Economie

Staatsbank

We spreken vijf jaar na de crisis en nog immer zijn twee van de vier grootbanken in staatshanden. Geen slecht gemiddelde. Maar hopelijk, zo geeft de minister deze week in zijn bankenvisie aan, kan het bankwezen zich binnenkort ontworstelen aan deze zichtbare hand van de overheid. ‘Het kabinet is van mening dat de financiële instellingen in handen van de staat beter verkocht kunnen worden’, aldus Jeroen Dijsselbloem. ‘Blijvend staatsaandeelhouderschap verstoort de concurrentieverhoudingen in de sector.’

Klaarblijkelijk zijn deze begrippen zo ingeburgerd dat ‘gezonde concurrentieverhoudingen’ en ‘een gelijk speelveld’ bijna een doel op zich zijn geworden. Een ‘gelijk speelveld’ is echter alleen wenselijk als het uitvloeisel van het gespeelde spel is dat de financiële sector haar voornaamste taken beter uitvoert. Maar dat was niet het geval in het gelijke speelveld vóór de crisis. Banken speelden een macaber spelletje waarbij ze megalomane winkelcentra op obscure locaties financierden; projectontwikkelaars die bij veertien procent leegstand nog meer vierkante meters uit de grond pompten faciliteerden; en de woningmarkt onderdompelden in een vloedgolf aan krediet.

Met zo’n erbarmelijke staat van dienst mag men zich afvragen waarom we eigenlijk zo graag banken terug willen brengen in private handen. De reden is simpel: de bankier mag dan een slechte naam hebben, de staatsbureaucraat heeft een nog groter pr-probleem. Dat is niet terecht, want staatsbanken hebben in de rijke Nederlandse financiële geschiedenis een belangrijke rol gespeeld. Welbewust gebruikte de overheid na de Tweede Wereldoorlog staatsbanken om de stroom van krediet richting productieve investeringen te sturen.

De NMB, een bank die zich primair richtte op het midden- en kleinbedrijf (MKB), was ontstaan in de jaren twintig. Tientallen middenstandsbanken verspreid over het land en verdeeld in drie zuilen moesten in die jaren met overheidssteun op de been worden gehouden. De jonge ambtenaar Johan Willem Beyen, die later minister van Buitenlandse Zaken zou worden, werd aangesteld om orde op zaken te stellen bij de middenstandsbanken. Beyen constateerde al snel dat deze zich moesten verenigen wilde het bedrijf kunnen voortbestaan. Een taak die hij met groot succes volbracht. ‘Zonder JWB geen NMB’, constateert J. Stoffer in zijn studie naar het ontstaan van de NMB. Vreemd genoeg wilde Beyen, zolang crediteuren nog moesten vrezen voor hun gelden, geen cent vergoeding ontvangen voor zijn twee jaar aan noeste arbeid. Een opmerkelijk contrast met de bestuursvoorzitters van onze huidige staatsbanken.

De Nederlandse staat was door haar staatssteun in de jaren twintig al deels eigenaar geworden van de NMB en dit aandeel was door de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog nog eens uitgebreid. Na de oorlog had de Nederlandse middenstand grote moeite om bij reguliere banken krediet te verkrijgen, vooral kredieten met een langere looptijd. Een onwenselijke toestand, zo oordeelde de regering in haar middenstandsnota. ‘Het is evident dat de middenstand niet het slachtoffer mag worden van een organisatie der credietverlening, die niet berekend is op de voorziening in bepaalde belangrijke vermogensbehoeften.’ Om dit probleem te verhelpen werd de NMB ingezet om het MKB te ondersteunen. Niet alleen verleende de bank zelfstandig krediet, bij riskante kredieten kon de NMB bovendien aanspraak maken op een staatsgarantie. Zo kon het MKB in de moeilijke naoorlogse jaren zijn productieapparaat uitbreiden zonder uitgeknepen te worden door zijn financiers.

De Middenstandsbank boekte flinke successen, maar viel qua omvang in het niet bij de andere grote staatsbank, de Nederlandse Herstelbank, opgericht in 1945. Die verschafte vooral krediet ‘op langere termijn’, financieringen die ‘niet tot het eigenlijke terrein van het reguliere bankwezen behoren’. Het startkapitaal van de bank was met driehonderd miljoen gulden omvangrijker dan die van de vijf grootste handelsbanken bij elkaar.

Hoewel velen in het begin wantrouwend stonden tegenover de Herstelbank en vreesden dat de bank een felrood gekleurd Trojaans paard was dat een politiek van ‘koude socialisatie’ voorstond, bewees de Herstelbank door de jaren heen zijn waarde. De bank vervulde een essentiële rol bij het herstel door exportbevorderende en importverminderende investeringen te financieren. Met name de chemische industrie en de metaalnijverheid konden in de jaren veertig en vijftig profiteren van het goedkope langetermijnkrediet van de Herstelbank.

‘Wanneer wij uit de afgrond zijn verrezen en thans weder van welvaart in ons land mogen spreken, behoeft een overzicht van de bijdragen die de Herstelbank aan dit Nederlandse wonder heeft geleverd, geen rechtvaardiging, ja is zij in het oog der historie welhaast geboden’, zo stelde de directeur van de bank Joost Posthuma in 1955 trots.

Staatsbanken hebben, vooral in het naoorlogs herstel, een belangrijke rol gespeeld. Nu de kredietloketten voor middenstanders opnieuw sluiten en broodnodige investeringen in duurzame energie uitblijven, is het zinvol deze geschiedenis te herinneren. Vergeet het ‘gelijke speelveld’. Een gespecialiseerde staatsbank, mits goed georganiseerd, kan van grote waarde zijn voor Nederland.