Hoofdcommentaar

Stagnatie

Reageer online

Weinig dingen maken zo moedeloos als een persconferentie van Condoleezza Rice over het Israëlisch-Palestijnse conflict. Jaren van verwaarlozing en een vrijwel volledig gebrek aan commitment moet zij doen vergeten met halfslachtig optimistische statements: ‘The President thinks: the time for a Palestinian State is now’.

Dat dacht The President in 2001 ook al.

Rice merkt daarbij ferm op dat de uitbreiding van Israëlische nederzettingen op de Westoever ‘problematisch’ genoemd moet worden. De Israëlische minister zegt vervolgens dat er geen nieuwe nederzettingen worden gebouwd, en dat de Israëlische regering ‘geen verborgen agenda heeft’. En dan reist Rice door naar Ramallah, om hetzelfde riedeltje af te steken, en dan ontmoeten de heren Abbas en Olmert mekaar nog eens apart aan de lunch, en dan vertrekt Rice.

Vervolgens gebeurt er niets. Of bijna niets.

Neem zoiets overzichtelijks als de checkpoints, de controleposten van het Israëlische leger die het dagelijkse leven op de Westoever goeddeels verlammen. Bij het bezoek van Rice in maart beloofde Israël er 61 te zullen verwijderen. Volgens de Verenigde Naties zijn dat er maar 44 geworden, en de belangrijkste bleven ongemoeid. En dus zei Rice deze week nóg maar eens, met een stalen gezicht, dat zij zich zonder ophouden inzet ‘to raise with the Israeli’s the importance of creating an atmosphere that is conducive to negotiations’. Ze herhaalt voor de tachtigste keer dat het beter zou zijn als Israël de bouw van nieuwe nederzettingen bevriest en de nederzettingen van na 2001 afbreekt. Dat doet zij overigens zonder Israël daarbij de diplomatieke duimschroeven aan te zetten: ‘It’s not about pressure, it’s about working through the problems.’

Die aanpak geldt, kennelijk, als de enig werkbare. Ook Angela Merkel, die vorige maand met ongekend ceremonieel in Israël werd ontvangen, onthoudt zich van openlijke kritiek. Liever gebruikt zij haar positie van ‘besondere Solidarität’ met Israël voor interne, discrete diplomatie.

De vraag is niet of Rice en Merkel, dan wel Solana en Blair, of welke handelsreiziger in optimisme zich in de toekomst ook moge melden, oprecht zijn in hun pogingen. De vraag is evenmin of een harde aanpak per se ter verkiezen is boven een softe. De vraag is vooral waarom er niets gebeurt – en waarom het zuiver menselijke drama in de regio mag voortbestaan. Waarom lossen wij met onze besondere Solidarität dat conflict niet op? Waarom lukt ons dat wél in Noord-Ierland, Estland of Kosovo, en hier niet?

Die oplossing is er, natuurlijk. De Israëlische auteur Meir Shalev beschreef hem onlangs nog, in een notendop: er komen twee staten. Israël ontmantelt de nederzettingen en trekt zich terug achter de grens van 1967. De Palestijnen geven de aanspraken op de gebieden en dorpen in Israël, waaruit zij in 1948 werden verdreven, op. Jeruzalem wordt – zoals de VN in 1946 al bedoelden – een gedeelde stad onder internationaal bestuur. Ten slotte sluiten de landen in de regio onder internationaal toezicht een hanteerbaar verdrag over water. Punt.

Dat is, in grote lijnen, wat er vorig jaar in Annapolis overeengekomen is. Die bijeenkomst was al even ‘historisch’ als die van Camp David (1978), Oslo I (1993), Cairo (1994), Oslo II (1995), Wye Plantation (1998), Camp David II (2000) en Taba (2001). Men moet wel een optimisme van plaatstaal en beton hebben om te geloven dat Mahmoed Abbas en Ehud Olmert nu, zonder pressure van Condoleezza Rice, gaan bereiken wat al hun voorgangers niet lukte.

Working through the problems kán leiden tot resultaat, maar alleen als beide partijen die problemen ook echt willen oplossen. Daar is twijfel over en daarin zit de kern van dat moedeloze sarcasme.

De stabiele instabiliteit, de patstelling, kon in de analyse van beide partijen wel eens gunstiger zijn dan de definitieve, heldere oplossing. Zelfs met een bomaanslag hier en een bombardement daar is de huidige situatie de meest profijtelijke, de meest kost-efficiënte regeling. Al het andere is moeilijker. Al het andere vraagt offers, vraagt inslikken, vraagt leiderschap en grote politieke stuurmanskunst aan het thuisfront. Het conflict is bovendien een dankbare bliksemafleider voor gemankeerde regeringsleiders in de regio en daarbuiten. Waar zouden Ahmadinejad en Assad zijn zonder die trouwe vijand?

Ondertussen bloeit de Israëlische economie, mede dankzij die goedkope arbeidskrachten-zonder-pas van achter de muur. Ondertussen pompen donoren nog maar eens tientallen miljoenen in de bodemloze put van het Palestijnse zelfbestuur. En binnenkort landen Blair en Solana en Verhagen en de opvolgster van Rice in de regering-McCain, voor het nogmaals bevestigen van hún innige vriendschap.

Jossi Beilin, parlementslid en een van de architecten van het Oslo-vredesproces, zei vorige maand over Merkel: ‘Het lijkt wel of “vriendschap” voor de kanselier betekent: je nergens mee bemoeien. Maar dat is geen vriendschap. Een echte vriendin zal zich juist volop met het vredesproces engageren.’

Wij, Nederlanders, gaan ook door voor ‘vrienden van Israël’. Onze minister van Buitenlandse Zaken rept graag van ‘een bijzondere relatie’. Wat betekent dat soort vriendschap eigenlijk, voor ons, voor de Israëliërs? En hebben de Palestijnen er ooit echt iets aan gehad, de laatste zestig jaar?