Municipalisme: Nieuwe politiek of stadsromantiek?

Stad zonder vrees

De creatieve stad is als tegenpool van neoliberaal globalisme en plattelandsconservatisme mogelijk effectiever in de strijd tegen sociale ongelijkheid en klimaatverandering dan de staat. Voor het afschaffen van die staat is evenwel geen reden.

Portret van de burgemeester van Barcelona Ada Colau in een marktstal, Barcelona, 2015 © Emilio Morenatti / AP / HH

Kunnen steden de wereld redden? Voor radicale staddenkers en ‘stadmakers’ is dat geen vraag maar een weet en een must. De stad is de bakermat van een ‘zeer diepgaande transitie naar een totaal andere tijd’, meent de Belgische cultuurfilosoof Eric Corijn. Zij is ‘de laatste en beste hoop van de democratie’, aldus de Amerikaanse politicoloog Benjamin Barber in zijn boek If Mayors Ruled the World (2013). En in Rebel Cities (2012) beschouwt de Britse geograaf David Harvey het recht van burgers om hun stad ‘terug te veroveren’ als de startmotor van een nieuwe antikapitalistische revolutie.

Zo is de stad ontdekt als nieuw wereldhistorisch subject, als een utopische plek van hoop en verbeelding, waar de democratie opnieuw wordt uitgevonden en een dam wordt opgeworpen tegen de neoliberale globalisering en haar bastaardkind: het nationaal-populisme. Behalve een vrijplaats en broedplaats van creativiteit, emancipatie, vergroening en nieuwe gemeenschappelijkheid (de commons) geldt de stad ook als proeftuin voor een nieuwe ‘horizontale’ democratie die dicht bij de burgers staat, niet top-down werkt maar van onder naar boven, niet ideologisch is maar pragmatisch en oplossingsgericht, maar die tegelijkertijd haar radicale systeemkritische impuls behoudt.

Volgens deze denkers is het politieke charisma van de natiestaten verbleekt en vestigt het zich nu in de metropool. De nationale politiek heeft gefaald, gevangen als ze is in de logica van schuld en bezuiniging die is afgedwongen door de kapitalistische globalisering. De natiestaten zijn te klein, te arm en te zwak om de grote spelers in de grenzeloze wereldeconomie effectief te kunnen weerstaan. Door hun aard neigen zij tot afsluiting, rivaliteit en nationalisme, terwijl steden van nature open zijn, wars van grenzen, divers en gespitst op samenwerking.

Daarom is een grensoverschrijdende stedenbond (een nieuwe stedelijke Internationale) een aantrekkelijker model voor een nieuwe kosmopolitische orde dan de stagnerende Europese Unie, die door de natiestaten wordt gedomineerd en net als deze in de greep is van de neoliberale agenda. De grote steden hebben normatief een streepje voor omdat ze tegelijkertijd lokaal en mondiaal zijn georiënteerd (glocality). De stad staat dichter bij de wereld en heeft daarom de toekomst, terwijl het land naar het verleden is gericht, stelt Corijn apodictisch in Een stad is geen land (2018). Laat steden daarom doen wat staten niet kunnen, en laat burgemeesters de wereld regeren, zoals Barber aanbeveelt. En volgens hem gebeurt dat al lang, dus we hoeven de bestaande infrastructuur van interstedelijke samenwerking alleen maar te erkennen en te formaliseren.

***

Het is een verleidelijke politieke tegenstelling: progressieve stad tegen conservatief (platte)land; links kosmopolitisme tegen rechts nationalisme; multiculturele onzuiverheid en verschil versus monoculturele identiteit en ‘eigen volk eerst’; realistische makers en doeners versus losgezongen intellectuelen, politici en ambtenaren. Niet toevallig vormt dit goed-kwaad-schema het spiegelbeeld van de nationaal-conservatieve en fascistische afkeer van de ‘abstracte’ kosmopolitische metropool en de bijbehorende lofzang op het ‘aardse’ platteland als de ware Heimat van volk en natie.

