Go Midwest, naar ‘Gilbertville’ Detroit

Stad zonder kapsones

Vijf jaar na de officiële faillietverklaring rijst de oude noordelijke industriestad Detroit weer op uit het graf. Het vuilnis wordt weer opgehaald. Sneeuw wordt geruimd. Wie hier is opgegroeid heeft geleerd om met tegenslag om te gaan. En er dan bovenop te komen.

Detroit, Michigan, 19 juni. Het voormalige centrale treinstation wordt door Ford Motor Co. herontwikkeld tot een campus voor kleine bedrijven © Jeff Kowalsky/Bloomberg via Getty Images

‘Een stad ooit groots en trots kan zijn schulden nu niet meer betalen. Vergeet niet dat dit faillissement ook een nieuwe kans biedt. Ik hoop van harte dat iedereen die zich met de stad verbonden voelt dat wil zien.’ Met die woorden verklaarde rechter Steven Rhodes Detroit op 18 juli 2013 officieel failliet.

Vijf jaar later rijst de stad voor de zoveelste keer op uit zijn graf. ‘Motorcity’ is net een maand verlost van het financiële toezicht dat sinds 2013 van kracht was. De werkloosheid daalt gestaag en de bevolking groeit weer, ruim tien jaar voordat een toename was voorzien. Tegelijkertijd likken veel inwoners hun wonden; ze worstelen met restschulden en huizen die ‘onder water’ staan. Voorzieningen in de stad zijn nog altijd onder de maat.

Het verhaal van Detroit is als geen andere stad in Amerika het verhaal van glorie, groei en mogelijkheden enerzijds en verval, ontberingen en onheil anderzijds. Om die reden noemt Darren Walker, ceo van de Ford Foundation in New York (de filantropische organisatie voor sociale rechtvaardigheid die werd opgericht door Henry Ford), Detroit de belangwekkendste stad in het narratief van Amerika: ‘Als we de vraagstukken van Detroit niet weten op te lossen, kunnen we de vraagstukken van Amerika ook wel vergeten.’ Hoe ziet Detroit eruit, vijf jaar na die middag in 2013? En Walker indachtig: wat zegt dat nieuwe Detroit over Amerika anno 2018?

Het zijn de eerste warme dagen na een lange winter in Detroit en de stad haalt opgelucht adem. Het is nog geen jaar geleden dat ik hier rondliep, maar ik ken het amper terug. Dat komt niet alleen door de geur van lente en bloemetjes die over de stad hangt. Panden die vorige zomer nog waren dichtgetimmerd zijn grotendeels neergehaald. De bouwvallen die nog overeind staan, worden links en rechts omringd door nieuwe woningen, horeca of winkels. Overal ruikt het naar vers bouwmateriaal. Op lege kavels prijken aankondigingen van luxe appartementen die nog voor 2019 worden opgeleverd. De terrassen zitten vol met wijn drinkende bebaarde blanke hipsters; vijftien dollar per glas. Welkom in het nieuwe centrum van Detroit: een bruisende trekpleister voor young professionals, ansichtkaart van een stad vol beloften.

De indrukwekkende metamorfose van dit deel van de stad is te danken aan één man in het bijzonder: de miljardair Dan Gilbert. De geboren ondernemer liep op zijn twaalfde al binnen door zijn leeftijdgenoten pizza’s te laten bezorgen op fietsjes. Het grootste deel van zijn kapitaal verdiende hij echter met zijn bedrijf Quicken Loans, naar eigen zeggen de grootste hypotheekverstrekker in de VS. Faam buiten de zakenwereld vergaarde hij door eigenhandig sterbasketballer Lebron James terug te halen naar de Cleveland Cavaliers, het nba-team waar Gilbert eigenaar van is. Hij is het moderne type grootindustrieel: flamboyant en daadkrachtig, man van grote gebaren.

