Stalin in paramaribo

Tegen alle verwachtingen in lijkt Desi Bouterse toch weer af te stevenen op nieuwe politieke macht. Maar deze( keer komt er geen revolutionair sausje meer aan te pas.

ALLES LEEK VERLOREN. Zijn triomfantelijke gevoel van onkwetsbaarheid dateerde alweer van enkele jaren terug. Wie hem zag tijdens zijn laatste grote interview met een vertegenwoordiger van de Nederlandse media - Ton van Rooijen van het Amsterdamse AT5 - moest wel getroffen worden door de bijna aandoenlijke branie waarmee Desi Bouterse zich groot probeerde te houden, terwijl alles in zijn mimiek gierde van de fundamentele wanhoop van een man die weet dat zijn dagen zijn geteld. Bouterses mededeling dat hij bijna niet kon wachten om tegenover de Nederlandse rechter zijn kant van het verhaal van de internationale drugsoorlog te vertellen, had niet meer die overtuigingskracht. Eerder wist ‘Bevel’ ieder optreden voor de Nederlandse media om te zetten in een fonkelende stand up comedy-act. Zijn vrolijk kwetterende woordenstroom stond in schril contrast met zijn status van bruut dictator en meervoudig moordenaar. Bouta serveerde zijn bloeddoorlopen politiek met een gulle lach, een tropische cocktail waar men het in het gewezen koloniale moederland maar wat moeilijk mee had. Maar nu waren zijn ogen leeg en vermoeid, van de timing ontbrak ieder spoor, de scherts was bitter, de hoon gezocht. Daarbovenop kwam de wonderbaarlijke transformatie van Jules Wijdenbosch van buikspreekpop tot zelfstandig opererende entiteit. President 'Bosje’, partijgenoot bij de NDP, was niet meer dan een marionet van Bouterse, zo wist iedereen in Paramaribo te vertellen. Maar kennelijk was ook tot hem het besef doorgedrongen dat het nu of nooit was, dat het moreel van zijn politieke leermeester danig was gehavend. Oude rekeningen konden worden vereffend, jarenlang opgekropte frustraties eindelijk uitgeleefd. En zo verklaarde Wijdenbosch dat de Surinaamse regering bereid was om zich van adviseur van staat Bouterse te ontdoen. Het stond gelijk aan een vogelvrijverklaring. Zonder bescherming van de Surinaamse staat liep Bouterse opeens een zeer geducht risico om door Interpol in de boeien te worden geslagen en te worden uitgeleverd aan zijn rechters in Den Haag, zijn Zuid-Amerikaanse collega-dictator Manuel Noriega indachtig. Steeds vaker klonken de politieke necrologieën voor Surinames gewezen revolutionaire leider, die zelfbenoemde kruising tussen Anton de Kom, Fidel Castro en Che Guevara. De balans werd opgemaakt, het grote Bouterse-boek dichtgeslagen. De gewezen dictator zocht troost bij de Heer, werd steeds vaker gesignaleerd bij extatische evangelisatie-sessies in Paramaribo. (MAAR WEER WAS Desi Bouterse te vroeg afgeschreven. Enkele weken na de vermetele poging tot excommunicatie door Wijdenbosch zijn de rollen geheel omgedraaid. Nu is het Bosje die zich ernstige zorgen moet maken. Terwijl Bouterse weer als vanouds meedeint in de menigte, moet zijn grote tegenstrever zich verborgen houden voor een steeds feller om zich heen slaand volksgericht. Zelfs de broer van de president smeekt om zijn aftreden, om de familie de schande van een impeachment te besparen. De Surinaamse pers richt alle pijlen op Wijdenbosch, die niet alleen wordt beschuldigd van grootschalige fraude met overheidsgeld, maar ook nog eens in verband wordt gebracht met een reeks seksschandalen. Financieel is Suriname de afgelopen weken zo goed als gecrasht. De ontstane anarchie wordt per knuppel gereguleerd. Slecht nieuws voor de meeste Surinamers. Behalve voor Desi Bouterse, voor wie de instant malaise toch vooral neerkomt op een miraculeuze redding. Weer presenteert Bouterse zich als de redder des vaderlands. Op zaterdag 29 mei werd hij toch weer herkozen als voorzitter van zijn NDP, en zijn eerste daad in zijn nieuwe bestuursperiode bestond uit het lanceren van een 'oplossingsmodel’ voor de Surinaamse crisis. Dat plan bestond weinig verrassend vooral uit een extreem dringend advies richting Wijdenbosch om te vertrekken en vervroegde verkiezingen uit te schrijven. De val van Wijdenbosch had voor Bouterse niet veel later moeten komen. Vanuit een vrijwel failliete politieke positie is hij nu toch weer de comeback kid van Paramaribo. De deplorabele staat van zijn Suriname biedt voor