Toegegeven: de politieke geografie van het moderne populisme levert nogal wat feitelijke steun op voor zo’n frame. Het Brexit-referendum werd gewonnen op het Engelse platteland, terwijl de grote steden voor remain stemden. De grote steden in de VS, vooral die aan de Oost- en Westkust, zitten de regering-Trump dwars met hun progressieve klimaat-, immigratie- en sociale politiek. Rebelse burgemeesters in Napels, Palermo en Messina nemen tegen de zin van de populistische Italiaanse regering bootvluchtelingen op. In Barcelona kwam in 2015 tot chagrijn van de toenmalige rechtse regering-Rajoy de burgerbeweging Barcelona en Comú aan de macht en leverde met de voormalige huisuitzettingsactivist Ada Colau ook de burgemeester.

In 2017 vond in die stad de Fearless Cities Summit plaats, waaraan vertegenwoordigers van andere Europese steden, maar ook van steden uit Latijns-Amerika, Canada en de VS, deelnamen. ‘Steden zonder vrees’ zijn niet bang om nieuwkomers te verwelkomen en hun diversiteit te vieren; burgers zijn niet bang om de publieke ruimte terug te veroveren en bestuurders niet om macht met burgers te delen; en geen van beide vrezen nationale overheden die een neoliberale en/of populistische koers varen. Opgewonden visionairs van deze stedelijke revolutie spreken al van een ‘Orde van Barcelona’, die de ‘Westfaalse’ orde van onafhankelijke natiestaten zal gaan vervangen.

***

Bij dit nieuwe politieke (over)enthousiasme voor de stad hoort ook een spandoekwoord: municipalisme. De Amsterdamse GroenLinks-wethouder Rutger Groot Wassink liet onlangs in Vrij Nederland weten: ‘Dit is het tijdperk van de stad, van het municipalisme… Je moet concluderen dat de nationale overheid en het nationale parlement steeds minder relevant worden.’ Zijn eerste werkbezoek ging dan ook naar Barcelona, in het gezelschap van GroenLinks-fractievoorzitter Femke Roosma en de linkse publicist en Spanje-kenner Frans Bieckmann. De laatste is inmiddels strategisch adviseur van een programmateam dat ‘een Amsterdams discours over het municipalisme’ moet gaan ontwikkelen, in de aanloop naar een Fearless Cities Summit in Amsterdam in 2020. Ook de burgemeester van de ‘republiek Amsterdam’ Femke Halsema lijkt van het idee van de ‘stad zonder vrees’ gecharmeerd.

Steden zijn van nature open, wars van grenzen, divers en gespitst op samenwerking

Amsterdam Fearless City was al de kop boven het Links Pact waarmee GroenLinks, de pvda en de SP in maart 2018 samen de gemeenteraadsverkiezingen in gingen. In het pamflet wordt de stad gevierd als de katalysator van politieke veranderingen die concrete alternatieven moeten scheppen voor de neoliberale economische en politieke orde, via nieuwe vormen van bezit en beheer en democratie van onderop. Een internationale beweging van progressieve steden kan in het vacuüm springen dat nationale overheden hebben laten ontstaan. De stad is de plek waar de politiek opnieuw kan worden uitgevonden: ‘Uit de instituties, terug naar de buurt, het plein, de agora’.

Vergelijkbare sentimenten vindt men bij de ‘stadmakers’ van Pakhuis de Zwijger, het debatplatform dat soms poseert als een alternatief stadhuis. Ook zij beschouwen het municipalisme als hét progressieve antwoord op de neoliberale en populistische (staats)politiek. Ze stimuleren een nieuwe ‘doe-democratie’ die wortelt in de groeiende praktijk van burgercollectieven, wijkbudgetten, creatieve hotspots, woon-, energie-, voedsel- en zelfbouwcoöperaties. De ‘stadmakersbeweging’ is net als haar Barcelonese voorbeeld wars van bureaucratie, ideologie en ouderwetse partijpolitiek en vindt haar inspiratie vooral in het ‘duurzaam zelf doen’ van burgers.

