Staatssecretaris, doe het niet!

Een bewindsman/vrouw die van overheidswege de cultuur krijgt toegewezen hoort deze betrekking pas te aanvaarden na de toezegging dat het budget ten minste zal worden verdubbeld. In de praktijk betekent dit trouwens een stijging van 0,2 naar 0,4 procent, een bedrag dat elke rijksbegroting kan verdragen.

Een dergelijk verzoek is door geen der naoorlogse cultuurministers gedaan. Een echte cultuurdrager heeft zich trouwens nooit tot een dergelijke betrekking aangetrokken gevoeld. Ook in de personele bezetting is het cultuurministerie altijd een sluitpost geweest, of het nu christenen of sociaal-democraten betrof. De socialistische partijhistorici hebben een zekere neiging G. van der Leeuw te heroiseren, een man die inderdaad een zekere visie had en dus slechts een jaar regeerde. Zijn christelijke collega Marga Klompe is inmiddels, door rechts en links, zelfs tot een soort halve heilige gecanoniseerd. De geschiedenis zal leren dat zij een ongetwijfeld kordate katholieke dame was, wier artistieke horizon bestond uit Bachs ‘Jesus, Joy of Mans Desiring’, eigenhandig gepingeld achter haar piano.
Een paar kabinetten later kwam de cultuurportefeuille in handen van de socialist Andre van der Louw. Hij schreef een nota over het onderwerp 'de vrijheid van de kunst’. De daarin vastgelegde ideeen hadden niets met vrijheid en alles met bestuurlijke dwangneurosen te maken. Een citaat: 'Kunstenaars moeten inzetbaar zijn in allerhande culturele en sociale processen. Waarom zouden socialisten kunstenaars niet mogen vragen een deel van hun talenten daartoe in dienst te stellen?’
Waarom niet?
Daarom niet!
Gelukkig viel dit, voor intern gebruik bestemde discussiestuk nog net op tijd in handen van de 'onverbeterlijke schuinschrijver’ (dixit Van der Louw) Gerrit Komrij, die de bewindsman op kleutertoon probeerde uit te leggen dat een socialistisch cultuurbeleid zal moeten uitgaan van het onvervreemdbaar recht van een kunstenaar om niet-socialistisch te zijn, laat staan dat hij onder politietoezicht kan worden gedwongen een socialistisch-realistisch portret van Willem Drees of Wim Kok te vervaardigen.
'Socialistische cultuurpolitiek’, schreef ooit Jan Rogier, 'is tot op heden gekenmerkt door twee opvallende eigenschappen: het verwaarlozen van de bourgeoiscultuur als het al geen verwerping ervan inhield, en het falen in het bieden van een socialistisch alternatief. Het valt dus niet moeilijk te raden wat de geemancipeerde arbeiders voor een culturele bagage hebben meegekregen: old finish en de Bonte Dinsdagavondtrein.’
Dat was ergens halverwege de jaren zestig, toen 'de verbeelding aan de macht’ leek te komen. In werkelijkheid werd de macht gegrepen door een verbeeldingloze, regelrecht cultuurvijandige generatie, waarvan het socialistische realisme verschrompelde tot een dogma: de beheersbaarheid van de openbare middelen, om het even of het het Stedelijk Museum of de hoofdstedelijke vuilnisophaaldienst betrof.
Geen kwaad woord over Hedy d'Ancona, tot voor kort socialistisch minister van cultuur. Een beschaafde vrouw, wier visie echter beperkt bleef tot haar mening dat er meer aan film en architectuur moest worden gedaan. Zij verdween naar Straatsburg en het kabinet- Kok was zo verstandig de cultuur dit keer aan een niet-socialist te gunnen, de D66'er Aad Nuis, een politicus die wel eens boeken leest.
Maar de gewenste verdubbeling van zijn mini-minibudget heeft hij niet gevraagd, integendeel, een paar dagen na zijn aantreden meldden de dagbladen dat hij 73 miljoen (Trouw) respectievelijk 78 miljoen (NRC Handelsblad) zou moeten inleveren. Tot ontevredenheid van het 'kunstenveld’, mede omdat het een en ander in regelrecht in tegenspraak stond tot de diverse verkiezingsprogramma’s.
De nieuwe staatssecretaris probeerde zich vervolgens te verantwoorden in een vraaggesprek met de Volkskrant, waarin zo verbaal werd geglibberd dat het vermoeden rijst dat de geinterviewde nog net even bijles bij de scheidende minister-president heeft genomen. Er was, in de woorden van Nuis, sprake van een 'bescheiden inventarisering’ van de kunsten, trouwens, de voorgenomen bezuinigingen dienen om banen te kweken. En 'dat is goed voor iedereen, dus ook voor de cultuur’.
De kaassschaaf als cultuurgoed, of zoals Nuis het een dag eerder, sprekende over de voorgenomen achttien miljard bezuinigingen, bij de opening van het Haagse Theaterfestival heeft gezegd: 'Het is te verdedigen dat de cultuursector een redelijk aandeel levert in die gemeenschappelijke inspanning.’
Gegeven de meer dan marginale positie van het vaderlandse cultuurbedrijf valt een dergelijke korting op de kunsten juist niet te verdedigen - en het feit dat de nieuwe staatssecretaris zich nu al ijverig tracht in te dekken, doet het ergste vrezen.
Of niet? In de jongste aflevering van het Hollands Dagboek (NRC Handelblad, 3 september 1994) maakt Nuis gewag van 'een koortsachtig gevecht achter de schermen’ om een duidelijk standpunt in de regeringsverklaring, betreffende het al dan niet beknibbelen op de kunsten. Dan spreekt premier Kok een dag later 'het verlossende woord’.
Zo verlossend waren de woorden van ’s lands opperrekenmeester echter niet. Het kabinet streeft er hoogstens naar de cultuur 'niet in de min’ te laten eindigen. Het klinkt, constateert Nuis zelf, 'een beetje zuinig en met kleine slagjes om de arm, nog’.
Dat wordt dus toch bezuinigen, is het niet nu, dan wel straks.
Staatssecretaris, doe het niet. Zeg dat het tegen de afspraak is. Wijs uw collega’s op het feit dat die paar luizige kunstmiljoenen geen deeltijdbaan extra zullen scheppen. Weet dat Renate R., ware zij nog actief, u wekenlang genadeloos met haar hoon en spot had achtervolgd. Word desnoods weer gewoon literatuurcriticus, een vak waarmee men u weet het uit uw tijd bij de Haagse Post op een aardige en creatieve wijze zijn brood kan verdienen. Desnoods bij ons, De Groene Amsterdammer, in de vacature Anthony M., wiens kritische werkzaamheden helaas oncombineerbaar zijn met zijn nieuwe betrekking bij uitgeverij Q.
Kies eieren voor uw geld, zolang het nog kan! Een dienstauto-met-chauffeur hebben wij u niet te bieden, hoogstens een nette strippenkaart, benevens het diepgewortelde besef dat de cultuur niet ondergeschikt dient te worden gemaakt aan de dictatuur van de zakjapanner.