hem allerlei lonkende perspectieven. Zelfs een herhaling van 1980, het jaar dat Bouterse vanuit de kazerne van Fort Zeelandia de grote Surinaamse revolutie decreteerde, valt niet langer uit te sluiten. Hoe meer chaos in de straten van Paramaribo, hoe leger de schappen en hoe dieper de vrije val van de Surinaamse gulden, des te beter Desi’s kansen. De nieuwe crisis komt als geroepen. Als die crisis er niet was geweest, had Bouterse hem moeten uitvinden. En dat is dan ook precies wat enkele achterdochtige Suriname-watchers menen dat er is gebeurd. Zij zien de crash van de Surinaamse economie als een geprovoceerde apocalyps, in gang gezet door de flinke tegenvaller die ’s(lands enige bloeiende bedrijfstak te verwerken kreeg toen onlangs een partij van 700 kilo cocaïne werd onderschept. Een diabolische theorie, die al dan niet ondersteund door de feiten in ieder geval veel zegt over de mistroostig makende staat waarin Suriname na bijna een kwart eeuw onafhankelijkheid is komen te verkeren. Bouterses oude strijdkreet - 'deze slimme indiaan krijgen ze toch nooit te pakken’ - kreeg in ieder geval weer nieuw leven ingeblazen. (IN WERKELIJKHEID is de op 13 oktober 1945 te Domburg aan de Suriname-rivier ter wereld gekomen Bouterse voor een kwart indiaan. Zijn grootmoeder van vaderszijde, zo lezen we in de officieel goedgekeurde hagiografie Desi Bouterse, dekolonisatie en nationaal leiderschap (uitgegeven in 1990 onder redactie van Bouterses onvermoeibare pr-agent Ludwich van Mulier), was wat de Surinamers een lala lala ingi noemen, een volbloed indiaanse. Deze vrouw kreeg een zoon van een uit Frans Guyana afkomstige vluchteling, en deze zoon, Desi Bouterse sr., zou zich opwerken tot vooraanstaand lid van de Nationale Partij Suriname van de legendarische Johan Adolf Pengel. Desiré Delano Bouterse jr. had niet alleen indiaans en creools bloed, maar ook Chinees - zijn grootvader van moederszijde, de winkelier Tjona Kiet, was volbloed Chinees. 'Ik ben een echte mix’, aldus Bouterse in het boek van Van Mulier. 'Van alles en nog wat zit in mijn bloed. Mijn jeugdjaren zijn ook het prototype geweest van wat de doorsnee Surinaamse jongen zoal meemaakt. Lanterfanten, kattekwaad, spel en avontuur in de stad.’ Bouterse beleefde een arme maar gelukkige jeugd. De fraters van het R.K. jongensinternaat Sint-Jozef kneedden de lastige jongen tot een goede leerling, die vooral uitblonk in sport. Bouterse behaalde een mulo-diploma en kwam daarna terecht bij de afdeling transmigratie te Brokopondo van het ministerie van Openbare Werken en Verkeer. De afdeling was vooral gemoeid met het 'relokaliseren’ van de vijfduizend boslandbewoners die moesten wijken voor de in 1965 voltooide stuwdam in Afobaka. 'Bij de Transmigratie heb ik de problemen van het binnenland leren kennen’, vertelde Bouterse over die tijd. 'Ik was solidair met de boslandcreolen, die in feite ontheemd waren. Dat besefte ik toen heel goed. Maar als ambtenaar moest je doen wat je opgedragen werd. Voor persoonlijke inbreng was er maar weinig ruimte.’ In 1968 heeft Bouterse genoeg van Suriname. Net als tienduizenden andere landgenoten waagt hij de grote oversteek. Hij huurt een kamer in Dordrecht en werkt in een sleutelfabriek. Als absolute sportfanaat droomt hij van een opleiding aan de Sportacademie, maar zijn mulo-diploma voldoet niet aan de toelatingseisen. Dan wordt hij opgeroepen voor militaire dienst. De in atletiek en vooral basketbal uitblinkende Bouterse valt al snel op bij zijn superieuren. Na het vervullen van de dienstplicht tekent hij bij als vrijwilliger, om te worden opgeleid tot sergeant. Hij dient op diverse plekken in Nederland en Duitsland. Bij het Nederlandse Militaire Basketbalteam is hij de absolute sterspeler. Hij leidt een vrolijk, ongestoord leven, verkoopt seksboekjes en geitenogen als potentieverhogende middeltjes aan collega’s. Hij trouwt, krijgt twee kinderen in Nederland, en niets wijst erop dat deze swingende sportheld ooit nog eens in de voetsporen van zijn vader - de medestrijder van 'Jopie’ Pengel - zal treden. De beslissende periode in Bouterses leven komt medio jaren zeventig, als hij kennismaakt met allerlei revolutionaire geschriften die grif aftrek vinden bij de Surinaamse intelligentsia in Nederland. Hij begint marxistisch-leninistische boeken door te nemen, over Ho Chi Minh, de derde wereld. 