Economie

Staat van insiders

Sinds de crisis van begin jaren tachtig is de Nederlandse verzorgingsstaat voorwerp geweest van een adembenemende stroom reorganisaties. Er is gesaneerd, gekort en geprivatiseerd. Alle sociale risico’s die op een of andere wijze collectief worden verzekerd, zijn langsgekomen. En als het aan minister Kamp ligt, gaat Rutte I daarmee door, ofschoon het regeerakkoord hem daarvoor nauwelijks mandaat geeft.

Zo is de afgelopen dertig jaar vanuit Den Haag een eenduidig signaal gegeven aan burgers die zich staande proberen te houden op een grillige arbeidsmarkt: ‘U moet het zelf uitzoeken.’ Dat leverde een paradoxale situatie op: toen de crisis begin jaren tachtig op ongekende schaal huishield in klassieke sectoren als industrie, scheepsbouw en textiel, en mensen massaal hun baan verloren, trad de overheid niet op maar trok zij zich terug. Niet het perspectief van werklozen op een fatsoenlijk bestaan stond centraal, maar de oplopende kosten van de diverse regelingen. Dat zou zonder correctie uitdraaien op een al te grote herverdeling van welvaart en dat was niet de bedoeling.

Rechtstreeks ingrijpen in de arbeidsmarkt was eveneens een no-go-area. De sociale staat bood werkgevers een uitgelezen kans om kosten van herstructurering af te wentelen op de gemeenschap. Dat is gebeurd in de jaren tachtig (WW en WAO) en de jaren negentig (vut). Maar anders dan de Scandinavische landen kenmerkte de Nederlandse verzorgingsstaat zich door een riskante arbeidsdeling: de arbeidsmarkt was het exclusieve domein van de werkgevers, de sociale gevolgen werden geheel opgevangen door de overheid.
Het maatschappelijk verzet tegen deze veranderingswoede was begrijpelijk maar heeft onbedoelde gevolgen gehad. Meer dan eens bleven eenmaal verworven rechten op het nippertje behouden en werden de kosten van ingrijpen afgewenteld op nieuwe generaties die (nog) geen gebruik maakten van de regelingen of geen sterke onderhandelingspositie hadden. Zo vergrootte het beruchte Akkoord flexibiliteit en Zekerheid midden jaren negentig de kloof tussen werknemers met een vast dienstverband en het groeiende legioen werknemers zonder vast contract. De laatsten kunnen nauwelijks aanspraak maken op sociale bescherming, terwijl de eerste groep zich verzekerd wist van stevig verankerde werknemersrechten bij ziekte of ontslag. Bij de afschaffing van de vut in 2005 werden de vroege babyboomers collectief gevrijwaard en schoven kabinet, werkgevers en werknemers de rekening door naar de jongere generaties. In de pensioenwereld is dezelfde uitruil aan de orde.

Ook de afgesproken generieke verhoging van de AOW-leeftijd in 2020 naar 66 jaar - en deze grens gaat straks verder omhoog - zal zeer verschillende gevolgen hebben voor lager respectievelijk hoger opgeleiden. De eerste groep werkt nu al langer dan veertig jaar en slaagt er lang niet altijd in gezond van lijf en leden de 65 jaar te bereiken. Betaald werk op latere leeftijd is voor hen bepaald geen sinecure in een onwillige arbeidsmarkt, en hun levensverwachting en gebruik van de AOW liggen significant lager. Voor hoger opgeleiden is langer doorwerken in alle opzichten makkelijker en soms door deze groep zelfs gewenst, getuige het groeiend verzet tegen gedwongen ontslag bij 65.
Aan de bovenkant van de arbeidsmarkt hebben werknemers bovendien steeds meer hun eigen plan getrokken met hoge, contractueel vastgelegde vertrekpremies, aanspraak op sociale plannen en scholingsfondsen, lease-auto’s, bijstortingen op eigen pensioenregelingen en andere fraaie arbeidsvoorwaarden. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt ging deze rijkdom geheel voorbij. Nergens in Europa is de tweedeling op de arbeidsmarkt zo groot als in Nederland. Dat we de laatste Grote Recessie in de statistiek zo goed zouden hebben doorstaan (getuige de lage werkloosheidscijfers) is mede omdat zo'n twee miljoen flexwerknemers en zzp'ers geen beroep kunnen doen op de WW, ontslagvergoedingen of herscholingsbudgetten en zich pas melden bij het bijstandsloket als de laatste spaartegoeden zijn opgesoupeerd, het huis is verkocht en er geen verdienende partner is. Zij moeten het rooien zonder noemenswaardige sociale bescherming. Zij hebben goed begrepen dat zij het zelf moeten uitzoeken.

Zo heeft de schrale verzorgingsstaat van 2011 langzaam trekken gekregen van een staat van insiders. Overheidsoptreden dient niet langer als correctie van de sociale ongelijkheid, maar negeert of versterkt deze zelfs. Het was onlangs nota bene Dominique Strauss-Kahn, de Franse baas van het Internationaal Monetair Fonds, die waarschuwde voor de economische en sociale gevolgen van groeiende ongelijkheid. Een hoogst opmerkelijke boodschap van een instituut dat niet bekendstaat om zijn sociale antenne. Het zal ook te maken hebben met zijn mogelijke kandidatuur voor het Franse presidentschap, maar Strauss-Kahn maakt een terecht punt. Voorwaarts, progressieven, hervorm de sociale staat in het belang van de outsiders.