Gilbert heeft er zijn persoonlijke missie van gemaakt om zijn geboorteplek weer om te toveren in een moderne en aantrekkelijke stad. Zijn stem klinkt warm als hij vertelt over de grond waar zijn grootouders hun winkel openden en over de stad waar hij opgroeide. Zijn betrokkenheid bij de stad lijdt geen twijfel. Tegelijkertijd is Detroit voor de ondernemer een ware goudmijn.

Met die overtuiging verkaste hij in 2010 zijn hoofdkantoor van de comfortabele voorsteden van Detroit naar het destijds deplorabele downtown. Een verhuizing tegen de stroom in. Het waren de jaren in de aanloop naar het faillissement en de stad had vrijwel geen inkomsten. Straatverlichting brandde niet, wegen werden niet onderhouden, panden stonden leeg, politiebureaus en scholen werden gesloten. Inbraken, plunderingen en moord waren aan de orde van de dag. Wie kon, vertrok en nam het schamele bezit dat nog over was met zich mee.

Gilbert verplaatste niet alleen zijn eigen bedrijf naar het hart van de stad, maar begon het centrum ook eigenhandig te verbouwen. Zijn bedrijf Bedrock Real Estate Services begon aan een indrukwekkende lijst vastgoedinvesteringen. De vastgoedgroep kocht voor een habbekrats ruim honderd panden op en vertimmerde die tot appartementen. Voor symbolische bedragen kocht Bedrock iconische gebouwen en toverde ze om tot kantoorhuisvesting. Afgelopen herfst kondigde Gilbert aan 2,1 miljard dollar te investeren in de bouw van vier kantoortorens. De bouw zou 24.000 banen opleveren. Zijn stempel staat ook op het nieuwe verzamelgebouw van justitiële voorzieningen. In ruil voor de bouw daarvan kreeg hij onlangs een grote lap grond tot zijn beschikking. In overleg met buurtcomités en stedenbouwkundigen transformeert hij straten en panden tot winkels, galerijen en buitenruimtes. De lijst van projecten is eindeloos. De totaalsom aan vastgoedinvesteringen op dit moment: 3,5 miljard dollar. Niet voor niets wordt dit deel van de stad ook wel Gilbertville genoemd.

Die transformatie zet hij door in nauw overleg met het stadsbestuur. Datzelfde bestuur bestendigde Gilberts positie als machtigste man van de stad door hem te benoemen als voorzitter van de taakgroep City of Detroit Blight Removal – op z’n vriendelijkst vertaald als de taakgroep Stadsvernieuwing. Met een zelfde vastberadenheid als waarmee hij met investeringen strooit, walst de ondernemer ook over de vastgoedopgave van de stad. De slooplijst van Detroit is 40.000 panden groot. Nog eens 38.000 woningen hebben ingrijpende renovatie nodig. Sinds 2013 zijn er al bijna 15.000 panden neergehaald, veelal in het centrum van de stad, en voor de komende twee jaar kondigde hij met burgemeester Mike Duggan de sloop van nog eens 10.000 panden aan. De schimmel eruit, en bouwen maar.

Vastgoed is voor Gilbert de motor, zowel van de transformatie als van zijn investeringen.

‘Leven hier is een wankel evenwicht. Je moet je hoofd boven water houden en hard werken’

De heilige graal in de stad vol mogelijkheden zijn de millennials en de economische motor van hun generatie: technologie. ‘Detroit is alles wat een stad voor millennials moet hebben: er is ruimte, wonen is betaalbaar, het ademt karakter. Ik zie ongelooflijk veel potentieel’, aldus de zakenman. Met Quicken Loans, door Gilbert zelf omschreven als een techbedrijf dat toevallig in hypotheken doet, lokt hij die groep weg bij de bekende techbedrijven uit de grote steden.

Sluitstuk van zijn strategie is de marketingformule ‘spieren en hersenen’, waarmee hij daadwerkelijk mensen en bedrijven naar Detroit weet te lokken. Die formule is niet toevallig gekozen: Gilbert begrijpt ook dat de traditie van Detroit er een is van motorolie en de geur van rubber. Nog altijd is de auto-industrie verreweg de grootste werkgever in de regio. Daarbij vergeleken zal de start-up-economie van Gilbert altijd kinderspel blijven. Maar ook de industrie moderniseert: steeds minder mechaniek, steeds meer computeronderdelen. Gilbert sorteert zo voor op een stad van traditie én moderne tijden.

