Stalken op z’n Frans

Geraffineerd, zo noem je dat wat Jean-Philippe Toussaint doet in De waarheidomtrent Marie. Zozeer dat je je als recensent wel een enorme sukkel voelt als je dat dan ook nog eens gaat opschrijven. De schrijver speelt een geraffineerd spel, ja hou maar op. Maar ondertussen doet hij dat dus wel, geraffineerd, sluw bijna, zoals hij zichzelf laat verdwijnen als verteller en op onverwachte momenten opduikt en zichzelf verraadt als het grote genius achter dit verhaal.

Jean-Philippe Toussaint, De waarheid omtrent Marie. Vertaald uit het Frans door Marianne Kaas. Prometheus, 199 blz., € 19,95

Medium toussaint   de waarheid over marie

Want ja, de waarheid omtrent Marie vertellen, hij is waarschijnlijk de laatste die je dat zou toevertrouwen. Marie is immers zijn ex-geliefde, in het begin van de vertelling bevindt ze zich zelfs in andermans armen. Althans, dat recapituleert hij achteraf, als Marie hem midden in de nacht heeft opgebeld en te hulp heeft geroepen, omdat de man met wie ze was een hartaanval kreeg en afgevoerd werd per ambulance. Zo gauw ze samen zijn, in de stikhete Parijse nacht waarin het keihard is gaan regenen, is de intimiteit tussen hen weer voelbaar. Ze zijn ook nog maar een paar maanden uit elkaar, en de verteller komt terug in het appartement waar hij met haar woonde, waar nog steeds de laden van de buffetkast uitpuilen met zijn sokken, zijn shirts, zijn ondergoed. De opvlammende aantrekkingskracht komt en gaat – ‘Waarom kwam er wanneer we samen waren telkens een moment waarin ze me plotseling, steeds weer, al heel snel, hartstochtelijk verafschuwde’ – en komt weer. Zozeer dat hij haar zelfs nog even vingert, met dezelfde vingers als waarmee hij een paar uur eerder nog een andere vrouw, een andere Marie zelfs, beroerde. De handen en de blik, schrijft Toussaint, nooit gaat het om iets anders in het leven, in de liefde, in de kunst.

De waarheid omtrent Marie is een roman die vraagt om onderdompeling. Het drama dat Toussaint opdist is even wezenloos als essentieel, vol met extreme verwikkelingen en tegelijkertijd totaal plotloos. In het eerste deel draait het om de tragische en onverwachte dood van Marie’s nieuwe, getrouwde minnaar, door de verteller consequent aangeduid als Jean-Christophe de G., ook als hij erachter is gekomen dat hij eigenlijk Jean-Baptiste heet. Hoe kun je een rivaal effectiever kaltstellen dan door hem consequent bij de verkeerde naam te noemen? In het tweede deel gaan we terug naar het moment dat Marie zich door deze ‘Jean-Christophe’ heeft laten veroveren, in Tokio, vlak nadat het tussen de verteller en haar mis is gegaan. In feite een daad van puur masochisme, zoals de verteller zich voorstelt hoe een ander er vandoor gaat met zijn Marie. Dat het dat is, een staaltje van voorstellingsvermogen, blijkt als de verteller zichzelf weer – kiekeboe – onverwacht laat opduiken. De nieuwe minnaar is de eigenaar van een racepaard, Zahir, en het is op de paardenrennen in Tokio dat iedereen elkaar weer kruist. Om precies te zijn ziet de verteller haar op de roltrap staan, samen met ‘hem’. De gruwelijke waarheid dringt tot hem door: ze is met een ander. ‘Het was alsof ik me er opeens visueel van bewust werd dat ik sinds een paar dagen verdwenen was uit het leven van Marie, en alsof ik besefte dat zij doorging met leven wanneer ik er niet was, dat ze leefde in mijn afwezigheid (…).’

Dat ‘leven in mijn afwezigheid’, uit dat droeve besef is deze vertelling van obsessieve berusting geboren. De verteller pretendeert Marie als geen ander te kennen, beter dan wie ook – ‘Wat Marie betrof vergiste ik me nooit, ik wist in alle omstandigheden hoe Marie deed, ik wist hoe Marie reageerde, Marie kende ik bij intuïtie, over haar had ik een aangeboren kennis, een ingeboren weten, een totaal begrip: ik kende de waarheid omtrent Marie’ – maar dat heeft niet kunnen verhinderen dat hij en Marie niet meer samen zijn. In het derde, laatste deel staat Marie de verteller echter toe haar te bezoeken op Elba, waar haar een jaar ervoor overleden vader een huisje had. Zelfs zoekt ze hem uiteindelijk op in de logeerkamer, althans, dat wil de verteller ons doen geloven.

Voor hetzelfde geld is er natuurlijk helemaal niks gebeurd. Of helemaal niks: je weet het eigenlijk niet. Als Toussaint de lezer érgens van doordringt, is het wel van de mindfuck die een verteller met zijn publiek kan uithalen. De waarheid omtrent Marie? Er is helemaal geen waarheid, er is alleen maar gissen, dwalen, ‘eromheen lopen en een nieuw offensief inzetten’. Iemand zou kunnen promoveren op het tijdsverloop in deze roman. Voortdurend is het ‘later’, of juist ‘eerder’, het is ‘het begin van de zomer’, maar ook was het alweer ‘het jaar ervoor’. En dan de extreme gebeurtenissen. Het renpaard Zahir, eigendom van Jean-huppelepup, een zwarte volbloed, ontsnapt op het vliegveld van Tokio vlak voordat hij ingeladen zou worden. Bladzijden lang gaan heen met zijn vlucht, en de achtervolging die wordt ingezet. Een mooi verhaal, maar ook zo’n buitenissig verhaal dat je je plotseling afvraagt: is die ontsnapte hengst – ‘vijfhonderd kilo nervositeit, prikkelbaarheid en woede’ – niet eigenlijk de metafoor voor de hartstochtelijke gemoedstoestand van de verteller? En dat huisje op Elba, waar de verteller en Marie elkaar tot slot weer vinden, zo idyllisch beschreven in heel z’n vertrouwdheid – ‘ik kende alle stiltes van het huis, het nachtelijk gekraak, het abrupte aanslaan van de koelkast in de nacht’ – is dat dan de metafoor voor de intimiteit van de langdurige relatie? Wie weet. Het mooie van Toussaints oefening in verbeeldingskracht is dat die aanstekelijk werkt.