De gebroeders Koch, redders van Amerika

Staatsvijand nummer 1: de overheid

De schatrijke gebroeders Charles en David Koch zijn gezworen tegenstanders van overheidsbemoeienis. Met honderden miljoenen dollars proberen zij van Amerika een libertaire samenleving te maken.

Medium koch2

Als het over de ‘Koch-broers’ gaat, manifesteren zich dikwijls twee hardnekkige mispercepties: dat het hier om slechts twee broers gaat, Charles en David, en dat ze zeer conservatieve Republikeinen zijn. Beide percepties zijn begrijpelijk. Er zijn weliswaar vier Koch-broers, maar het industriële conglomeraat waarmee de broers een gezamenlijk geschat vermogen van meer dan tachtig miljard dollar hebben verdiend, Koch Industries, wordt geleid door Charles en David. De overige twee broers, Freddie en Bill, zijn slechts zijdelings bij de familiezaak betrokken en houden zich liever onledig met prijzige hobby’s als kunst verzamelen en zeilen in de America’s Cup. Er was zelfs een tijd dat Freddie en Bill hun broers alleen in de rechtszaal zagen, omdat ze hen hadden aangeklaagd vanwege mismanagement.

Daar komt bij dat Charles en David zich, in tegenstelling tot hun broers, nadrukkelijk met de Amerikaanse politiek bemoeien. Dat doen ze onder meer door het financieren van libertaire denktanks, Tea Party-organisaties en campagnes van Republikeinse politici. Zo pompten de twee broers maar liefst 407 miljoen dollar – deels uit hun privé-vermogen, deels via hun organisaties – in de presidentiële campagne van Mitt Romney van 2012. In 2014 gaf het Koch-netwerk volgens een schatting van The Washington Post 290 miljoen uit aan de tussentijdse verkiezingen (midterms); steeds ging de steun naar Republikeinse kandidaten.

Vooral dat laatste deed het grote publiek – begrijpelijkerwijs – aannemen dat de twee Koch-broeders conservatieven zijn. Dat klopt niet. De Koch-broeders zijn overtuigde libertariërs die een broertje dood hebben aan overheidsbemoeienis – zowel in het publieke als het private domein. De keuze om Republikeinen te steunen was een praktische: liever dat dan de Democraten met hun universele ziektekostenverzekering en hun steun aan banken, autofabrikanten en alternatieve energie.

Maar van harte was die keuze niet. Vooral Romney steunden de Koch-broeders met dichtgeknepen neus, vol argwaan jegens diens Republikeinse Partij met haar anti-libertaire ideeën over onder meer het homohuwelijk, abortus en immigratie, haar voorliefde voor buitenlands militair ingrijpen en haar neiging het bedrijfsleven te bevoordelen met wetgeving en subsidies – wat de broers afdoen als ‘corporate welfare’ (bijstand voor bedrijven). Althans, dat is het beeld dat komt bovendrijven na lezing van de dit voorjaar verschenen Koch-biografie Sons of Wichita: How the Koch Brothers Became America’s Most Powerful and Private Dynasty van Daniel Schulman, een redacteur van het overwegend links-liberale tijdschrift Mother Jones.

Cynici wijzen er daarentegen graag op dat ook Koch Industries van overheidssubsidies profiteert (sinds 2007 minstens 73 miljoen dollar, volgens de Subsidy Award Database van The New York Times) en dat de omzet van Koch Industries voor een aanzienlijk deel van olie en kolen komt, waardoor de Republikeinse scepsis jegens klimaatverandering goed van pas komt.

Sons of Wichita begint in de jaren vijftig, met een scène waarin de tweelingbroers David en Bill Koch elkaar met vuistslagen te lijf gaan langs een landweg in Wichita, de stad in de staat Kansas waar de Koch-broeders opgroeiden en waarvandaan Koch Industries vanouds opereert. Zo bereidt Schulman de lezer voor op de vele onderlinge vetes die de volwassen levens van de Koch-broers zullen kenmerken. Toch had Schulman er ook voor kunnen kiezen om zijn boek te beginnen met de verkiezingsnacht van 2012, een scène die hij voor later bewaart. Dan lezen we hoe Charles en David thuis vol ongeloof de verkiezingsresultaten volgden. Net als zoveel Romney-aanhangers konden ze zich simpelweg niet voorstellen dat het Amerikaanse electoraat Obama zou herkiezen – niet alleen vanwege zijn opzichtige ‘incompetentie’, maar ook vanwege zijn ‘on-Amerikaanse bedoelingen’.