‘Het gaat allemaal om innovatie, creativiteit en nieuwe dingen ontdekken. Zo houd ik mijn bedrijven competitief maar het is ook precies wat millennials en jonge bedrijven vinden in Detroit, that Detroit thing. Daar vertrouw ik op.’ Het lukt hem wonderwel: van 42 medewerkers in de stad in 2010 naar 4200 nu. De groei van het aantal start-ups is mede dankzij Gilberts inzet in de afgelopen drie jaar verdubbeld, maar ook winkels, restaurants en midden- en kleinbedrijven openen met hulp van Gilbert in het centrum. ‘Kantoorruimte en woonkosten zijn relatief goedkoop, de kwaliteit van leven is hoog: waarom zou je als start-up in Silicon Valley gaan zitten als je ook naar Detroit kunt?’

Maar de groei van Detroit kent een duidelijk afgebakende grens. Wie over een van de eindeloos uitgestrekte wegen het centrum uit rijdt, passeert dichtgetimmerde huizen, smoezelige drankzaakjes en afbladderende tankstations. Soms zie je flarden van een leven in betere tijden: een vervallen bioscoop of theater, een voormalig hamburgerrestaurant met een koeienhoofd aan de gevel. Te koop, vertelt het aanhangende bord. Wie de bus niet kan betalen loopt. Er zijn meer voetgangers dan auto’s. Blanken zie je hier niet.

In een kamer zonder ramen in een sociaal woningbouwcomplex in Parkside, Oost-Detroit, spreek ik Zachary Earl Rowe (54). Ook Rowe werkt aan de opbouw van zijn stad; al jaren leidt hij de buurtorganisatie Vrienden van Parkside. Zijn club zet zich in voor een veilige en bloeiende leefomgeving. Zijn vrijwilligers en hij houden met bewoners de straten schoon, geven voorlichting over gezondheid en drugsgebruik, informeren jongeren en werklozen over de arbeidsmarkt, bieden naschoolse activiteiten en delen eens per maand voedsel uit.

Als dertienjarige belandde Rowe hier. Armoede, criminaliteit en werkloosheid waren aan de orde van de dag. De crackepidemie van de jaren tachtig verwoestte wat er nog over was aan gevoel van veiligheid. Dealers op elke straathoek, junks, inbraken en misdaad, dat was het leven. Rowe wapende zich op zijn eigen manier: met een vriendelijke glimlach en gereedschapskist bewoog hij zich door de buurt. Een muurtje opknappen links, een likje verf rechts. Hij opereerde onopvallend, zat niemand dwars. Zo laveerde hij haast onzichtbaar maar daardoor ongeschonden door zijn puberteit.

Ook nu kiest hij zijn woorden zorgvuldig. ‘Leven hier is een wankel evenwicht. Je moet je hoofd boven water houden en hard werken. Je kunt andere mensen niet de schuld geven als het niet lukt, al gebeurt dat soms wel. Maar de duivel schijt op de grote hoop. Kijk om je heen: het vraagt veel volharding om hoop te halen uit deze plek’, zegt hij ingetogen. Op grote emoties kun je Rowe niet betrappen, hij is eerder het type stille wateren, diepe gronden. Hij laat een langere stilte vallen dan normaal als ik vraag naar de investeringen van Gilbert. ‘De metamorfose in het centrum is prachtig’, zegt hij. ‘Ik ben blij dat het daar beter gaat. Maar uiteindelijk zijn het buurten zoals deze die gaan bewijzen hoe het echt met Detroit gaat.’

