Stad in oorlog

De Joodsche Raad ontstond waarschijnlijk op initiatief van Abraham Asscher en de hoofdstad leek het eerste bezettingsjaar sterk op het (Amsterdam van de krakersrellen. Deze en andere gewaagde uitspraken doen Friso Roest en Jos Scheren in hun dissertatie over Amsterdam in oorlogstijd. Het wordt ze niet in dank afgenomen door collega-historici. ..LE Oorlog in de stad: Amsterdam 1939-1941. Uitg. Van Gennep, 552 blz., Ÿ 49,90. Roest en Scheren promoveren vrijdag 24 april om 10.40 in de Aula van de UvA aan het Spui. ..LE ‘WE ZIJN AL uitgemaakt voor revisionisten. Alsof we de hele holocaust ontkennen. Ik verdom het om telkens duidelijk te maken dat ik het heel erg vind wat er met de joden is gebeurd.’

Aan het woord is Jos Scheren. Samen met Friso Roest schreef hij het proefschrift Oorlog in de stad: Amsterdam 1939-1941.
Scheren: ‘Wij hebben een heel eigen manier van werken. Of het nou gaat om Duitsers, ambtenaren, communisten of NSB'ers, op het moment dat we over ze schrijven, zijn we ze een beetje. Bij wijze van wetenschappelijk experiment kruipen we een tijdje in hun huid. Dan is het een voordeel om niet direct betrokken te zijn. Een van de thema’s van ons boek is of de Duitsers werkelijk zo machtig waren als ze zich voordeden. Die vraag laat je waarschijnlijk niet toe als je joods bent en je familie is door de Duitsers vermoord.’
Deze week promoveren Roest en Scheren aan de Universiteit van Amsterdam. Belangrijkste onderwerpen van hun promotieonderzoek zijn het ontstaan van de Joodsche Raad, van het getto en van de Februaristaking. Hun beeld van Amsterdam in de beginjaren van de bezetting wijkt sterk af van het bestaande.
Scheren: 'Onze benadering is anti-autoritair. Dat zit in ons leven. Zo z¡jn wij. We stellen autoriteiten ter discussie. We vragen ons af of ze werkelijk zo sterk zijn als ze zichzelf voordoen.’
Roest: 'We hebben gedaan alsof er geen oorlog was. Als je steeds uitgaat van de hÇle oorlog, met zijn bekende einde, loop je snel vast. Maar als alles uit die tijd je verbaast, heb je een open visie waarmee nog vrijwel geen andere historicus naar de oorlog heeft gekeken. Zeker niet een historicus van het Riod.’
Scheren: 'Als je mensen hoort praten over de oorlog, hebben ze het altijd over een stapsgewijze logische ontwikkeling die leidt tot deportatie en moord op de joden. Maar omdat wij in ons eigen, afgebakende tijdperkje zaten, kregen we heel vaak te maken met situaties die nog alle kanten op konden. De zesentwintigste februari 1941, de laatste dag van de Februaristaking, is een vreselijke ervaring geweest. Tot die tijd waren de mensen niet echt bang, maar die dag greep de SS in. Dan treedt een belangrijke verandering op. Moet je je voorstellen dat er met handgranaten naar je wordt gegooid en met mitrailleurs op je wordt geschoten omdat je staakt.
Maar in de zomer van 1940 was alles nog onzeker. Je kon onmogelijk weten hoe de volgende dag eruit zou zien. Er was een gemeentebestuur van bange mensen die ontzettend blij waren dat ze niet werden afgevoerd. Er waren Duitsers die rust in de stad wilden. Je had Hollandse nationaal-socialisten die hun kans zagen en de straat op gingen. De communisten hadden geen last meer van de sociaal-democratie en konden dingen doen die voor de oorlog absoluut onmogelijk waren. Al die mensen met hun verschillende motieven zagen kansen, waren onzeker en deden van alles tegelijk.’