In de aanloop naar de verkiezingsdag werden de prognoses die bijna anoniem op een overwinning van Obama duidden dan ook weggewuifd als typisch linkse vooringenomenheid waaraan de Amerikaanse pers toch al zou lijden. In het geval van de Koch-broeders was de uitslag extra moeilijk te behappen gezien hun inspanningen en de honderden miljoenen dollars die ze via organisaties met namen als Freedom Partners, Center to Protect Patient Rights en Americans for Prosperity hadden geïnvesteerd in het verslaan van Obama. Volgens Schulman waren Charles en David even ontroostbaar als verbijsterd. Ze konden niet geloven dat er niet meer mensen waren die een vrijere maatschappij willen, met minder overheidsbemoeienis en minder mensen die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van de federale overheid.

Na enkele maanden wonden likken, besloten de broers dat de onverwachte tegenslag niet mocht betekenen dat de strijd gestreden was. ‘Ons doel om een vrij en welvarend Amerika te bewerkstelligen is nog moeilijker gebleken dan we vooraf hadden aangenomen’, schreef Charles aan de donoren in het Koch-netwerk, ‘maar het is essentieel dat we deze worsteling voortzetten, in plaats van haar op te geven.’

In 2014 veroverden de Republikeinen een meerderheid in de Senaat en bouwden ze hun al bestaande meerderheid in het Huis van Afgevaardigden uit.

‘Door libertarisme in de mainstream te brengen, heeft hij de manier waarop mensen denken veranderd’

De eerste keer dat een groter publiek kennis nam van de politieke activiteiten van de Koch-broeders was in oktober 2010, toen Jane Mayer in The New Yorker openbaarde dat de Tea Party wellicht niet een spontane volksopstand was in reactie op Obama’s presidentschap, zoals toen werd aangenomen, maar een zorgvuldig, mede met Koch-geld geregisseerde protestbeweging. Obama’s verkiezing, die samenviel met de bail out van de grote banken en al vrij snel werd gevolgd door de introductie van zijn plannen voor een nieuw zorgstelsel (‘Obamacare’), was volgens Schulman het moment geweest waarop de broers al jaren hadden gewacht. Als ooit de tijd daar was om mensen in het geweer te krijgen tegen te veel overheid, dan nu.

De libertaire overtuigingen van de Kochs zijn niet los te zien van de sterke persoonlijkheid van hun vader, Fred Koch, zo schrijft Schulman. Fred werd in 1900 geboren in een middenklassegezin in Quanah, een plaatsje in Texas waar de oliewinning de belangrijkste inkomstenbron was. Na zijn ingenieursdiploma te hebben behaald aan het toen al gerespecteerde mit (Massachusetts Institute of Technology), begon hij met een vriend een olieraffinaderij, waarmee hij al snel rijk werd. Eenmaal vermogend trouwde hij als beginnende dertiger met Mary Robinson, met wie hij zich in Wichita vestigde en vier zoons kreeg: Frederick of ‘Freddie’ (1933), Charles (1935) en de tweeling David en Bill (1940).

Fred wordt beschreven als een tough guy die zich zuinig en streng opstelde tegenover zijn kinderen: ze kregen geen zakgeld en mochten geen televisie kijken. In politiek opzicht was hij fel rechts, hetgeen hij terugvoerde op zijn ervaringen in de Sovjet-Unie in de jaren dertig. In die periode werd hij door grote concurrenten als het machtige Standard Oil van de Amerikaanse thuismarkt verdreven, waarop hij zijn geluk in het buitenland zocht. Zo hielp hij Stalin met het aanjagen van de sovjeteconomie door olie uit de Kaukasus te pompen. De opdrachten redden zijn onderneming, maar verschaften hem ook een blik op de omstandigheden waarin mensen onder een communistisch regime dienden te leven. Hij zwoer, zoals hij in 1964 schreef, dat ‘ik alles moest doen dat binnen mijn macht lag om hiertegen te strijden, hetgeen ik sindsdien gedaan heb’. Ter illustratie van Freds fanatisme: hij was een van de oprichters van de John Birch Society, de extreem-rechtse groep die overal vijanden van het kapitalisme meende te zien en een van de grote inspiratoren was voor Richard Hofstadters beroemde essay The Paranoid Style in American Politics (1964).