Dat is nog niet zo gemakkelijk. Alle investeringen en het harde werk van velen ten spijt is de verdeling van welvaart in Detroit historisch gegroeid en getekend. Zoals in zoveel steden in Amerika kent die verdeling ook een kleur. In de hoogtijdagen van de Grote Drie – General Motors, Ford en Chrysler – was er meer werk dan mankracht in de regio. Henry Ford besloot de lonen ongeacht huidskleur gelijk te trekken. Dat nieuws bracht een nieuwe stroom arbeid vanuit de zuidelijke staten de stad binnen. Ford mocht dan kleurenblind zijn als het op handjes neerkwam, de rest van de stad was dat niet. Zwarten mochten alleen in daartoe aangewezen delen wonen. Wie zich daar niet aan hield, werd desnoods met geweld en bedreiging verjaagd.

Terwijl zwarte bevolking uit het zuiden de stad in kwam trok de blanke bevolking naar de voorsteden rondom Detroit. Het was gemakkelijk forensen voor de white flighters: auto’s waren nog net niet gratis, de auto-industrie had een uitgestrekt wegennet aangelegd ten koste van de infrastructuur voor openbaar vervoer. Mensen konden goed leven van de salarissen in de auto-industrie. Het bestaan in Detroit was zo slecht nog niet. Ook de zwarte bevolking profiteerde: er ontstond een goed georganiseerde middenklasse en de burgerrechtenbeweging groeide als kool. In 1967 mondde dat uit in een van de bloedigste rassenrellen in de moderne geschiedenis van Amerika. Nog steeds ligt het onderwerp gevoelig: afhankelijk van wie ik spreek, gaat het over de rellen (riots) of over de opstand (uprising). Woorden doen ertoe, zeker in Amerika.

De historische segregatie tekent nog altijd de verdeling van welvaart in Detroit. Het zijn de wijken waar destijds zwarte bewoners werden geplaatst, zoals Parkside, waar al decennialang de opwaartse mobiliteit het laagst is en de criminaliteit het hoogst. De geografie van Detroit helpt daarbij niet: de stad telt evenveel vierkante kilometers als Manhattan, Philadelphia en San Francisco samen. Voor een stad met weinig geld is dat een nachtmerrie: minder agenten, vuilnismannen en handhavers die een groter deel van de stad moeten bestrijken.

Merkt Parkside dan helemaal niets van de groei van de stad? ‘O jawel! Het vuilnis wordt weer opgehaald. De verlichting brandt op de meeste plekken. Sneeuw wordt geruimd. De bus rijdt op tijd, meestal’, zegt Rowe. Hij lacht. ‘Kun je het je voorstellen? Blij omdat het vuilnis wordt opgehaald. Dat zijn moderne tijden. Als je honger hebt, ben je blij met de korstjes.’ Een lange stilte. Dan: ‘Het voelt nog onwerkelijk. Als de bus vijf minuten te laat is en dát valt me op – dan is het normaal.’ Behoedzaam voegt hij eraan toe: ‘Ergens in mijn achterhoofd klinkt toch die stem die zegt: wen er maar niet aan.’

Waar Gilbert zijn middelen in het centrum van de stad injecteert, zijn voor burgemeester Mike Duggan buurten als Parkside een speerpunt. De veranderingen die Rowe noemt, zijn aan Duggan te danken. Ook het heropenen van politiebureaus en scholen in de wijken buiten het centrum mag de burgemeester op zijn conto schrijven. Duggan trad aan op het dieptepunt in 2012 en werd vorig jaar met 72 procent van de stemmen herkozen, een prestatie van formaat. ‘Het is een gevecht tegen de stroom in, dat begrijpt iedereen’, zegt een van de inwoners die ik spreek. ‘Hij doet wat hij kan, ook voor ons. Bovendien: hij houdt woord. We gaan al een tijdje mee hier, dan leer je geduldig zijn.’

