Paul de Groots biografie

Stalin op polderniveau

Voor Paul de Groot bestond er buiten de politiek niets. Toch is zijn biografie een verrassend onpolitiek boek geworden.

BEGIN JAREN TACHTIG woedden er binnen de Nederlandse communistische partij felle debatten over de ideologische en politieke koers. Een deel van de studentenaanwas uit de jaren zeventig wilde een meer ‘open’ en vooral een meer democratische partij. Tot ontsteltenis van veel ‘gestaalde kaders’ begonnen ze te wroeten in de geschiedenis van de partij, om te zien wat er allemaal mis was gegaan. Hoe was het toch mogelijk dat er van de zogenaamde ‘destalinisatie’ in de CPN zo weinig terecht was gekomen?

Veel aandacht kreeg vooral het interne conflict uit de jaren 1957-1958, waarbij een deel van de partijleiding was ‘weggezuiverd’ en dat vooral leek te gaan om een strijd tussen ‘vernieuwers’ en orthodoxe ‘stalinisten’. In juni 1982, op een snikhete zondagmiddag, vond in het Amsterdamse centrum De Populier voor het eerst een confrontatie plaats tussen representanten van dat oude conflict. Onder voorzitterschap van Arnold Koper, die intensief onderzoek had verricht naar de ‘geblokkeerde destalinisatie’, debatteerden de voormalige opposanten Henk Gortzak en Ger Harmsen met Harry Verhey en Jaap Wolff, twee vertegenwoordigers van de partij die al in de jaren vijftig een rol speelden. In de zaal zaten veel (oud)communisten en mede door de toch al tropische temperatuur raakten de gemoederen zeer verhit. De verwijten die over en weer werden gemaakt, logen er niet om. De mensen die in 1958 waren geroyeerd, konden het nog altijd niet verkroppen dat partijgenoten die in het verzet hun leven hadden gewaagd en van wie sommigen ternauwernood de concentratiekampen hadden overleefd, jarenlang waren afgeschilderd als collaborateurs en handlangers van het fascisme en/of imperialisme. Bijkans stikkend van woede beet de oude Jan Vlietman de twee partijbestuurders toe: ‘Jullie hebben godverdomme beweerd dat ik de cartotheek van de Spaarndammerbuurt aan de BVD heb verkocht!’ Omgekeerd waren Verheij en Wolff gekwetst omdat hun optreden op een lijn werd gesteld met de misdaden van Stalin.


ONDANKS ALLE verwijten werden er die middag toch nog pogingen gedaan om te verklaren waarom het in 1958 zo mis was gelopen. Hoe was het mogelijk geweest dat oude kameraden elkaar hadden verketterd? Waarom hadden jonge partijgenoten als Marcus Bakker het oorlogsverleden van verzetsstrijders als Daan Goulooze, Gerben Wagenaar en Henk Gortzak door het slijk gehaald? Uiteraard waren Verheij en Wolff er als de kippen bij om de Koude Oorlog en de BVD de schuld te geven, maar zowel partijbestuurders als de geroyeerde leden wezen de beschuldigende vinger vooral in de richting van één man: Paul de Groot.

Vijf jaar eerder, na de desastreuze verkiezingsnederlaag van 1977, waarbij de CPN van zeven naar twee zetels tuimelde, had de partijtop de toen 78-jarige De Groot kaltgestellt. Sinds 1930 had hij deel uitgemaakt van de partijleiding, terwijl hij die vanaf 1938 had gedomineerd. Na de bevrijding was hij de absolute alleenheerser binnen de partij geweest. Een geslepen stalinist, briljant intrigant, arrogant, bot, opportunistisch, meedogenloos — kortom, een Stalin op polderniveau. Hij was in 1977 alleen ten val gekomen omdat zijn politiek instinct hem even in de steek liet en hij tegen zijn gewoonte in niet één voor één afrekende met vermeende tegenstanders binnen de partijtop, maar dacht het hele laffe zootje in een klap te kunnen aanpakken. Geschrokken sloten de tot dan zo trouwe paladijnen en hielenlikkers, die decennialang de grillen en vernederingen van De Groot hadden geslikt, de gelederen en gaven ‘die ouwe’ een koekje van eigen stalinistisch deeg.

Op de bijeenkomst in 1982 werden de fouten en gebreken van De Groot breed uitgemeten. Vooral ook zijn oorlogsverleden werd keer op keer ter discussie gesteld. Hij, die anderen verdacht liet maken en mensen verweet dat ze arrestatie door de Duitsers hadden overleefd, bleek zelf een allerminst glorieus verzetsverleden te hebben. Hij zou, na de tragische arrestatie van zijn vrouw en dochter, die vervolgens in Auschwitz omkwamen, bang zijn geworden en zich schuil hebben gehouden. Terwijl andere communisten hun leven waagden en bij honderden omkwamen, zou De Groot zijn gedeserteerd.