Oudste zoon Freddie was het buitenbeentje, of het zwarte schaap, onder de vier jongens. Hij had geen belangstelling voor het familiebedrijf en was vooral geïnteresseerd in kunst – iets wat zijn drie broers op latere leeftijd ook zouden ontwikkelen: de broers zijn allen grote kunstverzamelaars en staan bekend om hun ruimhartige giften aan culturele instellingen. Freddie botste dusdanig met zijn vader dat deze hem zelfs uit zijn testament schreef. De overige drie broers, ieder in verschillende mate, gehoorzaamden hun vader en streden om zijn goedkeuring.

Met het verstrijken der jaren werd duidelijk dat Bills zelfvertrouwen leed onder de door zijn vader gestimuleerde onderlinge competitie. Toen Fred in 1967 stierf lag het dan ook voor de hand dat Charles de leiding van het familiebedrijf zou overnemen, zoals het ook logisch was dat David in een later stadium de leiding met hem zou delen. Freddie zou nooit in het bedrijf werken, terwijl Billy kortstondig de dochteronderneming Koch Carbon leidde, om zich na een verschil van inzicht over de bedrijfsvoering met Charles en David van het bedrijf af te keren.

Toen Charles in 1967 het roer in handen nam, had Koch Industries 650 medewerkers en een waarde van vijftig miljoen dollar. Begin jaren tachtig had het bedrijf zevenduizend mensen in dienst en was het anderhalf miljard dollar waard. Tegenwoordig is Koch Industries een industrieel conglomeraat dat onder meer actief is in olie (raffinaderijen en pijplijnen), plastic, chemicaliën, hout en financiële dienstverlening, met een door het tijdschrift Forbes geschatte waarde van 115 miljard dollar. Daarmee is het na Cargill het grootste private bedrijf in de VS.

Al ruim voor al dit zakelijk succes hadden Charles en David zich bekeerd tot het libertarisme, schrijft Schulman. In de vroege jaren zestig hadden de broers lezingen bijgewoond van Robert LeFevre, een charismatische denker die nagenoeg geen legitieme rol voor de moderne overheid zag. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig, begon Amerika vervaarlijk af te glijden, althans, in de ogen van de twee industriëlen uit het midden van het land – Vietnam, een almaar groeiende overheid, president Nixon die begin 1974 na het Watergate-schandaal moet aftreden.

Juist rond die tijd werd de Heritage Foundation, een conservatieve denktank, opgericht. Het idee hierachter was dat deze denktank kon concurreren met de liberalen, die in die tijd de wereld der ideeën domineerden. Het bracht de Koch-broeders op het idee een libertaire denktank op te richten, die op zijn beurt kon concurreren met liberalen én conservatieven. In 1977 werd het Cato Institute opgericht, grotendeels gefinancierd door de Kochs. Het instituut werd geleid door Ed Crane, een vooraanstaand lid van de Libertarian Party, en kreeg de libertaire econoom Murray Rothbard als intellectueel gezicht.

In 1979 waagden de broers zich ook in de electorale arena. Charles en Crane organiseerden in Los Angeles een nationale conventie voor de Libertarian Party, die zich in de presidentiële race tussen Ronald Reagan en president Jimmy Carter wilde mengen. In september 1979 nomineerde een bonte stoet conventiegangers – zakenlui en hayekanen, vredesactivisten en anarchisten – David Koch als kandidaat voor het vice-presidentschap namens de Libertarian Party. Met presidentskandidaat Clarke ging Koch campagne voeren voor een platform dat mede steunde op gelijke rechten voor homo’s, reproductieve rechten voor vrouwen en een ruimhartig immigratiebeleid – posities die in die dagen voor zowel de Democraten als de Republikeinen ondenkbaar waren.

‘Hoe zullen ze reageren als in 2016, een half miljard dollar verder, Hillary Clinton of all people in het Witte Huis zit?’

