteit, de vervreemding, de trivialiteit tussen twee mensen die ooit geen moment uit elkaars gedachten waren.
Wat verder meespeelt is denk ik de ernstige ondertoon van de roman, zonder dat die zijig wordt. Huff tilt het jongen-meisje-drama van de ik-verteller op met behulp van het grotere drama van Jacob, die iedereen een nog groter rad voor ogen blijkt te hebben gedraaid. De manier waarop de herinnering wordt opgeroepen aan de muziekminnende Jacob, inclusief diens vervreemding van zijn ouderlijk milieu, is sterk en ontroerend. Jacobs uitweg leidt tegen het einde van de roman tot ware, harde woorden binnen de vriendengroep, over de houdbaarheid van leugens en bedrog, of je een ander ooit kunt redden en Four Weddings and a Funeral-achtige taferelen. Wat ik een goeie film vond, en nog.

PHILIP HUFF
NIEMAND IN DE STAD
De Bezige Bij, 352 blz., € 19,90