Menno Hurenkamp

Staat van Stilstand

Het klinkt onsympathiek, maar de Fransen doen zich in toenemende mate voor als voorspelbare en veelal pathetisch-nationalistische blaaskaken. Ik scharrel soms wat in hun land rond omdat hun eten en drinken me wel bevalt. Maar het dagelijkse bezoek aan de tabac om de kranten door te nemen is telkens een milde schok. Als Pepsi Cola dreigt een Frans bedrijf over te nemen staat het hele land op zijn achterste benen vanwege dit schandelijke vertoon van kapitalisme. Als het Franse bedrijf Pernod een Engelse concurrent overneemt klapt men van links tot rechts tevreden in de handen. Paradoxaal uithangbord van dit ongegeneerde chauvinisme is het «linkse» Le Monde Diplomatique, een veelgeprezen blad vanwege zijn indringende reportages en doorwrochte kritieken. Althans, dat schijnt zo te zijn. Bij nadere studie vind je er vooral betogen van extreem linkse zeurpieten die zeggen nog met Che Guevara aan een waterpijp te hebben liggen lurken en wier enige ambitie is om van alles wat hen niet bevalt – en dat is erg veel – de schuld aan de Verenigde Staten te geven.

Het blad opent standaard met het betoog dat het einde van het Amerikaanse imperium aanstaande is. De argumenten daarvoor zijn meestal dat «de mensen» de grootkapitalistische leugens beu zijn. Als bewijs geldt een historische analogie met – afhankelijk van de bui van de eindredacteur – het Romeinse Rijk of de heerschappij van Djengis Khan. Ook het veel serieuzere Le Monde laat zich niet onbetuigd. Het vermeldt letterlijk in elk artikel over Lance Armstrong, die telkens maar weer hun Tour de France wint, dat de verdenkingen van dopinggebruik door de onverslaanbare Texaan maar niet willen ophouden. Een mooi staaltje nationalistische medialogica.

Dit zijn wat platte voorbeelden, maar het gebrek aan een open blik op politieke kwesties – van de Europese Unie en de euro tot de integratie van migranten – is indringend. Van links komt politiek correct gedram dat de moslims in de voorsteden vooral zielig zijn, of verkapt triomfantelijke stukken over de Engelse politie die een onschuldige Braziliaan voor een terrorist aanzag en dus doodschoot. Op rechts staan de hakken in het zand over de Europese vermolmde landbouwpolitiek, waar zeker niets aan mag veranderen. Ondertussen lijkt er nauwelijks een politicus te vinden die niet achtervolgd wordt door vermeende betrokkenheid bij een of andere corruptieaffaire. Raadsel achtig is hoe dit land nu een voortrekkersrol zou kunnen spelen bij het zoeken naar uit wegen uit de crisis van de Europese Unie.

Het is deze week precies tweehonderd jaar geleden dat Alexis de Tocqueville werd geboren, de Fransman die in 1831 naar Amerika ging om in opdracht van de regering ter plekke te bestuderen hoe de toen nog jonge Verenigde Staten functioneerden. Dat leverde een onpretentieuze maar erg scherpzinnige studie op over democratie en hoe de Amerikaanse burgers daar vorm aan gaven. De la démocratie en Amérique is nog altijd een standaardwerk over wat nu heet participatie en sociale cohesie. Het vertelde de Europeanen, op dat moment bezig met het terugdraaien van de politieke vernieuwingen van de Verlichting, dat ze reddeloos ouderwets dachten en handelden. Het zou de Fransen – en ons vast ook – goed doen als ze het Tocqueville-jubileum aangrepen om weer eens wat van hun mensen de wereld in te sturen. Niet per se naar de Verenigde Staten, de frisse buitenlucht volstaat.