***

Met dit wantrouwen jegens de staat en voorkeur voor ‘horizontale’ democratie wortelt het municipalisme duidelijk in de traditie van het politieke anarchisme: een traditie die niet vreemd is aan steden als Barcelona en Amsterdam. De term zelf is afkomstig van de Amerikaanse publicist-activist Murray Bookchin (1921-2006), die faam verwierf als de grondlegger van het eco-anarchisme oftewel de sociale ecologie. Zijn dochter Debbie Bookchin, die zich opwerpt als de hoedster van haar vaders gedachtegoed, was prominent aanwezig op de Fearless Cities Summit in Barcelona met een vurig pleidooi voor het municipalisme.

Bookchins bekende artikel Libertarian Municipalism (1991) getuigt inderdaad van een diep wantrouwen jegens alle ‘verticale’ machtsvorming, vooral het centralisme van de staat – dus inclusief het hele representatief-democratische stelsel van verkiezingen, parlementen en partijen (die immers de kiem vormen van de staat). Socialistische en groene partijen verschillen volgens hem slechts marginaal van andere parlementaire partijen: zij willen allemaal de macht veroveren en worden door die machtswil noodzakelijk gecorrumpeerd. Verkiezingen brengen slechts een (nieuwe) elite aan de macht, en politieke representatie drijft onvermijdelijk een wig tussen politieke professionals en gewone burgers.

Het gaat in de politiek dan ook niet om het grijpen van de macht, maar om het ontbinden en laten afsterven ervan. Anarchisten als Bookchin zetten alles in op een revolutionair-creatieve beweging van onderop, die moet resulteren in een samenleving van zelfvoorzienende gemeenschappen, waarin burgers zichzelf besturen in volksvergaderingen waarin politieke debatten en besluiten nog face to face kunnen plaatsvinden. Alles moet worden vermeden om opnieuw een hiërarchische, centralistische (staats)structuur op te bouwen. Ware democratie bestaat uit direct bestuur van de samenleving door burgers die overleggen en beslissen in municipale vergaderingen, in tegenstelling tot ‘republikeinse’ vormen van representatie die via partijconcurrentie en verkiezingen beroepspolitici in het zadel helpen.

Het (verwarrende) adjectief ‘libertair’ in ‘libertair municipalisme’ verwijst vooral naar deze compromisloze afwijzing van alle ‘verticale’ machtspolitiek. Maar deze vorm van ‘vrijheid’ is een klassieke anarchistische illusie. In een grootschalige democratie zullen er altijd indirecte of gemedieerde relaties bestaan, en dus ook media, woordvoerders en vertegenwoordigers. De politieke ambitie van decentralisering van de staatsmacht en van democratische organisatie van onderop kan heel goed worden nagestreefd zonder ideologische scherpslijperij over de ‘afschaffing van de staat’.

Ook Bookchin erkent (hoe kan het ook anders) dat municipalisme kan leiden tot lokaal parochialisme, en dat er naast decentralisatie dus confederatie nodig is: de onderlinge verbinding tussen gemeenschappen via vertegenwoordigers, die dan wel strak moeten worden aangelijnd door de lokale burgervergaderingen. De belangrijkste taak, die van de beleidsvorming (policy-making), moet altijd in handen blijven van de volksvergadering, terwijl de ‘secundaire’, uitvoerende taak (administration) toevalt aan de federale raden van buurten, dorpen en steden. Maar een dergelijk onderscheid is onvruchtbaar en in de praktijk van alledag moeilijk te maken. Bookchin suggereert bovendien dat politieke conflicten zullen verdwijnen omdat de volksvergadering uiteindelijk één is in haar streven naar het algemeen belang – dat ook nog eens ‘objectief’ zou worden gedefinieerd door de naderende ecologische catastrofe.

Ten slotte zijn Bookchin en andere municipalisten niet al te helder in hun definitie van de commune of municipality: buurt, stadsdeel, stad, dorp, provincie, regio? Het lijkt per slot van rekening eerder te gaan om een normatief ideaal (van autonomie en gemeenschapszin) dan om een aanwijsbaar schaalniveau van menselijke organisatie – ofschoon Bookchin blijft hameren op het belang van de menselijke maat en een werkelijk deliberatieve democratie alleen mogelijk acht in kleine lokale verbanden.