Roest: 'We weten uit eigen ervaring hoe de stad er op een chaotische dag uit kan zien. Neem de kroningsrellen in 1980. Die dag waren er heel veel mensen op straat en er ontstond even een soort machtsvacuÅm. Ook op Anjerdag in juni 1940, de verjaardag van prins Bernhard, gingen mensen met allerlei motieven de straat op. Om getooid met een anjer de verjaardag te vieren of om te kijken wat er ging gebeuren. De politiecommissarissen moesten het maar uitzoeken. De agenten op straat moesten ook maar zien wat ze deden. Ze kregen tegenstrijdige orders of helemaal geen orders. De dag eindigde in enorme rellen, net als de kroningsdag in 1980.’
SCHEREN: 'IK HEB het idee dat onze eigen ervaring met de kroningsrellen ons heeft geholpen bij het onderzoek. Dat de politie op Anjerdag niet direct ingreep, had grote gevolgen. Er was in Amsterdam een bezettingsmacht, maar die toonde zich niet almachtig. Veel historici gaan daaraan voorbij. Iedereen roept maar dat de Duitsers alles onder controle hadden. Maar in Amsterdam wisten ze aan het begin van de bezetting absoluut niet wat ze wilden. De Duitsers werkten tegelijkertijd wel Çn niet mee met de NSB'ers, die volkomen onberekenbaar werden als ze op straat aan het marcheren waren. De ene keer werden ze gesteund door de Duitsers, dan weer mochten ze de straat niet op. Chaos. Een fascinerende periode. Een geweldige tijd in zekere zin - maar je moest natuurlijk geen jood zijn.’
Roest en Scheren poogden steeds minutieus uit te zoeken wat er op straat gebeurde. Bevelen, geboden en verboden zeggen daar lang niet alles over.
Scheren: 'We zijn er niet van overtuigd dat de richtlijnen die aan de top worden opgesteld, daadwerkelijk werden opgevolgd aan de basis. Dat moet je grondig onderzoeken. Aan de hand van archiefstukken op het laagste niveau. Daarvoor kun je beter bij het Gemeentearchief terecht dan bij het Riod.’
Roest: 'Het Riod is een vergaarbak van allerlei offici‰le stukken en circulaires. Wij zijn er juist in geãnteresseerd hoe die naar beneden sijpelen. Op het laagste niveau kun je onderzoeken of en hoe opdrachten van boven zijn uitgevoerd.’
Scheren: 'Duitsers deden zich tegenover elkaar zo slecht mogelijk voor. Ze schrijven altijd dat ze harder hebben opgetreden dan ze in werkelijkheid deden. Ze doen een beetje stoer. Dan melden ze bijvoorbeeld aan Berlijn en Den Haag dat een hele buurt is afgezet, dat er een Ausweis-plicht is ingevoerd en dat er naar wapens is gezocht. Veel historici, ook Ben Sijes bijvoorbeeld, lezen dat en schrijven het vervolgens op als feit. Wij roepen: dat geloven we niet! Eerst zien! We gaan het helemaal uitpluizen en dan blijkt het, zoals in dit geval, niet waar. Andere historici schrijven het gewoon over.’
Roest: 'Het is best erg: elke keer dat je iets uit een handboek gaat checken door naar beneden te duiken, blijkt het niet te kloppen. We zijn een verhaal nagegaan van Loe de Jong. Over persoonsbewijzen. Klopte niks van!’
Scheren: 'Voor Sijes heb ik veel respect. Hij is de enige die zijn werk wel goed heeft gedaan. Maar toen we de Februaristaking onderzochten, kwamen we tot heel andere conclusies. We gaan flink tegen hem in.’