De latere geschiedschrijving — vooral in het uit 1995 daterende boek van Ger Verrips over de CPN tussen 1938 en 1991 — heeft dit beeld al danig genuanceerd. In de talloze conflicten binnen de partij kwamen ook de tegenstanders van De Groot er lang niet altijd even goed van af, en vooral de wijze waarop zij omsprongen met De Groots oorlogstrauma was bepaald niet fris te noemen. Toch bleef De Groot een enigszins vage, ongrijpbare figuur. Wat waren zijn motieven? Hoe kreeg hij toch voor elkaar om in conflicten steeds als overwinnaar uit de bus te komen? Hoe was het mogelijk dat hij, zonder te beschikken over een terreurapparaat zoals Stalin of Mao dat hadden, zolang de baas kon blijven?


DE BIOGRAFIE van Paul de Groot, waarop Jan Willem Stutje vorige week promoveerde, verschaft hierover heel wat helderheid. Stutje heeft een schat aan informatie boven water gekregen, onder meer over De Groots jeugd in Antwerpen en zijn activiteiten in de Belgische communistische partij. Ook heeft hij mensen aan het praten gekregen die tot dan toe hadden gezwegen, zoals De Groots stiefzoon. Het beeld dat Stutje van De Groot geeft is veel completer, en dus ook complexer. Vooral de vreselijke oorlogsjaren zijn zeer aangrijpend. De Groots optreden wordt in veel opzichten begrijpelijker, al wordt de man er bepaald niet sympathieker op. Ook wordt duidelijk dat De Groot in het Madurodam van de naoorlogse CPN echt groot was, dat hij met kop en schouders boven alle anderen uitstak. Stutje laat niet alleen zien dat De Groots paranoia steeds extremere vormen aannam, tevens geeft hij voorbeelden van andere CPN’ers die, geheel in de geest van het stalinisme, de grote leider hierin trachtten te overtreffen. Weerzinwekkend is bijvoorbeeld de brief van Marcus Bakker, waarin de later zo vereerde parlementariër als volleerde ‘informant’ verschillende partijgenoten verdacht maakt.

Hoewel Stutje af en toe wat onbeholpen schrijft, is zijn biografie een aanwinst voor de geschiedschrijving van de Nederlandse arbeidersbeweging. Wat ik echter in zijn boek mis, vooral bij een voor velen nog altijd gevoelig onderwerp als dit, zijn een motivatie van zijn onderzoek en een theoretisch kader. In het VPRO-radioprogramma OVT vertelde hij dat hij trotskist was, en dat hij zodoende als historicus zeer geïnteresseerd was in concurrerende bewegingen als de sociaal-democratie en het stalinisme. Je moet de vijand immers kennen om hem effectief te kunnen bestrijden. Als dit je motivatie is, dan lijkt het mij wel zo eerlijk dit in je boek te vermelden. Dan kan de lezer dat ‘in het achterhoofd houden’ en komt hij niet in de verleiding te denken dat de auteur een ‘objectief’ en ‘waardevrij’ boek heeft geschreven.

In dit verband was het ook prettig geweest als Stutje zijn verhaal had ingebed in een theoretisch kader, of op z’n minst had verteld wat hij onder een bepaald begrip verstaat. We lezen ergens dat De Groot zich had ontwikkeld tot ‘stalinist’, maar wat dat precies inhoudt krijgen we niet te horen. Nu bestaat hierover een zeer uitgebreide literatuur, en een adequate samenvatting daarvan vergt op zich al een boekdeel, maar Stutje had in ieder geval kunnen vertellen wat híj onder stalinisme verstaat, en waarin het verschilt van andere socialistische stromingen.

Doordat Stutje nauwelijks woorden vuilmaakt aan de ideologie waarvoor De Groot bereid was over lijken te gaan, en hij evenmin een beeld schetst van de man als Nederlands politicus, is deze biografie een verrassend onpolitiek boek geworden. En dat voor een man voor wie er buiten de politiek eigenlijk niets bestond. Maar misschien mogen we dit Stutje niet te veel aanrekenen. Wat hij immers wel uitgebreid schildert, is het hoogst claustrofobische wereldje van het door de Sovjet-Unie gedomineerde communisme. Zijn beschrijvingen van de omgangsvormen in de CPN en vooral van de in Moskou gehouden congressen en bijeenkomsten, zijn hilarisch. Met politiek had het allemaal weinig te maken, met een religieuze sekte des te meer.





Jan Willem Stutje, De man die de weg wees: Leven en werk van Paul de Groot 1899-1986. Uitg. De Bezige Bij, 620 blz., ƒ 59,50