Als stad alleen kun je niet op tegen het grote geld: dan heb je nationale regeringen en bijvoorbeeld Europa nodig
***

Kan het municipalisme worden gered van de soms ronkende stadsromantiek à la Bookchin, Barber, Corijn en hun vele geestverwanten? Ik denk van wel, maar alleen als het zich bevrijdt van anarchistische illusies over de functies van machtsvorming en van het simpele anti-etatisme waarbij de ‘linkse stad’ wordt geplaatst tegenover het ‘rechtse land’. De horizontalistische afkeer van de professionele politiek (‘vanonderopisme’) miskent dat machtsvorming altijd twee gezichten heeft: productief én repressief. Macht(songelijkheid) is functioneel voor alle vormen van organisatie, maar het blijft altijd een riskant instrument. Volgens het nuchtere woord van de socioloog J.A.A. van Doorn: ‘De macht is nooit in goede handen, in ieder geval niet voor langere tijd in dezelfde handen.’

De grote uitdaging is om, gegeven de productieve centralisering van wonen, werken en recreëren in duurzame klimaatbestendige metropolen, tegelijkertijd vorm te geven aan de roep om democratische decentralisering. Politici en beleidsmakers moeten zich daarbij meer openstellen voor de deliberatieve wisselwerking met groepen geëngageerde burgers, zodat burgerparticipatie en zelforganisatie normale onderdelen worden van het democratische proces. Nadrukkelijk: als aanvulling op de representatieve democratie, niet ter vervanging ervan, zoals Bookchin in zijn radicale momenten suggereert.

Ook de zelforganisaties van de burgers ontsnappen immers niet aan de verticale dimensie en het morele janusgezicht van de macht – en dus niet aan een zekere mate van representatie en professionalisering. Het verschil met de formele democratie is eerder gradueel dan essentieel en maant tot reflexieve bescheidenheid zowel bij de tijdelijk verkozen machthebbers als bij geëngageerde burgers. Ook de burgerplatforms zijn machtsmechanismen waarin ongelijke posities ontstaan, waarin participatie-elites of ‘beroepsburgers’ (Bookchin spreekt over leiderschap door ‘influential militants’) het woord voeren en de toon zetten voor de zwijgende, niet-actieve meerderheid.

En hoewel het democratisch proces veel baat kan hebben bij het aanboren van de kennis en kunde van ‘gewone’ burgers moeten we ook niet naïef zijn over deze vaak bewierookte volkswijsheid of wisdom of the crowd. Het horizontalistische sentiment leidt snel tot wantrouwen jegens alle experts (bijvoorbeeld professionele stadsplanners), terwijl de burgerbewegingen zelf noodzakelijkerwijze contra-elites van contra-experts voortbrengen die zich soms ten onrechte hullen in de mantel van ‘het volk’. Het is dan ook overspannen om te suggereren dat lokale burgerinitiatieven het begin zijn van een revolutionaire democratische omwenteling. Ze vormen een welkome en noodzakelijke verdieping van het democratisch repertoire voorbij (en in correctie op) verkiezingen, traditionele politieke partijen, parlementen en regeringen, maar lijden in principe aan dezelfde onvolmaaktheden.

Het dilemma van de Amsterdamse municipalisten is bovendien dat, anders dan in hun voorbeeldstad, de ‘beweging van onderop’ deels van bovenaf, vanuit het stadhuis, moet worden geregisseerd. Maar ook in Barcelona beseft men inmiddels dat de ‘mobilisatie van de straat’ niet permanent kan zijn, en dat er continuïteit van machtsvorming nodig is om op te kunnen boksen tegen vijandige economische elites, rechtse media en de nationale regering. Barcelona en Comú heeft enkele beperkte successen geboekt, maar heeft geen echte doorbraken kunnen bewerkstelligen in bijvoorbeeld het huisvestingsbeleid of de communalisering van openbare nutsvoorzieningen.