Roest: 'Historici die zich met de oorlog bezighouden, praten elkaar vaak na. Het is net of ze geen onderzoek w¡llen doen. Alsof ze hun positie willen handhaven. We leven in een klein land met zes historici die de oorlog als hun eigendom beschouwen. Die willen een lijn zien in de oorlog, opgehangen aan de Duitse almacht. Maar als je het materiaal jarenlang grondig bestudeert, kun je niet om het idee van chaos, van stadsoorlog heen. Het is oorlog, er is een bezetter, maar er blijkt ontzettend veel ruimte te zijn om te handelen. Alles en iedereen gaat tegen elkaar in. Dat z¡e je. De feiten drongen ons steeds meer het idee op dat de Duitsers niet almachtig waren. We konden er gewoon niet omheen. Ik kan me voorstellen dat het materiaal dat wij hebben onderzocht niet in het straatje past van sommige historici. Dus laten ze het weg. In wetenschappelijke termen heet dat selectief brongebruik.’
ACHT JAAR heeft het ze gekost. Dan moet je het ook een beetje leuk voor jezelf zien te houden. Ze zijn allebei gek van Ajax. Dat werd in het eerste deel over de Februaristaking dan ook in het onderzoek betrokken.
Scheren: 'Ik weet altijd alles via Ajax. Zo weet ik dat het vlak voor de Februaristaking ontzettend koud was, omdat Ajax de eerste twee weken van februari niet kon spelen. Op de drie‰ntwintigste speelde Ajax weer. Die dag en de dag ervoor vonden ook de eerste razzia’s plaats. Dat moet een ongekende ervaring zijn geweest. Stel je voor: een uur na de tweede razzia is lijn negen volgestouwd met mensen naar de Watergraafsmeer gereden. Duizenden Amsterdammers zagen daar Ajax met 9-1 winnen van Xerxes.
Zo zie je dat er op een bepaalde dag veel meer speelt dan die ene gebeurtenis die later wordt uitvergroot. Het is ook te makkelijk om de Februaristaking te zien als alleen een enorme solidariteitsstaking met de joden. In de staking hadden verschillende mensen allerlei belangen mÇt en tegen elkaar. De CPN'ers waren bang dat de NSB'ers hen een kopje kleiner zouden maken. Voor hen was de staking deels een tactische zet. Ze hebben de razzia’s gebruikt om hun staking uit te roepen. Bang, niet alleen om de joden maar ook om hun eigen hachje. Z¢nder de CPN was de staking er weliswaar niet geweest, maar het irriteert me dat de partij zich er altijd zo voor op de borst heeft geklopt. Stakingen organiseren was gewoon het werk van de partijkaders. Deden ze voor de oorlog ook al.’
NAAST DE Februaristaking waren de vorming van een getto en de oprichting van de Joodsche Raad onderwerp van hun onderzoek.
Roest: 'In de nacht van 11 op 12 februari 1941 werd het getto van Amsterdam gevormd. Om zes uur ’s(ochtends werd de jodenbuurt afgesloten. Althans: het stadsdeel dat volgens B”hmcker, de belangrijkste Duitse autoriteit van de stad, de jodenbuurt was. Dat was een ad hoc-beslissing. Hij greep in omdat er in de wijk dingen gebeurden die hem niet zinden. Hij was in een rancuneuze bui.
Andere historici zien daar weer een lijn in. Vechtpartijen in de buurt zouden een welkome aanleiding zijn geweest om het getto in te stellen. Iets wat al op het programma stond. Volgende stap zijn dan de deportaties. Maar zo kennen wij B”hmcker niet. Hij nam vaak beslissingen om die later weer terug te draaien. Volgens ons heeft hij gedacht: “Die onzin pik ik niet. Er moet iets gebeuren.” Dus afsluiten die handel. Bruggen ophalen. Maar de wijk was niet echt afgesloten. Dat ziekte een beetje door, dan weer strakke en dan weer lossere vergrendeling.’
IN HET Gemeentearchief vonden Roest en Scheren bronnen die doen twijfelen aan het klassieke verhaal dat de Joodsche Raad een logisch vervolg was op de gettovorming.
