Staatsjoden

‘Tunis is een joodse stad’, schreef Guy de Maupassant een eeuw geleden. Anno 1997 wonen er nog maar achthonderd joden. En die vergrijzen snel. Maar Tunesië is zuinig op hen.
WE STAAN VOOR de ingang van het joodse bejaardentehuis in Tunis. De poort zit potdicht. Na enig gerammel verschijnen er wat verbaasde, grijze hoofdjes voor de ramen. Bezoek komt hier zelden of nooit, of het zou de begrafenisondernemer moeten zijn. Plotseling komt er een vrouw op ons af. ‘Ik ben de directrice’, zegt ze pinnig. ‘Wat kan ik voor u doen?’

‘Wij zijn hier op uitnodiging van het Tunesisch Verkeersbureau’, antwoorden we bedeesd. 'We zijn op zoek naar het joodse erfgoed in uw land. Nu wilden we graag een praatje maken met de bewoners van het tehuis, over vroeger en zo.’
'Nee, nee’, bitst ze, 'u mag beslist niet naar binnen. De oudjes staan nu onder de douche en lopen halfnaakt en ongekamd rond, komt u volgende week maar terug.’ Uit alle ramen hangen nu bejaarden. Ze gebaren dat we binnen moeten komen. Een vrouw in nachtjapon komt naar het hek en bietst sigaretten. 'Mijn zoon woont in Canada’, zegt ze, 'hoe heet die stad ook weer?’ Ze klaagt over het eten en weet niet meer wanneer ze voor het laatst buiten is geweest. 'Die is niet helemaal goed snik’, fluistert de directrice. De persoon in kwestie schreeuwt dat ze helemaal niet gek is. Steeds meer oudjes verdringen zich voor de poort. De directrice is onvermurwbaar. Het joodse bejaardentehuis in Tunis zal zijn geheimen niet prijsgeven.
GUY DE MAUPASSANT reisde aan het einde van de vorige eeuw door Tunesië en schreef: 'Eigenlijk is Tunis noch een Franse stad, noch een Arabische stad. Tunis is een joodse stad. Het is een van die zeldzame plekken in de wereld waar de jood zich thuis lijkt te voelen als in een vaderland, waar hij bijna openlijk heer en meester is en een kalme zelfverzekerdheid uitstraalt, al bibbert hij nog wel een beetje.’
Anno 1997 wonen er nog achthonderd joden in Tunis. De stichting van de staat Israel, de Tunesische onafhankelijkheid in 1956 en de verschillende Arabisch-Israelische oorlogen leidden tot de al dan niet gedwongen uittocht van 100.000 Tunesische joden naar Frankrijk, Canada en Israel. Oude Tunesiërs in Israel spreken nog steeds vol weemoed over hun bakermat waar, als je ze geloven mag, alles beter was. Door het asjkenazische establishment werden de nieuwe immigranten in de gribus van Tel Aviv of in spooksteden als Bersheva en Dimona gedumpt. Uitgerekend in Dimona zou later de eerste Israelische kerncentrale verrijzen. De treurigheid van de massale uittocht is aangrijpend verwoord in 'Adieu mon pays’ van de Algerijns-joodse zanger Enrico Macias. De achtergebleven joden werd het vuur na aan de schenen gelegd tijdens de Zesdaagse Oorlog in 1967, toen synagoges en joodse winkels werden vernield en geplunderd door woedende meutes. Een nieuwe exodus volgde.
In totaal verlieten 400.000 joden Noord-Afrika en kwam er een abrupt einde aan de eeuwenlange aanwezigheid van joden in de Maghreb. Op dit moment wonen er in geheel Noord-Afrika nog 22.000 joden, waarvan 20.000 in Marokko. In Algerije en Libië vormen begraafplaatsen de laatste tastbare herinnering aan het joodse verleden.
De toch al zo kleine joodse gemeenschap in Tunis heeft te kampen met vergrijzing. Alleen in het Chabad-huis aan de Palestina-straat heerst een opvallende vitaliteit. In een van de tien klaslokalen geeft een stokoude maar enthousiaste rabbijn bijbelles aan twintig joodse jongens. Na de les maakt rabbijn Pinson een chassidisch dansje en de leerlingen huppelen en zingen uit volle borst mee.
