Staat van de markt: Rijksmuseum

Op zaterdag 13 april gaat het Rijksmuseum weer open, na een verbouwing die liefst tien jaar heeft geduurd - De Groene Amsterdammer besteedt er deze dagenuitgebreid aandacht aan. Het Rijks heeft zich een nieuwe slogan aangemeten: ‘Het museum van Nederland’. Die dekt de missie die het museum vanaf de opening in 1885 heeft gehad. Het toont eerst en vooral kunst, maar plaatst die in het bredere verband van de Nederlandse geschiedenis en cultuur.

Medium rijks27 08

Maar het motto verwoordt ook een gevoel: het Rijks is van ons allemaal. Het is een openbare voorziening, die wordt gefinancierd uit ons aller belastinggeld. De Britten voltooien die redenering tot het eind: daar is de toegang tot de rijksmusea gratis. Zij hébben immers al betaald, en de vele buitenlandse bezoekers zijn hun welkome gasten.

Voor ons Hollandse kooplieden heeft dat nooit vanzelf gesproken. Het Rijks kwam er pas na een kleine eeuw bakkeleien over wie de rekening zou gaan betalen. Niet de overheid, vond Johan Thorbecke, midden negentiende eeuw ‘s lands machtigste politicus. Net als zijn huidige nazaten kampte Thorbecke met een enorme staatsschuld en een stagnerende economie. En net als nu was dat niet de voornaamste reden voor zijn halsstarrige weigering to pick up the tab. Thorbecke achtte de regering 'geen oordelaar van wetenschap en kunst’. Dat klinkt positief, als een pleidooi om kunstenaars en wetenschappers te vrijwaren van staatsbemoeienis met de inhoud van hun werk. Maar Thorbecke bemoeide zich wel degelijk met hun werk, en niet zo'n beetje ook. Gijs van der Ham, conservator geschiedenis bij het Rijks, vertelt dat verhaal in geuren en kleuren in zijn boek 200 Jaar Rijksmuseum uit 2000.

Al tijdens zijn eerste ministerschap, in 1851, maakte Thorbecke een einde aan de subsidiëring van de Prix de Rome en aan de Vierde Klasse van het Koninklijk Instituut, dat sindsdien door het leven gaat als de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) - zonder de kunsten. Een jaar later halveerde hij de subsidie voor de toenmalige Koninklijke Akademie van de Beeldende Kunsten en weer een jaar later verlaagde hij de toch al karige jaarlijkse subsidie voor het Rijksmuseum van 2600 naar 2000 gulden. Intussen bleef het probleem bestaan. De kostbaarste kunstschatten van Nederland waren verdeeld over vele collecties en locaties. Beheer en publieke toegankelijkheid lieten zeer te wensen over. Het Rijks zat vanaf 1817 in het Trippenhuis aan de Amsterdamse Kloveniersburgwal, een imposante, maar als museum totaal ongeschikte zeventiende-eeuwse patriciërswoning.

Overal in Europa verrezen tussen 1830 en 1860 grote musea, behalve in Nederland. Oppositieleider Guillaume Groen van Prinsterer sloeg de spijker op zijn kop toen hij Thorbecke’s beroemde uitspraak in een reactie interpreteerde als: ‘Kunst is geen regeeringszaak.’ Omdat het rijk niets ondernam, stelde de gemeente Amsterdam in 1862 een commissie in voor een nieuw kunstmuseum. Dat zou vanzelf een nationaal museum worden: de hoofdstad had de mooiste collecties. Twee jaar later schreef de commissie een prijsvraag uit voor wat toen nog het ‘Muzeüm Koning Willem I’ zou gaan heten. De bouwkosten werden begroot op vijf ton in guldens, waarvan een ton van het rijk zou moeten komen. De onderneming liep op niets uit. Door een felle strijd over de ingediende ontwerpen, maar vooral door een gebrek aan geld. De commissie ontdekte al snel dat er minstens negen ton nodig was, en dat particuliere gevers bepaald niet stonden te dringen. De rijksbijdrage zou minstens zes ton moeten bedragen. De regering bedankte beleefd doch beslist voor de eer.

Niet alleen de kunsten leden onder Thorbecke. Nederland was ook heel laat met de aanleg van spoorwegen, die het trage economische herstel ongetwijfeld hadden kunnen bespoedigen. Ook daar zat het politieke dogma van de minimale overheid noodzakelijke publieke investeringen in de weg. De doorbraak volgde pas na Thorbecke’s overlijden op 5 juni 1872. Korte tijd later lokte de progressieve liberaal Sam van Houten, bekend van zijn latere wet tegen kinderarbeid, per amendement een uitspraak uit van de Tweede Kamer: de bouw van een nieuw Rijksmuseum was wel degelijk een staatstaak. ‘Jonge liberalen deelden Thorbecke’s ideeën over een afzijdige overheid niet langer’, schrijft Van der Ham. In 1875 stelde de Tweede Kamer een eerste bouwbudget ter beschikking van 250.000 gulden. Behalve zijn collecties legde Amsterdam daar een ton bij, en de grond. Tien jaar later kon het Rijks eindelijk zijn deuren openen.

De totale bouwkosten beliepen uiteindelijk 2,8 miljoen gulden. Dat gaf destijds net zoveel ophef als de budgetoverschrijdingen bij de Noord-Zuidlijn ruim een eeuw later - een andere mega-investering van Amsterdam en het rijk, vergelijkbaar met de aanleg van het spoornet eind negentiende eeuw. Ook de huidige totale renovatie van het Rijksmuseum werd veel duurder dan begroot: 375 miljoen euro in plaats van de 445 miljoen gulden die de regering eind twintigste eeuw uittrok. Van die 375 miljoen kwam 45 miljoen van het museum zelf en zijn sponsors, en 330 miljoen van het rijk. Sommige investeringen zijn nu eenmaal te omvangrijk om geheel of grotendeels privaat te financieren. Dan moet de overheid als breekijzer fungeren. Dat is de les van 128 jaar Rijksmuseum. Meer dan een kwestie van geld is dat een politieke keuze. De laatste decennia is ‘de markt’ net zo'n geloofsartikel als onder Thorbecke. Maar ‘de’ markt bestaat niet; hij verschilt van sector tot sector en fungeert vaak maar gebrekkig, zeker tijdens een crisis. Bovendien getuigt de huidige overheid vaak van een hoogst verwarde visie op ‘de markt’.
Er zijn veel meer voorbeelden van dan het Rijksmuseum. De komende tijd zal de website van De Groene Amsterdammer regelmatig aandacht besteden aan de verhouding tussen overheid en markt.

Suggesties voor deze serie zijn welkom: ramaer@groene.nl


De foto is uit het boek Rijks­museum.
Sinds 2004 heeft de Nederlands/Amerikaanse fotograaf Wijnanda Deroo de renovatie en nieuwbouw van het Rijksmuseum gevolgd. Bij de heropening van het museum verschijnt dit door Irma Boom ontworpen boek. naibooksellers.nl