‘Kun je het je voorstellen? Blij omdat het vuilnis wordt opgehaald. Als je honger hebt, ben je blij met de korstjes’

Maar het is meer dan alleen geduld dat je meekrijgt in Detroit. Wie hier is opgegroeid heeft geleerd om te gaan met tegenslag. Misschien is dat wel wat de stad zo inspirerend maakt. Iedereen die je hier spreekt, heeft een verhaal over verlies, over opnieuw beginnen, over het doen met wat je gegeven wordt in het leven en daar iets van maken.

Dat geldt in het bijzonder voor de politieagenten, brandweermannen, onderwijzers en andere ambtenaren die hun salaris ontvangen van de stad. Zij hebben collectief de helft van hun pensioen ingeleverd om de stad te redden, als onderdeel van de onderhandelingen over het faillissement van de stad. Een verlies dat nog steeds pijn doet, maar dat velen van hen uiteindelijk met trots hebben genomen. ‘We gunnen elkaar hier iets’, zegt een van hen. Het maakt Detroit tot een stad zonder kapsones. Het zijn ook de mensen die de stad bijzonder maken, is het antwoord dat ik van iedereen telkens weer krijg. Trots, hardwerkend, saamhorig.

In het Amerika van 2018 is dat geen vanzelfsprekendheid. Het beeld van een diverse gemeenschap die samenkomt om een stad op te bouwen in een land dat verdeeld is, biedt hoop. Wat op landelijk niveau maar moeizaam gaat – besluiten nemen, elkaar willen verstaan of tegemoetkomen – gebeurt in Detroit als vanzelf met een bonte mix aan ondernemers, bewoners, bestuurders en avonturiers.

Want het zijn niet alleen Gilbert, Duggan en achterblijvers als Rowe die de stad weer opbouwen. Wat Gilbert in het groot onderneemt, trekt ook avonturiers in het klein naar de stad. Kunstenaars en paradijsvogels maar ook jonge gezinnen ontvluchten de hoge huren aan de oost- en westkust van het land en bouwen een nieuw bestaan op in Detroit. Voor minder dan tweeduizend dollar kopen ze een verlaten woning, vaak in slechte delen van de stad, of ze huren voor een fractie van de lasten die ze gewend zijn. Ook steeds meer bewoners die tijdens de crisis zijn weggetrokken zien dat Detroit weer in de lift zit en keren terug om daaraan bij te dragen.

Die intocht kent een eigen dynamiek, los van het kapitaal en de visie van Gilbert. Detroit heeft voor deze groep een aantrekkingskracht waar geen technologie of millennials aan te pas komen. Vrijheid en creativiteit of plichtsbesef en heimwee trekken hen aan. Detroit huist zo twee uiterste vormen van ordening en organisatie in de Amerikaanse samenleving. De macht van het geld en gevestigde instituties enerzijds, grassroots en alternatieve vormen van organisatie anderzijds.

Het is duidelijk waar het primaat ligt: wie betaalt, bepaalt. Het is de vastgoedbaas die het aangezicht en de samenstelling van het centrum – met goedkeuring van het stadsbestuur – vormgeeft. Of dat duurzaam is moet blijken. Maar zoals grassroots in het land nu verandering sturen en daarin samenwerken met bestaande maatschappelijke organisaties, of zoals politici van buiten het systeem verkozen worden om hun partij te vernieuwen in plaats van te verlaten, zo wordt Detroit ook door de combinatie van groot geld en kleine beweging getransformeerd. Verbonden door het gedeelde leed en de mogelijkheden die dat biedt, zet iedereen zijn schouders eronder.

De stad toont zo ook de kracht van lokale besluitvorming en lokale gemeenschappen. ‘Localism’, aldus de rode draad in een reeks essays die denktank American Enterprise Institute begin dit jaar over het onderwerp presenteerde, is het medicijn tegen het wantrouwen in de grote instituties. Lokale bewegingen laten in het bijzonder aan de jongere generaties zien dat verandering mogelijk is, dat het snel kan gebeuren en dat het tastbaar en dichtbij is. Landelijk worden verschillen uitvergroot, lokaal is het gemakkelijker om elkaar te vinden en met elkaar in gesprek te gaan, is de gedachte.

