H.J.A. Hofland

Staatsgreep in het afvoerputje

Nederland is het afvoerputje van Europa. Dit is een slap land. Met een laf volk. Geen wonder dat de Duitsers het in 1940 binnen vier dagen onder de voet hadden gelopen. We wonen hier met bijna zestien miljoen mensen van wie de zeer grote meerderheid rustig wil leven, maar we laten toe dat een handjevol extremisten het verpest. Het vrije woord is in gevaar. Als de politie niet voor onze veiligheid kan zorgen, stuur dan het leger de probleem wijken in. Dan maar met een tank erop af. Er moeten meer gevangenissen komen. De linkse kerk heeft genoeg over tolerantie geleuterd. Als we nu niet keihard handelen, openen we de deur naar de escalatie. De mensen worden er rijp voor, en als het eenmaal zover is, zijn we nog verder van huis.

Een jaar of vijf geleden moest je naar het buurtcafé om deze opvattingen te horen. Vandaag neem je de zaterdagbijlage van een kwaliteitskrant, leest een interview met een aanstormende politicus, een column van niet de eerste de beste opiniemaker en negen van de tien keer tref je een maatschappij filosofie die in meer dan alleen de grote trekken met de hierboven gegeven samenvatting overeen komt. Het gaat nu niet om de waarde van de inhoud. Ik stel alleen vast dat de mening van het buurtcafé tot de hoogste regionen van het Nederlandse denken is doorgedrongen.

Vorig jaar november heb ik in NRC Handelsblad een column geschreven, met als kop «Staatsgreep». Daarin heb ik uitgelegd dat het nog niet zo ver is, maar dat Nederland wel rijp wordt voor zo’n machtsovername. We hebben een zwakke regering. In de publieke opinie is angst voor de verborgen vijand een overwegende factor. Hoe sterk deze vijand is, weten we niet. Maar wel dat hij meedogenloos is en, wordt ons verzekerd, hier een radicale moslimstaat wil stichten. De politie biedt niet genoeg bescherming en de geheime dienst is geïnfiltreerd door deze tegenstander. Fatsoenlijke burgers worden uit hun huis weggepest. Bekende Nederlanders in de politiek zijn zo bang geworden, dat ze het raadzaam hebben gevonden om onder te duiken. Een van de bekendste is zelfs per regeringsvliegtuig naar Amerika gebracht. Vooraanstaande denkers denken: liever blo Jan dan dô Jan. Ze weigeren nog in het openbaar te spreken.

Met de economie gaat het ook niet goed. Van tijd tot tijd wordt een geval van grootschalig bedrog in het bedrijfsleven of de overheid onthuld. Aan de grootste nationale projecten, Betuwelijn en HSL, liggen verkeerde prognosen ten grondslag. Door wanbeheer van Dick Advocaat is ons het voetbal kampioenschap ontgaan. Zoals het Sociaal Cultureel Planbureau wetenschappelijk heeft vastgesteld, houdt een meerderheid zich ervan overtuigd dat het op lange termijn «alleen maar minder» kan worden. Dat is de nationale situatie. Geen wonder dat we een mistroostig, knorrig volk zijn geworden.

Maar er is een troost: de televisie. Onder leiding van dit medium kunnen we ons onder bepaalde omstandigheden nog één voelen. Meestal gebeurt dat door onze drang tot het verrichten van een goed werk. Het is begonnen in 1962 met Open het Dorp, waarin Mies Bouwman de kijkers aanspoorde om met een lucifersdoosje waarin tenminste een tientje naar de RAI te gaan. Gireren mocht ook. De 26ste november van dat jaar is een historische datum geworden. Daarna hebben we van veel volken de hongersnood helpen lenigen, andere bijgestaan na aardbevingen, de Russen de winter door geholpen. Nog meer. Nederland is prijzenswaardig. Voorbeeldig hulpvaardig.

Triomfen in de sport laat ik buiten beschouwing. Die worden al gevierd sinds de sport bestaat. Met het entertainment gaat het pas werkelijk goed sinds Joop van de Ende zich ermee ging bemoeien: Big Brother, Idols. Toen werden het verdriet en de rouw op de televisie ontdekt. Recente voorbeelden zijn prinses Juliana, André Hazes en prins Bernhard. Overal in de wereld komen op gezette tijden veel mensen bij elkaar, op een plein, voor een paleis, een kerk. Dat is al eeuwen zo. Maar er zijn weinig landen waar de mensen zich zo snel in zulke grote aantallen kunnen verzamelen als in Nederland. Hier woont het minst televisiebestendige volk van de westelijke wereld.

Wat heeft dat met de staatsgreep te maken? Bij de begrafenis van P. Fortuyn hebben we voor het eerst de mengvorm gezien: van droefheid, rouw en politieke manifestatie. De volgende was onlangs op de Dam, de herdenking van Theo van Gogh. Het grote nationale vraagstuk dat Fortuyn wilde oplossen en dat door Hirsi Ali en Van Gogh opnieuw is gedefini eerd, be staat nog. De kamerleden Wilders en Eerdmans willen het nu proberen, volgens de peilingen met steun van een kwart tot een derde van de kiezers. Maar de volgende verkiezingen zijn pas over twee jaar.

Gesteld dat een nog niet door de AIVD opgespoorde gek er morgen in slaagt welke politieke voortrekker van dit moment dan ook zelfs met niet meer dan een schampschot te raken. Wat dan? In dat geval komt het automatisme van de televisie in werking. Het hoeft niet meteen op grootscheeps geweld uit te draaien. Denk aan de Oekraïense oplossing. Een heel volksdeel, uit alle windrichtingen, stapt in de auto en rijdt naar Den Haag. Zo ontstaat de grootste opstopping aller tijden. Die wil iedereen zien. Men kan niet meer naar huis. Hulpvaardige omwonenden brengen koffie en brood. Dat komt ook op de televisie. Enzovoort. De slappe regering durft niet in te grijpen. Dat is dan de ouverture tot de Nederlandse staatsgreep. Een televisiestaatsgreep.

Lang geleden is er een film gemaakt over wat er zou gebeuren als er een atoombom op de Dam ontplofte. Dat was toen, heel in de verte, denkbaar. Op dezelfde manier is nu zo’n televisiestaatsgreep denkbaar. Maak er een film over.