Stadsgek

Het kan toch niet de bedoeling zijn dat De Groene Amsterdammer zich nu ook voegt in de trend om onderscheid te maken tussen mensen die wel aan de samenleving deel mogen blijven nemen en zij die daar uit moeten worden verwijderd. De verzorgingsstaat, tot voor kort gekenmerkt door solidariteit en tolerantie, kalft af.

Het recht op volwaardige deelname aan de samenle ving wordt steeds moeilijker te verkrijgen. Dit geldt voor asielzoekers, voor mensen die in de gevangenis hebben gezeten en, gezien het commentaar van Jos van der Lans, ‘De terugkeer van de stadsgek’, in De Groene van 9 februari, nu ook voor psychiatrische patienten. Het stuk gaat niet over de grote groep Nederlanders die in onze samenleving steeds meer een beroep moet doen op de hulp van de ambulante geestelijke gezondheidszorg. Een plek verwerven op de arbeidsmarkt, in het huwelijksleven, onder vrienden lijkt in de krimpende verzorgingsstaat steeds moeilijker te worden.
Daarnaast heeft de geestelijke gezondheidszorg de zorg voor een relatief kleine groep patienten voor wie de stoornis hun leven is gaan bepalen. Vroeger werden deze mensen opgeborgen in inrichtingen. De zorg leek zo geregeld te zijn en het leed was daarmee aan het oog van de samenleving onttrokken. De boodschap van de antipsychiatrie, die in het artikel van Van der Lans wordt afgedaan met 'romantisering’, was deze mensen weer zo goed en zo kwaad als dat gaat een terugkeer te bieden in de samenleving. Daar is niets romantisch aan.
Dat neemt niet weg dat vooral de zwervende psychiatrische patienten en de agressieve patie"nten het beeld zijn gaan bepalen. Het gaat overigens om een kleine groep. Wat dat betreft is het rapport van de Nationale Raad voor de Volksgezondheid, dat onlangs is uitgebracht, verwarrend. Allereerst betreft dit de groep dak- en thuislozen, waarvan het merendeel wel degelijk een dak boven het hoofd heeft in verschillende instellingen. Kortom, zij die op straat zwerven, vormen een veel kleiner deel en hun aantal is moeilijk vast te stellen.
In de tweede plaats is de constatering 'ernstig psychisch gestoord’ niet goed vastgesteld door de Raad. Hier is gebruik gemaakt van onderzoek met psychische stoornissen in brede zin. Het moge echter voor zichzelf spreken dat veel mensen die huis en haard zijn kwijt geraakt, daar ook psychische schade van ondervinden. Waar we vooral voor moeten gaan zorgen, is die groep van ernstig psychotische en verwaarloosde zwervende patienten, die we inderdaad steeds meer in onze stadskernen zien opduiken. Hier ligt een moeilijke uitdaging voor de geestelijke volksgezondheidszorg en de instellingen voor hulp aan daklozen.
Een commissie van de Gezondheidsraad buigt zich op dit moment over de vraag wat nu eigenlijk de oorzaken zijn van deze in getal maar ook in ernst toenemende groep van zwervers met psychiatrische stoornissen. In ieder geval is bekend dat het medisch regime en ook het inrichtingsregime als zodanig zijn verdwenen. Dat betekent, en daar is de opmerking van Van der Lans terecht, dat de hechting aan de geestelijke gezondheidszorg kennelijk is afgenomen. Dit vraagt om een nieuwe benadering.
Amsterdam, PROF.DR. B.P.R. GERSONS, Hoogleraar Psychiatrie AMC