Detroit, november 2008. De overblijfselen van de Packard Motor Car Company, die stopte met productie in de late jaren vijftig. General Motors, Ford en Chrysler strijden tegen faillissement © Spencer Platt / Getty Images

Tegelijkertijd toont Detroit Amerika als de stammensamenleving die het is. De millennials die als economische motor het centrum in zijn gekatapulteerd beleven een andere stad dan de arme inwoners van Detroit buiten het centrum. ‘Een speeltuin voor blanke millennials’, typeren de bewoners buiten het centrum de binnencirkel van de stad misprijzend. Een benaming waar al even weinig interesse voor de ander vanuit gaat als van de import-Detroiters voor de buitenringen van de stad. ‘Don’t take the bus’, is het credo in de binnenstad. Niets is zo synoniem voor armoede en voor de buitenringen als de bus. In Amerika hoor je bij hen of bij ons, je bent voor of je bent tegen. Op lokaal niveau is het nooit moeilijk om dat aan te wijzen: er is altijd die ene straat of het spoor die de scheiding aangeeft.

De indeling van de samenleving langs leefstijlen, economische en sociale klasse, ras en steeds meer langs politieke lijnen is allerminst nieuw in Amerika. In ‘Gilbertville’ is dat dankzij de naamgever strategie geworden. De groef die de verdeling van de welvaart tekent, wordt daarmee weer een stukje dieper ingesleten. Gilbert reageert geïrriteerd op die kritiek. ‘Als het goed gaat met het centrum, heeft iedereen daar profijt van. Kijk gewoon naar de cijfers, het gaat een stuk beter met Detroit dan tien jaar geleden.’

Dat is ontegenzeggelijk waar. Maar terwijl misère geen onderscheid maakt, doet welvaart dat wel. Wat Gilbert vergeet te melden is dat de daling van de werkloosheid en criminaliteit maar mondjesmaat geldt voor de buitenwijken en dat de toename in loon en de gunstige huizenprijzen een werkelijkheid vormen die ophoudt bij de grens met het centrum. Het gemiddelde inkomen steeg, maar de inkomensstijging van bewoners met een Afro-Amerikaanse achtergrond, zo’n tachtig procent van de bevolking van de stad, bleef aanzienlijk achter bij die van de blanke bewoners. Het is niet alleen de economie die groeit; de ongelijkheid groeit mee. De vraag in Detroit is dan ook niet of de pot met goud aan het einde van regenboog er staat, maar wie er uiteindelijk van die pot met goud gaat profiteren.

Het is de kern van het Amerikaanse vraagstuk: de verdeling van de welvaart. De rijkste tien procent Amerikanen verdient meer dan negen keer zoveel als de armste negentig procent. Voor de rijkste één procent is dat ruim veertig keer zoveel. Ongelijkheid kent bovendien een kleur. Het gemiddelde inkomen van een blank gezin in 2016 was tien keer zo hoog als het gemiddelde inkomen van een Afro-Amerikaans gezin. Het is het principe dat de samenleving ordent langs lijnen van buitenproportionele ongelijkheid.

Kan Detroit het tegendeel bewijzen? Is de nieuwe kans waar rechter Rhodes op doelde een stad van gelijke mogelijkheden? Het beeld dat opdoemt, belooft eerder het tegenovergestelde. Detroit is een stad met twee gezichten. Een bruisende, bloeiende binnenstad vol blakende, voornamelijk blanke millennials en een arme, zwarte omgeving daaromheen met een historisch gewortelde achterstand en de littekens van vijftig jaar aftakeling, corruptie, crisis en burgerrechtenstrijd. Niets is onmogelijk in Amerika. De kracht van het land is ook het onuitputtelijke geloof dat het altijd beter wordt, ook als alles om je heen het tegendeel bewijst. Maar als Detroit een graadmeter is voor het oplossen van de vraagstukken van Amerika voorspelt het een land waar de verschillen, ondanks goede bedoelingen, alleen maar groter worden.