De campagne was nadrukkelijk informatief en bedoeld om ‘de gospel te prediken van minder bemoeienis in de bestuurskamer en de slaapkamer’, schrijft Schulman. ‘De ideeën zijn zo overtuigend’, zei David bij de start van de campagne, ‘dat zodra mensen ze horen, ze bereid zullen zijn ze te omarmen.’ Het ticket Clarke-Koch zou één procent van de stemmen vergaren, waarop Charles en David, inmiddels twee miljoen dollar minder rijk, besloten dat het wellicht zinvoller was om voortaan Republikeinse kandidaten te steunen, teneinde de machtsbalans daadwerkelijk te kunnen beïnvloeden. Toch zou David jaren later op een vragenlijst voor mit-alumni zijn kandidaatschap voor het vice-presidentschap noemen als de prestatie ‘waarop hij het meest trots is in zijn leven’.

Met die ietwat vruchteloze poging van Koch cum suis om langs electorale weg direct het libertaire gedachtegoed te promoten, kwam een eind aan wat Nick Gillespie, hoofdredacteur van de door Koch gesponsorde libertaire publicatie Reason, ‘libertarisme 1.0’ noemt. In een essay op de website The Daily Beast schrijft hij: ‘Het was een tijd waarin organisaties werden gebouwd en discussies werden gevoerd over wat het eigenlijk betekende om een libertariër te zijn – in plaats van een liberaal die tegen vrijhandel was of een conservatief die tegen de welvaartsstaat was.’

‘Libertarisme 2.0’ omspande de daarop volgende dertig jaar, in Gillespie’s analyse. Tot dan toe was de libertaire beweging in de ogen van conservatieven het ‘punky kleine broertje’ geweest, terwijl liberalen libertariërs plachten weg te zetten als ‘Republikeinen die wiet roken’. Maar door de deelname aan de verkiezingen hadden de libertariërs wel een enigszins herkenbare ideologie. Met die erkenning op zak gingen libertariërs zich meer met de mainstream-politiek bemoeien. (Gillespie laat libertaire socialisten als Noam Chomsky, die zich al jaren in de publieke arena roerden, buiten beschouwing.) Ze konden echter geenszins voorkomen dat onder de presidenten Clinton en Bush jr. het aantal reguleringen werd opgevoerd en dat de uitgaven van de federale overheid bleven groeien.

Het enige wat daarna voor libertariërs een nog naarder vooruitzicht scheen, was president Obama die van plan was de bail outs van de banken en autobedrijven voort te zetten en zelfs uit te breiden – om vervolgens ook nog eens een nationaal zorgstelsel in te voeren. Zoals bekend lukte het de Kochs en hun netwerk niet om Obama, toch een kwetsbare zittende president op dat moment, te verslaan. Dit heeft de Kochs tot enige zelfinspectie aangezet, denkt zowel Gillespie als Schulman. In een interview met Gillespie vertelde Schulman dat de Kochs ‘echt leren van hun fouten. Wat nu gaande is, is de herziening van hun politieke operatie.’

Dat brengt Gillespie op ‘libertarisme 3.0’, wat volgens hem een fase wordt waarin libertariërs ‘twee parallel lopende politieke paden zullen volgen’. De eerste strategie is dat libertariërs ad- hoccoalities aangaan met onafhankelijken, liberalen of progressieven – al naar gelang de kwestie. Zo kunnen progressieven en libertariërs prima samen de strijd aangaan tegen subsidies voor het grootbedrijf. De tweede strategie die Gillespie voorziet is dat libertariërs die binnen de Republikeinse Partij willen blijven werken dat alleen nog zullen doen onder de voorwaarde dat hun economische en sociale ideeën op de agenda komen te staan. ‘Het zou goed kunnen dat de Kochs deze tweede strategie gaan volgen’, schrijft Gillespie. ‘Op dit moment heeft de gop (Grand Old Party, een bijnaam voor de Republikeinse Partij – mvg) de Kochs en de libertaire stem harder nodig dan andersom.’ Want, vervolgt Gillespie, ‘de enige tak van de gop die momenteel niet dood is, is de libertaire tak’.