Pinson is met zijn zwarte pak, zwarte hoed en grote grijze baard op zijn zachtst uitgedrukt een vreemde verschijning in het mediterrane Tunis. De in Rusland geboren rabbijn woont al 37 jaar in Tunis en is een man met een missie. Chabad - de afkorting van Chochmah (wijsheid), Binah (inzicht) en Da'ath (kennis) - is een uit Oost-Europa afkomstige chassidische stroming waarvan het hoofdkantoor zich sinds de Tweede Wereldoorlog in New York bevindt. Wijlen rabbijn Menachem Schneerson, ook wel de Lubavitcher Rebbe genoemd, was de charismatische leider van Chabad. In de hal van het complex hangt zijn portret gebroederlijk naast het onvermijdelijke portret van de Tunesische president Ben Ali.
Het leiderschap van Chabad werd overgedragen van vader op zoon. Schneerson stierf echter kinderloos, waardoor de beweging sinds zijn dood geen leider meer heeft. De goede werken van zijn volgelingen - liefdadigheid is een van de pilaren van de beweging - gaan echter onverdroten door. Overal ter wereld bevinden zich Chabad-huizen waar gratis les wordt gegeven en gratis eten en onderdak wordt verschaft. Niet zonder reden overigens. De chassidim van Chabad kijken reikhalzend uit naar de komst van de Messias, en daarom is het zaak om zo veel mogelijk dolende joden op tijd terug te brengen naar hun wortels. Goyim (niet-joden) hebben hun eigen Eindtijd en komen daarom in principe niet in aanmerking voor de gastvrijheid van Chabad.
Niet alleen islamitische Tunesiërs zullen rabbijn Pinson stomverbaasd aanstaren als hij over straat loopt, ook binnen de joodse gemeenschap van Tunis heerst verbazing. Pinsons traditionele kostuum werd meer dan tweehonderd jaar geleden in de shtetls van Oost-Europa tot de officiële dracht van de chassidim uitgeroepen.
Eerder die dag bezochten we Chaim Madar, de opperrabbijn van de stad. In het Arabisch en gebroken Hebreeuws liet hij weten niet erg gecharmeerd te zijn van de zonderling uit Rusland. President Ben Ali vond hij daarentegen een prima vent. 'Ik hou zo veel van die man’, zei hij vol ontroering en wees naar het enorme portret van de president aan de wand van zijn kantoor. De meeste leden van de joodse gemeenschap in Tunis zul je sowieso niet snel horen klagen. Te pas en te onpas heffen ze, net als niet-joodse Tunesiërs overigens, de lofzang over president Ben Ali aan. 'Bidt voor het welzijn van de overheid’, leert de oeroude Mishna, de grondslag van de Talmoed, 'want als de mensen haar niet zouden vrezen, zouden ze elkaar levend opeten.’
HET GEBED VAN rabbijn Pinson en rabbijn Madar zal ongetwijfeld gehoord zijn, want de joodse instellingen worden permanent bewaakt door het Tunesische leger. De president is zuinig op zijn joden.
Het welzijn van de Tunesische joden is altijd in hoge mate afhankelijk geweest van de Tunesisch-Israelische verhoudingen. Tunesië hield zich afzijdig in de Arabisch-Israelische oorlogen en stimuleerde tot op zekere hoogte de emigratie van Tunesische joden naar Israel. In 1965 bezocht president Bourgui ba een Palestijns vluchtelingenkamp in Jordanië en zei daar in een toespraak dat de Arabische staten het bestaan van Israel moesten erkennen en dat het conflict kon worden opgelost door het uitroepen van een joodse en een Palestijnse staat. Bourguiba hield weinig rekening met de sentimenten van zijn onderdanen, die aanzienlijk minder gematigd dachten. Tijdens de Zesdaagse Oorlog stond het volk massaal achter de Egyptische president Nasser, terwijl Bourguiba Nasser verweet het Palestijnse volk te gebruiken voor zijn eigen ambities.
Na de Zesdaagse Oorlog in 1967 begon Bourguiba de PLO te steunen, in de hoop dat Israel daardoor de bezette gebieden weer terug zou geven. In 1982 streek de PLO, nadat de strijders van Arafat door het Israelische leger uit Libanon waren verdreven, neer in Tunis. De Tunesische regering ontving de PLO met open armen. Het ambtelijk apparaat van de PLO dijde gestaag uit en was een zegen voor de Tunesische economie. In 1987 stuurde generaal Zine el-Abidine Ben Ali de stokoude en dementerende president Habib Bourguiba naar huis.