'Eigenlijk was ik politiek-ideologisch niet zo geïnteresseerd’, aldus Bouterse. 'Ik las die boeken meer omdat de kritiek mij aansprak. Het was de tijdgeest. Je wisselde gedachten uit met je vrienden die zich ook politiek oriënteerden. Maar mijn superieuren trokken andere conclusies. In hun ogen was ik een communist, een moeilijke jongen.’ Anderhalve week voordat de Surinaamse onafhankelijkheid wordt uitgeroepen (25 november 1975) vliegt Bouterse terug naar Suriname om in het kader van een Nederlands hulpplan aan de gewezen kolonie mee te helpen aan de opbouw van een autonome Surinaamse krijgsmacht. In 1979 wordt hij door mede-officier Roy Horb, met wie hij later zo hard zou afrekenen, gevraagd om voorzitter te worden van de nieuwe vakbond voor militairen. Het is Bouterses grote stap naar de macht. Vervolgens is het dezelfde Horb die Bouterse ompraat om de leiding van de sergeantencoup van 1980 op zich te nemen. Bouterse is 34 jaar als hij op 25 februari 1980 de eerste staatsgreep van de militairen dirigeert. Het Surinaamse leger wordt een waar laboratorium van extreem-linkse inzichten. Bouterse is dan al strateeg genoeg om de nodige distantie te betrachten. Van de jonge officieren die de macht feitelijk naar zich toe hebben getrokken is hij de enige die beschikt over de benodigde macchiavellistische kwaliteiten.Tegelijkertijd ontwikkelt hij de bron van zijn latere almacht: absoluut wantrouwen, culminerend in de paranoia waarmee hij zijn land in december 1982 in de totale vertwijfeling stortte. Als Bouterse een politieke leermeester had in de marxistisch-leninistische traditie, dan moet dat wel Josif Stalin zijn geweest, met als leidend grondbeginsel: wie niet voor me is, is tegen mij. 'Na de coup kregen kregen we uit alle hoeken van links adviezen’, aldus Bouterse terugkijkend op die roerige dagen. 'Sommigen vonden dat we de Cuba-lijn moesten volgen, anderen adviseerden de Albanië-lijn, weer anderen hadden het over de Mao-lijn, de Moskou-lijn. Al deze mensen die allerlei ideeën hadden over revolutie maken, probeerde ik in een politiek raamwerk te plaatsen. De militaire inlichtingendienst heeft veel werk verricht. Je moet per slot van rekening weten met wie je in zee gaat. Hierdoor kenden wij de verbindingen tussen sommige personen en partijen met de Amerikaanse en Nederlandse inlichtingendiensten en ambassades. (…) Je leert dan door de rookgordijnen van dat linkse gepraat heen te kijken.’ OOK DE SURINAAMSE revolutie at haar eigen kinderen op, behalve dan Bouterse zelf, die de revolutie opat. Van de hoofdfiguren in het presidium van het Revolutionair Front dat in november 1981 in Paramaribo werd uitgeroepen, bleef alleen Bouterse overeind. De rest was vermoord of uitgerangeerd. 'Een revolutie is geen eenvoudige zaak’, aldus Bouterse na de decembermoorden tegenover Willem Oltmans. 'Die te leiden nog minder.’ Tegen de tijd dat Bouterse al zijn militaire kracht nodig heeft om de opstandige boslandcreolen te bestrijden (voorgegaan door Ronnie Brunswijk, collega-militair in Nederland) is zijn passie voor de revolutie geheel verdwenen. In plaats daarvan ontwikkelt hij zich tot minder hoog inzettende dictator, met als eerste preoccupatie het belang van de eigen clan, die vooral draait op de steeds hogere recettes uit verwerking en transport van steeds grotere partijen Colombiaans neuspoeder. Fidel Castro wordt ingeruild voor Pablo Escobar. Als zijn rechterhand Etienne Boerenveen in 1986 in de val wordt gelokt door FBI-agenten die zich voor drugshandelaren uitgeven, valt ook het laatste stukje van zijn ooit zo gekoesterde revolutionaire imago aan diggelen. Een stroom onthullingen volgt. Bij zijn overwegend arme aanhang kan het echter nauwelijks kwaad. Voor hen blijft Bouterse een rolmodel, al was het maar omdat hij goed voor zichzelf kan zorgen. Als Desi B. zich in weerwil van alle verwachtingen in Den Haag en omstreken toch nog een keertje kan opwerken tot de dictator van Paramaribo, hoeft hij zich niet meer uit te putten in revolutionaire retoriek. Er wordt nu niets meer van hem verwacht. Zijn strijd is exclusief voor zichzelf. Dat wordt gerespecteerd in de samenleving die Suriname is geworden, een land dat niet meer kan dromen, alleen van overleven.