Christine Otten

Stamelend stampvoeten

Christine Otten, Engel en andere muziekverhalen

Uitg. Atlas 197 blz., ƒ36,90

Over popmuziek kun je niet maniakaal, sentimenteel en lacherig genoeg doen, zoals soms opeens een boek (About a Boy), een film (Diner) of een televisiequiz (Never Mind the Buzzcocks) bewijst. Want juist als een schrijver of journalist gaat proberen «het geheim» of «de essentie» van de eeuwige popsong onder woorden te brengen, ligt de zweverige, ronkende en oubollige goedbedoelendheid op de loer. Popmuziek is nu eenmaal de muziek van je jeugd en die kom je op een bepaalde manier te boven, met nieuwe popmuziek desnoods. Of niet.

Christine Otten is de iconen uit haar jeugd trouw gebleven. Nico, John Cale, Nick Cave vervullen haar nu al enige decennia met sprakeloze be- en verwondering. Het laatste benadert ook het dichtst de sensatie die ik voel als ik haar essays en verhalen lees, die deels eerder verschenen in NRC Handelsblad en nu gebundeld zijn in Engel en andere muziekverhalen. Verwondering, omdat ze in haar muzikale voorkeuren twintig jaar stil lijkt te zijn blijven staan. Nog meer verwondering, omdat al het zwoegend, nadenkend tasten waarvan ze om de alinea blijk geeft tot zo verbluffend weinig inzicht leidt.

Sinds haar pubertijd, toen haar oudere broer haar kennis liet maken met de muziek van The Velvet Underground, luistert Otten naar muziek waarvan ze maar niet kan doorgronden waarom die haar zo raakt. Nu wil het geluk dat het romantische pubermeisje van weleer stukken mag schrijven voor de krant. In die hoedanigheid kan ze enkele van haar helden zowaar in het echt ontmoeten. Het loslaten van fans op hun idolen kan een hoop opleveren (zelden gênanter televisie gezien dan de ontmoeting tussen Boudewijn Büch en Mick Jagger), maar bijna nooit iets waar derden getuigen van willen zijn.

«What do you wanna know?» vraagt Nick Cave haar in een Londense coffeeshop. Ik kan me die vraag levendig voorstellen, want het blijft voor mij ook een raadsel wat Otten nu eigenlijk wil weten. Hoe hij zijn liedjes schrijft? Wat voor een kind hij was? Of hij voor iemand in het bijzonder schrijft? Het stuk zwabbert van gespreksflard naar faxbericht naar knipselnieuws naar devote prietpraat («Binnen een paar minuten sleept hij je zijn wereld binnen»). Ook de «interviews» met John Cale en Siouxie Sioux vormen een bevreemdend allegaartje van wat biografische informatie («En toen kreeg zijn moeder borstkanker»), enkele onmachtige karakteriseringen van hun muziek («In dat donkere geluid meende ik de essentie van zijn werk te horen, van hem misschien wel») en vooral veel ijle zelfreflectie («Ik had woorden nagejaagd in plaats van muziek, realiseerde ik me»).

Christine Otten schreef eerder twee romans waarin popmuziek ook een grote rol speelt en waaruit eenzelfde soort geest spreekt als in deze bundeling. In Blauw metaal (1995) wordt een vijftienjarig meisje door haar iets oudere broer geïnitieerd in de geheimzinnige wereld van muziek en verlangen («En dan zei hij: ‹Dit is mooi›, en dan vond ik het ook mooi al zou ik niet kunnen uitleggen waarom»). In Lente van glas (1998) koestert het hoofdpersonage een bijna obsessieve bewondering voor John Cale die misschien wel grenst aan liefde, overtuigd als ze is dat je alleen in muziek zo dicht bij iemand kunt komen. Het is het soort vaagverlangend gemoed dat een romanpersonage wordt vergeven, maar dat een essayiste akelig opbreekt.

Nu zou misschien ter verdediging aangevoerd kunnen worden dat Christine Otten een nieuw grensoverschrijdend genre bedrijft. De aanduiding «muziekverhalen», gecombineerd met het feit dat in deze bundel ook twee fictieverhalen zijn opgenomen, wijst op een dergelijke poging. Grenzen kunnen natuurlijk niet genoeg worden overschreden, helemaal als het iets goeds, leuks of verrassends oplevert. Het vocabulaire van Otten is echter ten enenmale ontoereikend om zich anders dan in clichés over haar helden uit te laten. Het levensverhaal van Nico is «oneindig triest», de muziek van Cale «betoverend en raadselachtig». Of het nu de poëzie van Dylan Thomas betreft, het landschap van Wales of de uitstraling van Siouxie Sioux, alles wordt toegedekt met woorden als vaag, kolkend, onbestemd, weids, oneindig, zinderend, poëtisch. Onmacht? Maar Otten zwelgt in haar onmacht. «En daarom stamel en stampvoet ik telkens wanneer ik naar de liedjes van Nick Cave luister. Uit onmacht, uit een zalig soort onmacht.» Misschien is dat nog wel het meest ergerlijk: die misvatting dat vaagheid synoniem is aan diepte. Of dat échte vervoering zich niet zou laten meedelen. Terwijl dat juist de kunst zou moeten zijn van mooie muziekverhalen.