Sinds die vreedzame coup is Ben Ali de enige kandidaat voor het presidentschap en wordt hij, geheel overeenkomstig de Arabische traditie, steevast met 99,9 procent van de stemmen gekozen door zijn trouwe onderdanen. Ben Ali zette de Midden-Oostenpolitiek van Bourguiba voort en ondersteunde de Oslo-akkoorden. De in Tunesië geboren Nissim Zvilli, secretaris-generaal van de Israelische Arbeiderspartij, stond aan het hoofd van de eerste Israelische delegatie die Tunis bezocht. Het bezoek leidde tot bescheiden diplomatieke contacten tussen Israel en Tunesië. Bovendien werd het reizen tussen beide landen mogelijk gemaakt. Eens per jaar trekken duizenden Israeli’s van Tunesische oorsprong naar het eiland Djerba, waar de pelgrimstocht naar de eeuwenoude Ghriba-synagoge plaatsvindt.
Djerba wordt ook wel het Jeruzalem van Noord-Afrika genoemd. De legende wil dat de eerste joden op Djerba aankwamen ten tijde van koning Salomons heerschappij. Een familie van priesters zou vervolgens in het jaar 70 van de christelijke jaartelling uit Jeruzalem zijn gevlucht en een van de tempeldeuren naar Djerba hebben overgebracht. Die tempeldeur zou vervolgens een plek hebben gekregen in de Ghriba-synagoge, de belangrijkste joodse plek op Djerba. Er leven nu nog duizend joden op Djerba, verspreid over twee dorpen.
DE BINNENLANDSE vlucht van Tunis naar Djerba geeft de pelgrimage een bijzondere dimensie. Schokkend kiest het wrak het luchtruim. Roken is verboden op binnenlandse vluchten, maar iedereen paft zich suf. De stewards zeggen niets. Iedereen zucht opgelucht als het toestel een uur later hortend op het vliegveld van Djerba landt. Niets staat een geslaagde pelgrimage nu nog in de weg.
De meeste Israelische pelgrims verblijven in hotel Aquarius Club, in de toeristische zone van het eiland. Het hotel is veranderd in een vesting. Je kunt alleen op uitnodiging naar binnen en iedereen wordt gefouilleerd. Die stringente veiligheidsmaatregelen zijn niet overdreven, ook al meldt de brochure van het Tunesisch verkeersbureau dat de joden van Djerba altijd in 'alle rust, in wijsheid en in broederschap hebben samengeleefd met de andere bewoners van het eiland’. In 1979 werd een synagoge op Djerba gesloopt door een meute moslims. In 1985 ledigde een politieman zijn machinegeweer in de Ghriba-synagoge. Kort daarvoor had de Israelische luchtmacht het hoofdkantoor van de PLO in Tunis met de grond gelijk gemaakt. Meer dan 70 mensen stierven tijdens het bombardement, en de agent, die de synagoge juist diende te bewaken, meende wraak te moeten nemen. Drie joden overleefden de aanslag niet.
Na het bloedbad dat Baruch Goldstein aanrichtte in de moskee in Hebron verspreidde de Tunesische onderwijzer Ahmed Khalaoui pamfletten waarin werd opgeroepen tot een gewelddadige confrontatie met joden waar dan ook ter wereld, om te beginnen in Tunesië. Khalaoui riep op tot een boycot van conferenties en wetenschappelijke projecten waaraan joden deelnamen en eiste een boycot van joodse middenstanders en zakenlieden in Tunesië. Tenslotte hield hij een pleidooi voor het molesteren van de joden op Djerba. Khalaoui kreeg twee jaar gevangenisstraf en een fikse geldboete.
De moslimfundamentalisten in Tunesië hebben het vooral gemunt op het toerisme, een van de belangrijkste inkomstenbronnen. In 1987 ontploften bommen in hotels in Sousse en Monastir en raakten twaalf buitenlanders gewond. Het MTI, de beweging van de Islamitische Tendens (de Tunesische variant van het Algerijnse FIS) werd verantwoordelijk gesteld voor de aanslagen. Bourguiba eiste de doodstraf tegen MTI-leider Rashid Ghannouchi. Die verliet Tunesië op het nippertje en leeft sindsdien in ballingschap in Engeland.
President Ben Ali is doodsbang dat het geweld in buurland Algerije overslaat naar Tunesië en onderdrukt alles wat naar fundamentalisme riekt met harde hand. Volgens Amnesty International zijn er tenminste achtduizend politieke gevangenen in Tunesië, waaronder behalve moslimfundamentalisten ook aanhangers van de verboden Communistische Arbeiderspartij.
