Stadhuisoorlog

Het kan aan mij liggen, of aan mijn woonplaats Amsterdam, maar het lijkt erop dat de gemeenteraadsverkiezingen maar niet op gang willen komen. Er zijn nog maar twee weken te gaan en ik heb in de hoofdstad nog geen verkiezingsaffiche voor een raam zien hangen.

Zou de stembusstrijd pas gaan leven als hij voorbij is en we tot onze schrik moeten constateren dat minder dan de helft van de bevolking de moeite heeft genomen te gaan stemmen?
Hoe dan ook, zij die na 2 maart door ons worden uitverkoren gaan zeker in de grote steden een zware tijd tegemoet. De discussie over de herwaardering van de verzorgingsstaat, zo hield Ed. van Thijn bij zijn afscheid de Amsterdamse gemeenteraad nog eens voor, is eigenlijk vooral een discussie over de verzorgingsstad. De dames en heren lokale politici beschikken daarbij weliswaar over steeds meer bevoegdheden, maar ook over steeds minder geld.
Het is natuurlijk moeilijk te voorspellen hoe de nieuwe generatie bestuurders zich in het geweld van de verzorgingsstad staande zal weten te houden. Een vorige week in Binnenlands Bestuur gepubliceerd onderzoek stemt echter niet optimistisch. Van de ooit door CDA, PvdA en GroenLinks dringend noodzakelijk genoemde vernieuwing onder aankomende volksvertegenwoordigers is maar bitter weinig terechtgekomen. Weliswaar is de doorstroming enorm (naar schatting bijna twee derde van de raadsleden in de zeventien grote steden zal worden vervangen), maar de nieuwkomers komen vrijwel zonder uitzondering keurig voort uit het lokale partij-establishment. Qua profiel wijken ze niet af van hun voorgangers. Het probleem is, zo concluderen de onderzoekers, dat er eenvoudig geen nieuwe elite klaar staat die de oude erop wijst dat het tijd is om op te stappen.
Het gevolg zal zijn dat de verwarring en het daarbij horende gerommel dat de laatste vier jaar in nogal wat stadhuizen vaker dan ooit de kop opstak, vermoedelijk alleen maar in hevigheid zal toenemen. De afgelopen raadsperiode steeg het aantal wethouders dat om politieke redenen aftrad spectaculair van 48 naar 82. Ook het aantal wethouders dat door de eigen fractie noodlottig in de steek werd gelaten, verdubbelde bijna, evenals het aantal wethouders dat om persoonlijke of competentieredenen tot ontslag werd gedwongen. Saillant detail: ruim een op de acht D66-wethouders moest tussen 1990 en 1993 om dergelijke redenen het veld ruimen.
De doorsnee gemeenteburger had in nogal wat gevallen bij deze lokale politieke twisten het nakijken. In veel gevallen (Almere is daarvan het bizarre voorbeeld) had het geruzie nog het meeste weg van ordinaire veten en koelbloedige afrekeningen en was er van een publiek politiek debat geen sprake. Als na 2 maart niet met die naargeestige inner circle-traditie wordt gebroken en de loomheid van de aanloop naar deze verkiezingen geeft wat dat betreft te denken gaan de democratie en de verzorgingsstad in ons land pas echt zorgelijke tijden tegemoet.