Hij wijst op een recente Gallup-peiling waarin 53 procent van de ondervraagde Amerikanen aangaf een voorkeur te hebben voor minder overheidsbemoeienis en lagere belastingen, tegen dertien procent voor meer overheidsbemoeienis en hogere belastingen. ‘Dat is een libertair standpunt (…), dat mogelijk tot stand is gekomen door de wijze waarop de Koch-broers de politieke conversatie hebben beïnvloed.’ Gillespie haalt een passage aan uit Schulmans boek, die weliswaar betrekking heeft op Charles, maar volgens hem net zo goed op David slaat: ‘Hij heeft meer dan wie dan ook gedaan om de vrijemarkteconomie te promoten, evenals de bredere ideologie daaromheen. Door libertarisme in de mainstream te brengen, heeft hij de manier waarop mensen denken veranderd.’

Na maandenlang hevig te zijn bekritiseerd door vooraanstaande Democraten, zoals de leider van de meerderheid in de Senaat, Harry Reid – de kritiek in een notendop: de Kochs vervormen het politieke proces door leugenachtige campagnes te financieren – publiceerde Charles Koch begin april een opiniestuk in The Wall Street Journal. Daarin richtte hij zijn pijlen op ‘collectivisten’ die hem ‘in diskrediet willen brengen en intimideren’, terwijl zijn bemoeienissen met het politieke proces louter bedoeld zijn om een ‘werkelijk vrije maatschappij’ nieuw leven in te blazen. ‘Hoe meer de overheid probeert te controleren, des te groter de ramp, zoals het debacle met de gezondheidszorg heeft aangetoond’, schreef Koch onder meer. ‘Collectivisten beloven de hemel, maar leveren de hel.’

Opmerkelijk genoeg maakte Koch ook van de gelegenheid gebruik om te benadrukken dat zijn bedrijf regelmatig geprezen wordt door het Environmental Protection Agency (epa), zeg maar de Amerikaanse milieuwaakhond.

In Sons of Wichita schetst Schulman een iets ander beeld van het ecologische record van Koch Industries. Zo verklaarden verschillende voormalige werknemers tegenover Schulman dat van hen werd verwacht om tegen de epa te liegen over de grootte van lekkages in oliepijpleidingen en olielozingen in open water. In dat verband zou ook de boete van 35 miljoen dollar moeten worden gezien die het bedrijf in 2000 kreeg vanwege overtredingen van de Clean Water Act, op dat moment de zwaarste boete aller tijden in de VS. Toch zou het te ver gaan om op basis van dergelijke getuigenissen te concluderen dat de Kochs ‘er alleen op uit zijn om hun zakken te vullen’, zei Schulman in het eerder aangehaalde interview met Gillespie. ‘Charles Koch verkondigt zijn libertaire ideeën al sinds de jaren zestig. (…) Je moet deze mensen buiten de gangbare karikaturen van politieke slechterik of rubberbaron beoordelen.’

In een recensie van Sons of Wichita in The New York Review of Books vraagt Michael Tomasky zich af wat er gebeurt als in 2016, ondanks alle steun van de Kochs aan een Republikeinse kandidaat, weer een Democraat president wordt. ‘Zullen de Kochs hiermee eeuwig doorgaan?’ schrijft Tomasky. ‘Hoe zullen ze reageren als straks in 2016, een half miljard dollar verder, Hillary Clinton of all people in het Witte Huis zit? Wie weet blijkt dat ze er al die tijd naast hebben gezeten, dat de Democratische coalitie nu eenmaal de meerderheid van het Amerikaanse volk vertegenwoordigt. Het zou kunnen dat de Kochs ooit concluderen dat het gewoon niet de moeite waard is om een dergelijk Amerika te redden.’

Misschien. De invloed van de Koch-broers gaat in elk geval verder dan de electorale arena. Dat bleek deze maand onder meer in de staat North Carolina, die sinds 2012, mede door Koch-geld, geheel onder Republikeins bestuur is. Daar ontdekte de lokale krant The News Observer dat het ministerie van Onderwijs van de staat op het punt stond het Bill of Rights Institute, het curriculum voor geschiedenislessen op de middelbare scholen, te laten herschrijven. De financiers van dit instituut? De Charles Koch Foundation en de Fred and Mary Koch Foundation.


Beeld: Protesten tegen de mogelijke overname van de Los Angeles Times door de Koch-broers in 2013 (Zhao Hanrong / HH).