DE PARANOIA gaat ver. Vijf jaar geleden reisde ik over land van Algerije naar Tunesië. Bij de Tunesische grenspost werden mijn boeken over het Algerijnse fundamentalisme en het FIS (het Islamitische Reddingsfront) vol afschuw bekeken door de douane. Een pakket porno had minder opschudding veroorzaakt. Uiteindelijk werden de boeken in beslag genomen. Ik moest mij vervoegen bij een vaag ministerie in de hoofdstad, een paar honderd kilometer verderop, daar schriftelijke toestemming aanvragen en vervolgens weer terugreizen naar de grenspost om de boeken op te halen. Als ze niet verbrand zijn, liggen de boeken er nu nog.
De angst voor aanslagen tijdens de joodse processie op Djerba is groot. De omgeving van de Ghriba-synagoge is veranderd in een soort legerbasis en het wemelt er van de veiligheidsagenten. Tijdens de middagpreek hebben de imams van Djerba de gelovigen opgeroepen tot tolerantie ten aanzien van de joodse pelgrims. Rond de synagoge is het een heksenketel. In het belendende gemeenschapscentrum kun je voor een luttel bedrag een kamer huren. De kleine kamers worden bevolkt door complete families. De menorah die door de pelgrims naar een nabijgelegen joods dorpje zal worden gedragen, wordt opgetuigd met spiegels en andere frutsels. Joodse bedelaars die we eerst in Tunis tegenkwamen, blijken genoeg geld te hebben opgehaald om een ticket naar Djerba te kunnen kopen. Vandaag doen ze goede zaken, want het is feest.
De Israelische toeristen produceren een hels kabaal. De mannen lopen in korte broeken, de vrouwen in korte rokken en shirts zonder mouwen. De beroemde rabbijnen van Djerba zouden zich in hun graf omdraaien als ze dit zouden zien.
De Tunesische verslaggevers, die ieder jaar opnieuw het spektakel van Djerba moeten verslaan, geeuwen van verveling. Rond het middaguur zitten ze allemaal aan het bier. Sinds Yasser Arafat en zijn ambtenaren Tunesië hebben verlaten is er voor hen niets meer te doen. In Tunesië gebeurt namelijk niets. Het begrip persvrijheid is onbekend. In de Arabische en Franstalige dagbladen wordt nauwkeurig vermeld hoe laat de president gisteren zijn plasje deed. En geheel in de traditie van de Arabische democratie opent het tv-journaal steevast met beelden van Ben Ali die die dag een gesprekje heeft gevoerd met de consul van Mauretanië of een hoogwaardigheidsbekleder van een ander belangrijk land.
Alleen Noureddine lijkt optimistisch. Hij zegt dat hij vandaag een wereldreportage gaat maken. 'Er hangt iets in de lucht’, zegt hij geheimzinnig, 'maar dat kan ik je pas later vertellen.’ Tijdens de processie wordt Noureddine, die er met zijn zonnebril, snor en een verkeerd zittend pak op zijn minst verdacht uitziet, onafgebroken lastiggevallen door de Tunesische geheime dienst. Tegen het einde van de middag is de rust weergekeerd rond de synagoge, de sabbat nadert. Op de journalisten na is iedereen vertrokken. Noureddine is dronken en staart vertwijfeld naar zijn kletsnatte notitieblok. 'Volgend jaar weer hè, jongens’, bromt hij cynisch en loopt naar zijn auto. Zijn journalistieke hoogtepunt zit er weer op.
DE PELGRIMAGE op Djerba trok dit jaar tussen de zes- en achtduizend bezoekers en is daarmee een toeristische attractie van de eerste orde geworden. Beelden van de processie werden uitgezonden door CNN, en Tunesië bevestigde zijn discutabele reputatie een verlicht land te zijn, een eiland van beschaving te midden van barbaren. De kleine joodse gemeenschap in Tunesië is beter af dan bijvoorbeeld de joodse gemeenschappen in Irak of Syrië. Diogenes liet ooit in een portret van de joodse gemeenschap in Bagdad - ten tijde van de Golfoorlog - zien hoe de rabbijn een speciaal gebed voor het welzijn van Saddam Hoessein opzei. De joden van Damascus gaan jaarlijks de straat op voor een protestdemonstratie tegen de gruwelen van het zionisme, zwaaiend met posters van Hafez al Assad. Tunesië is geen Irak of Iran. De joden in Tunesië hebben het niet slecht en kunnen in alle vrijheid hun geloof praktiseren. Het gevaar bestaat echter dat de pelgrimage op den duur tot een puur commerciële aangelegenheid wordt gedevalueerd en dat de laatste joden van Djerba een bezienswaardigheid en een curiositeit worden.