Stad van le pen

Een achterbuurt in Marseille bekeken terwijl het regende. Wat zag ik? Huizen die uit elkaar dreigden te vallen; vuil op straat; als je mannen zag, waren het - ik weet niet waar ze wèl vandaan kwamen - geen Fransen; de vrouwen die je zag waren gesluierd en bang.

Dit is de stad van Le Pen. Je ziet overal affiches; de meeste zijn gescheurd, op andere is een Hitler-snorretje getekend.
Loop je van de achterbuurt naar de Vieux Port, dan zie je dat de ‘buitenlanders’ het werk doen; het zijn de obers in de restaurants, de havenarbeiders, de taxichauffeurs, de straatvegers, de winkeliers - als je een blanke ziet, is het meestal een politieagent.
Ik ben maar een paar uur in Marseille en moet het hebben van een journalistiek oog en een interpreterend vermogen, maar als ik aan de bouillabaisse zit, zeg ik tegen mijn kennissen: 'Het is niet vreemd dat Le Pen hier aanhang heeft’, en eigenlijk hoop ik dat zij met de juiste analyse komen. Of laat ik zeggen: met een verrassende analyse. Maar ze beamen dat ze begrijpen dat Le Pen hier triomfen viert.
'Waardoor begrijpen wij het?’ vraagt mijn kennis.
'Omdat het lijkt of de stad is ingenomen’, zeg ik. 'Die negentiende-eeuwse huizen waar de pieds-noirs in wonen zijn vervallen; wij zouden ze allang hebben afgebroken; er heerst armoede; althans dat wordt gesuggereerd. Dat is niet prettig om naar te kijken. Je voelt je daar verantwoordelijk voor; immers: vroeger waren die huizen mooi en schoon. Nu kan je twee dingen doen. Die huizen repareren - dat kost geld - of de bewoners eruit flikkeren - dat is goedkoop.’
'De stad is natuurlijk ook ingenomen door buitenlanders. Dat lijkt niet zo, dat is zo’, zegt de kennis die mijn analyse te soft vindt. 'Neem ons hotel. Daar werken alleen maar buitenlanders. Je ziet hier nauwelijks Fransen. De Fransen die je ziet, zijn patjepeeërs in een grote boot.’
'Het is een havenplaats’, zeg ik, 'dat is altijd anders.’
'Amsterdam en Rotterdam zijn ook havenplaatsen.’
'Daar is dan ook een grote CD-aanhang.’
We zwijgen.
'Welke dingen moet je zien of horen om een nieuwe generalisatie te maken?’ vraag ik me af. 'Als je een keer wordt overvallen door een buitenlander, denk je dan al: weg met alle buitenlanders? Het zal voor iedereen verschillend zijn, maar waarom loop ik hier en denk ik: ik zal geen Le Pen stemmen?’
'Omdat jij historisch besef hebt. Jij ziet Le Pen en denkt: Hitler.’
Ik schud mijn hoofd. 'Ik heb Le Pen live zien optreden. Een hele goede stand-up comedian. Geen Hitler. Eerder een ouderwetse rechtse man. Je kent ze wel; ze zitten in iedere kroeg.’
'Maar waarom denk je eigenlijk niet: Le Pen is de oplossing, gooi alle buitenlanders eruit?’
'Dat weet ik gek genoeg niet. Natuurlijk, Le Pen is een fascist en een racist en ik wil daar niet mee geafficheerd worden, maar ik zou in het geheim op hem kunnen stemmen. En toch zou ik dat ook niet doen. Ik zou misschien wel willen dat die buitenlanders er voor een deel uit moesten, maar het lijkt me een naïeve oplossing. Dat is wat ik ook tegen Bolkestein heb. Nederland is vol. Dat geloof ik best. Maar kies dan voor moord, en niet een uitgestelde moord door ze niet binnen te laten. Je kunt beter zorgen dat het land van herkomst perspectieven biedt, zodat ze niet naar hier willen.’
'Allemaal mooi’, zegt mijn kennis, 'maar je woont hier en je ziet dit. En je denkt: moet mijn kind hier opgroeien? Le Pen vindt dat het hier anders moet worden en doet daar wat aan. De anderen doen er niets aan, vind je. Wat zou jij dan doen?’
'Zullen we nog iets drinken? Nog zo'n flesje Côtes du Rhône?’