Socialisme, communisme of zelfs anarchisme in één stad zijn onmogelijk, stelt David Harvey terecht. We hebben verticale, hiërarchische vormen van organisatie nodig om allerlei grootschalige, grensoverschrijdende problemen aan te pakken. Ook een translokale stedenbond kan daarvoor uiteindelijk te weinig macht ontwikkelen. Deze kwestie van de noodzakelijke ‘schaalsprong’ wordt door anarchistische stadmakers en commoners doorgaans uit de weg gegaan. Maar niet alle besluitvorming is ‘circulair’. Het streven naar horizontaliteit is een prima politiek doel, aldus Harvey, maar het heeft zijn grenzen. Als stad alleen kun je niet op tegen de multinationals en het grote geld: daar heb je nationale regeringen en bijvoorbeeld Europa voor nodig.

***

Op de keper beschouwd verschillen steden dus niet zo veel van staten en bovennationale organisaties als politieke arena’s waarin wordt gestreden om ideeën en de macht om die in praktijk te brengen. De romantische privilegiëring van de stad gaat vaak gepaard met een bijna antipolitieke voorkeur voor pragmatisme en consensualisme, alsof de veel geroemde ‘nabijheid’ tot de burger alle ideeën- en belangenstrijd overbodig zou maken. Maar we zijn niet van nature allemaal commoners, en ideologische conflicten zijn niet per definitie onproductief. Bovendien is ook de stadsdemocratie verticaal gelaagd, niet alleen tussen bestuurders en burgers, maar ook tussen de minimale elite van ‘beroepsburgers’ en the rest of us die geen tijd of zin hebben om mee te doen in de doe-democratie.

De conclusie luidt dus dat we niet op voorhand een bepaald schaalniveau (in dit geval het lokale) kunnen bevoordelen. We moeten de neiging weerstaan om de nationale en bovennationale politiek maar op te geven, omdat de representatieve democratie een ‘illusie’ zou zijn of omdat de natiestaten en de Europese Unie ‘nu eenmaal’ gevangen zitten in neoliberalisme, populisme en nationalisme. Bij voldoende progressieve machtsdruk zal blijken dat er ook op die niveaus iets gaat bewegen. De marges zijn minder smal dan de marktfundamentalistische there is no alternative-ideologie suggereert. Dat betekent dat er veel meer politieke manoeuvreerruimte is voor lokale bestuurders en burgers, als zij de moed hebben om zich onafhankelijker op te stellen en de grenzen van hun autonomie op te zoeken, ook door politiek blufpoker te spelen en zich op te werpen als ‘fearless’, ‘rebel’ of ‘sanctuary city’.

Het gaat dus niet om stad tegen land, of om pragmatisme in plaats van ideologie, maar om een links-progressieve versus een rechts-conservatieve politiek op alle politieke schaalniveaus. Decentralisatie is niet per definitie een goede zaak, want zij kan ook in dienst staan van bezuiniging, privatisering en vermarkting. Ook gated communities en getto’s zijn een soort commons. Het is goed wanneer de fixatie op de nationale (Haagse) politiek wat minder wordt, maar voor het afschaffen of negeren van de staat is geen enkele reden. Integendeel: progressieve politiek vraagt behalve om sterkere steden en regio’s ook om sterkere staten en een sterkere Europese Unie.

Dit is de misschien bescheiden, maar wel degelijk prikkelende en enthousiasmerende betekenis van het municipalisme: het lokale niveau is veel belangrijker voor de progressieve machtsvorming dan vaak wordt gedacht. Er is op dit niveau veel meer mogelijk in de strijd tegen de sociale ongelijkheid, de klimaatverandering en de heerschappij van de kapitalistische markt. Om deze enorme problemen aan te pakken hoeven wij (politici, ambtenaren en burgers) niet te wachten op nationale regeringen, politieke partijen en verkiezingen, want we kunnen zelf beginnen, dichtbij, in onze buurt, onze stad, onze regio. Maar dan moeten we ons bevrijden van het nieuwe stadschauvinisme, van stadmakers die denken dat de stad de wereld is en zijzelf wereldhistorisch bezig zijn.


Dick Pels is politiek publicist en singer-songwriter. Zijn laatste boek is A Heart for Europe: The Case for Europatriotism (2016, gratis te downloaden op dickpels.nl). Zijn tweede cd Meanwhile Gardens kwam uit in december 2018 (Spotify etc.)