Scheren: 'Wij hebben niet het idee dat B”hmcker de Raad installeerde. Van het gesprek van B”hmcker met onder meer Asscher, waarna de Raad werd opgericht, bestaat een Vermerk. Ik ben nog geen historicus tegengekomen die eraan heeft gedacht dat dat geen notulen zijn. Een Vermerk is de samenvatting van de hoogtepunten van een gesprek. Dat is iets heel anders dan notulen. Degene die het heeft opgesteld, deed dat zoals het hem uitkwam. Wij denken dat het goed mogelijk is dat B”hmcker heeft gevraagd om een vertegenwoordiging uit de wijk, maar dat Asscher toen heeft gezegd dat er geen representatieve mensen in die wijk zaten. We denken dat Asscher toen heeft voorgesteld zÇlf een raad op te richten. Aan het Vermerk kun je dat niet zien, maar je kunt ook niet met zekerheid stellen dat de Duitsers de raad hebben afgedwongen.’
Roest: 'Als Asscher die rol op zich heeft genomen, is het logisch dat dat niet in het Vermerk staat. Een Duitser zal nooit het eigenwijze standpunt van een jood opnemen dat afwijkt van wat zijn Duitse superieur voorstelde.’
Scheren: 'Analyseer je de tekst, dan zie je meer mogelijkheden tot verschillende uitleg. Wij denken dat op 12 februari iets vaags is opgericht dat later de Joodsche Raad is geworden. Dat gebeurde niet planmatig.’
ROEST EN Scheren begonnen hun promotieonderzoek bij professor Hans Blom. Ze werden bepaald niet door hem gestimuleerd. Gaandeweg kregen ze het idee dat hun werk net zo lang zou worden gekneed tot het in de gangbare opvattingen over de oorlog ingepast kon worden.
Roest: 'Blom is geen onderzoeker. Het enige waarin hij productief is, is het bedenken van aanknopingspunten voor nieuw onderzoek. Hij is precies wat wij niet zijn. Iemand die altijd opdraaft bij herdenkingen en symposia.’
Scheren: 'Blom zegt dat het bevolkingsregister nagenoeg perfect georganiseerd was. Het vormde een belangrijk element, zegt hij, in de effici‰nte afvoer van joden. Wij hebben ook onderzoek gedaan naar het bevolkingsregister. Daaruit bleek dat heel veel mensen niet naar het register gingen om hun gegevens door te geven. Het was daar juist een flinke chaos. Dan zegt Blom vanaf zijn God’s View dat het zo goed georganiseerd was. Als je hem erop aanvalt zegt hij: “Ik zei niet perfect, ik zei nagenoeg perfect.”(’
Over de zomer van 1940 schrijft Blom ook dat het leven in Nederland zijn oude gang herneemt. Waar moet je je als onderzoeker in de kosmos bevinden om zoiets te kunnen vaststellen? Voor Amsterdam is die uitspraak absolute onzin. Dat hebben we in een noot aangegeven, maar dat viel niet goed bij de professoren in de promotiecommissie. Blom zit er ook in.’
Roest: 'Ed. van Thijn is een van de vragenstellers tijdens de promotie. Hij is altijd bijzonder gepikeerd geweest over een stuk dat we over de Februaristaking schreven in Het Parool. De conclusie daarvan was dat het vreemd is dat de burgemeester van de stad voorop loopt bij de herdenking. Want het gemeenteapparaat heeft zijn uiterste best gedaan om de staking te breken. Daarover schuimbekt hij nog steeds. We bedoelden natuurlijk de burgemeester, in algemene bewoordingen, niet Van Thijn zelf. Het schijnt dat we dit keer wÇÇr iets hebben geschreven waarover hij witheet is.
We zijn niet van plan ons tijdens de verdediging van ons proefschrift de oren te laten wassen. Dus het ziet ernaar uit dat de promotie geleidelijk aan zal ontaarden in een chaos. Dat wordt een overhaaste vlucht van de professoren, want de zaal is volledig op onze hand. We beginnen natuurlijk wel zoals het hoort: rustig en beleefd.’