Media

Staatskundig nietsisme

Het mag een wonder heten dat Nederlanders het Wilhelmus nog altijd als het nationale volkslied beschouwen. Het is een wonder vanwege de tekst die spreekt van Duits bloed dat door onze aderen stroomt, een koning van Spanje die altijd geëerd zal worden, ons aller pogingen ‘in Godes vrees te leven’ en de benaming die wij onszelf geven: ‘arme schapen/ die zijt in groten nood’.

Dit alles is verbazingwekkend omdat naoorlogs Nederland (dat vlak tevoren, in 1932, dat Wilhelmus tot volkslied had uitgeroepen) gebouwd is op weerzin tegen alles wat Duits heet. Omdat de Nederlandse natie juist ontstaan is uit verzet tegen de koning van Spanje. Omdat Nederlanders al decennia lang hun uiterste best doen zich van God en zijn dienaren zo weinig mogelijk aan te trekken. En tot slot omdat we onszelf als zelfstandige individuen beschouwen die geen herder behoeven. De man of vrouw mag er zijn, maar graag op afstand.

Nu kun je zeggen dat het wonder minder groot is dan het lijkt omdat geen mens het Wilhelmus kent. De eerste regel wel, de tweede en de derde wellicht ook nog, maar voordat het ‘blijf ik tot in den dood’ intreedt en de koning van Hispanje verschijnt zijn 99 van de honderd Nederlanders al overgeschakeld op gehum. In dat gehum schuilt echter wel een verlangen: samen iets te zijn. Je ziet het aan de plechtstatige cq. ontroerde gezichten bij officiële gelegenheden. Dat er iets gebeurt of dat mensen willen dat er iets gebeurt. Muziek en tekst, zo luidt de stilzwijgende veronderstelling, zouden beter dan wat ook in staat zijn dat ‘iets’ op te roepen. Vandaar ook dat gedoe rond het koningslied. Als we dat maar hebben, zo lijkt het, dan komt de rest vanzelf.

Maar ja, wat is dat iets – en wat de rest? Een en ander heeft in ieder geval niets van doen met hetgeen in het Wilhelmus bezongen wordt: een Duitse geest onder Spaans gezag die zich godvrezend en als een mak schaap door de tijd laat leiden. Wat dan wel?

Dezelfde vraag heeft onze voorouders beziggehouden. Ook zij kwamen er niet uit. Staatkundig niet. Muzikaal niet. Taalkundig niet. Vermakelijk in dat verband is de hutspot tijdens de kroning van Wilhelmina, september 1898. Het op dat moment officiële Nederlandse volkslied was Wien Neêrlandsch bloed van Tollens. Dat lied was ontstaan kort na de stichting van het koninkrijk, maar was nooit aangeslagen. Misschien ronkte het te veel (maar doet het Wilhelmus dat niet ook?), misschien was het te bedacht (‘Dring luid… Die beê uw hemel in’) maar het was zeker te monarchistisch en, opmerkelijk, te racistisch: ‘Wien Neêrlandsch bloed in de aders vloeit,/ Van vreemde smetten vrij’. Vooral deze laatste regel, bedoeld als sneer naar de Fransen, was in een land dat op het punt stond een koloniaal rijk te veroveren en dat ‘arme zwartjes’ (+ Belgen) het gevoel moest geven dat ze erbij hoorden, niet handig. Het verklaart mede dat gedurende heel de negentiende eeuw ook het Wilhelmus werd gespeeld (en soms gezongen) – ten onrechte, want het was eigenlijk het lied van de Oranjes, niet dat van de natie. Maar Wien Neêrlandsch bloed was in 1898 niet te horen, het Wilhelmus wel en ook nog een andere compositie op de tekst daarvan, namelijk de Prinsenmars: een vrolijke, achttiende-eeuwse melodie die nogal eens in plaats kwam van de oorspronkelijke zestiende-eeuwse, heel wat minder vrolijke, ons bekende Wilhelmus-melodie. Al deze omhaal geeft al aan dat het tussen muziek, Nederland en Oranje slecht boterde. En eigenlijk heeft het dat altijd gedaan. Zo vond ik onlangs bij toeval een vermakelijke tekst in Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië van 12 juli 1904, opgetekend door K.W., oftewel hoofdredacteur K. Wybrands. Hij bevat een scherpe kritiek op de onderdanen van Wilhelmina die in de koloniën met rebellen wel raad wisten: ‘Wilhelma van Nassouwe,/ Ziet gij dien heldenstoet?/ Zij schoten op de vrouwen,/ En drenkten ’t land met bloed. / De kwasten der banieren,/ Zijn darmen van een kind…/ Licht dat Ge aan hun rapieren,/ Nog vrouwen­haren vindt.’

Dat is niet bepaald een tekst die herinnerd moet worden tijdens het Wilhelmus-gehum. Maar dat van die Duitsers, Spanje, God en schapen is ook niet handig en andere Wilhelmus-varianten, zoals die van de vaderlandse hoeren die zich beklaagden over de Spaanse armoedzaaiers (‘Wilhellemussie van Nâhassouwen,/ Zijt gij van Duihuihuitsen bloed?/ De elleboog door de mouwen,/Het haar al door de hoed’) of van de haat van de protestanten tegen de paap (‘Hij wil ons overvleugelen,/ En door zijn Bisschopsschaar,/ Als ketters wreed beteugelen,/ Als voor drie-honderd jaar’) zijn in 2013 evenmin bruikbaar. Dat hele lied dan maar afschaffen en vervangen door een koningslied? Maar welk iets moet daar dan in staan?

Nee, het minste wat je kunt opmerken is dat het tussen Nederland, Oranje en de muziek nooit goed is gegaan. Het is veelzeggend.