Stadslawaai vol dood en verderf, brieven en reclame

Hugo Claus was er al vroeg bij toen hij zijn eerste roman De Metsiers schreef. Hij was negentien. Op die leeftijd begon Jacq Vogelaar (Tilburg, september 1944) ook aan zijn debuutroman, Anatomie van een glasachtig lichaam. Tussen het schrijven door studeerde hij filosofie en Nederlands in Nijmegen, de rooms-katholieke universiteitsstad die per maand linkser werd. In december 1965 - inmiddels had hij al de dichtbundel Parterre, en van glas en de verhalenbundel De komende en gaande man gepubliceerd - rondde hij zijn romanmanuscript af.
Eenentwintig was Vogelaar in het provojaar 1966 en hij had al drie boeken op zijn naam staan. Ik doe net alsof ik Anatomie van een glasachtig lichaam voor het eerst lees. Wie zich een mening over Vogelaar wil vormen, moet zijn werk maar lezen.
Hilde Verheyen heet het hoofdpersonage. Ze is 29 en zorgt min of meer voor haar grootmoeder, wier bovenlichaam verlamd is door een auto-ongeluk ten tijde van Hilde’s geboorte. Het grote huis aan de rand van de stad aan de rivier (Nijmegen) is in verval maar nog niet onbewoonbaar verklaard. Hilde werkte in de verpleging maar heeft nu haar handen vol aan haar verlamde grootmoeder en aan zichzelf. Op dertienjarige leeftijd heeft haar broer Herman per ongeluk met een buks een kogeltje in haar linkeroog geschoten, dat nu van glas is. Zes jaar later schiet Fik Hilde’s broer per ongeluk dood tijdens een militaire schietoefening.
Nee, het navertellen van de inhoud schiet niet echt op. Het moet anders, vanuit de vorm. Anatomie van een glasachtig lichaam kent negen aftellende hoofdstukken met intro en uitleiding die vervloeien. Zowel de geïsoleerd levende Hilde als de lezer loopt in een kringetje rond, in de stad en in het boek. De lezer is de voyeur van Hilde, die elke dag haar overbuurman, een kantoorklerk, bespiedt met haar rechteroog. ?Het ene oog (…) is ‘n vergrootglas dat eenmaal op 'n bepaald punt gericht al ’t andere doet verdwijnen, nee - alles kruipt erachter, zodat de man slechts 'n opgezwollen kleinigheid wordt…’ In dezelfde tijd krijgt ze van haar ex-vriend André brieven die handelen over hun korte relatie tien jaar daarvoor, toen haar broer Herman in het hoofd werd geschoten. Dit vertelheden, zeer nauwgezet beschreven vanuit de maniakale observatiezucht van Hilde, doorkruist Vogelaar met Hilde’s gedachtestroom, die één motor kent: erotisch verlangen naar mannen voor wie ze tegelijkertijd bang is. Vogelaar beschrijft dat welhaast lijfelijke verlangen - Anatomie van een glasachtig lichaam is een zeer vleselijk boek - buitengewoon intens. Alle vlees komt aan bod.
Anatomie van een glasachtig lichaam is een bombardement. Hilde wordt belaagd door stadslawaai vol dood en verderf, brieven, reclameteksten of (radio)stemmen, flarden en fragmenten die de lezer anno 2011 moeiteloos kan plaatsen. Buiten is binnen en binnen is buiten, en komende mannen worden gaande mannen. Hilde is een soort zeef, iemand die niet alleen in haar vel zit (?omdat ze in mijn vel gekropen zijn’), een vrouw die onder druk staat, niet zelf aan het woord komt en onthecht raakt. Niet toevallig noemt ze zichzelf Andrea Dodemondt. Waar zij ophoudt en waar buiten begint, wordt steeds diffuser. De stad, het park (met een mannelijk standbeeld dat zij betast) en de rivier dringen zich op, en Hilde wandelt en wankelt, loopt en loopt dood.
Hilde heeft een (zelf)destructief karakter. De zin ?Ik heb nooit beesten in leven kunnen houden’ is eufemistisch: spinnen, vissen en duiven gaan eraan. Een van de aangrijpendste jeugdscènes speelt zich af op een graanzolder (de naam Hilde betekent ?stalzolder’), waar ze tussen de kieren door de varkensstal kan zien. Ze heeft verstoppertje gespeeld, maar de anderen konden haar zogenaamd niet vinden en hebben de ladder weggehaald. Ze wacht en vangt een duif, die ze in haar onderbroekje stopt, waar de vogel stikt. Een andere duifscène is duivelser: de oudere Hilde knipt de pootjes van een witte duif eraf.
Hilde is maagd gebleven, een situatie die alles te maken heeft met het schot door haar linkeroog en de relatie met haar broer: onverwerkte incestgevoelens, zou de freudiaanse lezer zeggen. Ze blijft in Anatomie van een glasachtig lichaam omgeven door allerlei gevaren, mannelijk en dierlijk, gevaren die ze ook opzoekt. Ze probeert de verloedering en de vervuiling (de vervuilde grootmoeder met doorligplekken en erger) teniet te doen door een kijkgat als vluchtweg uit haar niemandsland te creëren. Maar de stad ligt open en knaagt aan haar. De afbraak is overal, ook in de opdringerige taal. Het helpt niet om een ruit te vervangen door een plaat zachtboard en die vol te prikken met foto’s of krantenkoppen ?van natuurrampen, burgeroorlogen, ingevroren oorlogen, uitslaande revoluties, misbruikte leuzen over vrijheid en menselike rechten en onrechten, verkeersongevallen, en hemelse produkten door honingzoete flemende reklameteksten aangeprezen…’ Aan het slot gaat een treinreis naar het Zwarte Woud op het allerlaatste moment niet door. Het wachten is op het onbewoonbaar verklaren van het huis van haar grootmoeder.
Jacq Vogelaar heeft al in 1964 de modernistische prozatraditie vanaf Beckett onze polder binnengeloodst: de twintigste-eeuwse mens als radertje, het verhaal vermalen op de lopende band van de realistische literatuur, het leven als fragmentatiebom in ons bewustzijn. Anatomie van een glasachtig lichaam is een verbazingwekkend romandebuut van een auteur die als negentienjarige al wist hoe hij een écht beklemmend boek moest maken, geschreven vanuit een geïsoleerde vrouw die haar ogen uit kijkt.


JACQ FIRMIN VOGELAAR
ANATOMIE VAN EEN GLASACHTIG
LICHAAM
Meulenhoff