Toneel - Shakespeare aan de oevers van de Noordzee

Stampvoetend versus ingetogen

Vierhonderd jaar geleden stierf ’s werelds beroemdste bard. Hoe speel je hem? De Royal Shakespeare Company versus Toneelgroep Amsterdam.

Medium henry iv part i 2015 production photos 2015 keith pattison 180804

Al redelijk vlot in Coen Verbraaks documentaire De vele namen van Pierre Bokma zit een veelzeggend moment. Bokma zit in de auto met collega Gijs Scholten van Aschat, die vertelt over zijn reisje naar Londen. Nu hij er toch was, zei hij, wilde hij wel even naar het toneel. Dus kaartjes geregeld voor Henry IV door de Royal Shakespeare Company. En wat denk je? ‘Niet om áán te zien.’

Henry IV gaat eigenlijk niet over Hendrik de Vierde, maar over de kroonprins, de latere Hendrik de Vijfde, prins Hal, die maar niet wil deugen. Hij zit in de kroeg en hij haalt streken uit. Scholten van Aschat komt bijna niet uit zijn woorden, zo vreselijk vond hij de versie van de rsc. Je zou toch denken dat je met het gegeven van een prins die niet wil deugen iets moderns kunt maken (‘er gaat een lichtje branden’, zegt Bokma), helemaal als die prins Harry heet (‘dat lichtje gaat steeds feller branden’), maar nee: het bleef oubollig.

Het was, citaat, ‘museumtoneel’.

‘Toeristentheater.’

De acteurs zijn overigens op weg naar Heemstede, in de stationwagen van Scholten van Aschat, naar iets wat eruitziet als een buitengewoon dikbelegde schnabbel.

Misschien moet je de opmerkingen niet zo scherp nemen, twee oude vrienden onder elkaar et cetera, maar je kunt er ook een zekere paradigmabotsing in zien. Hoe speel je Shakespeare? De Royal Shakespeare Company versus Toneelgroep Amsterdam.

In januari speelde de Royal Shakespeare Company in het Barbican Centre drie dagen achtereen King and Country, geregisseerd door Gregory Doran, dat ook wel de Henriade wordt genoemd: Richard II, deel I en II van Henry IV en Henry V. Shakespeare schreef de stukken in het laatste decennium van de zestiende eeuw, kort na elkaar. Fatsoenlijke kaartjes kostten in Londen al snel zo’n tweehonderd pond en je moest er vlot bij zijn. In de zomer was alles al uitverkocht. Ik zat drie dagen op rij M, stoel 6.

Het eerste verschil is al zichtbaar voordat de acteurs überhaupt het toneel op zijn gekomen. Het publiek. In Amsterdam is het jong en oud, met de nadruk op oud, en iedereen heeft een zekere intellectuele allure. In het Barbican hoor je het keurige Oxbridge Engels gesproken worden, maar minstens met zoveel provinciale accenten. Na afloop van de cyclus retweet Alex Hassell, de acteur die prins Hal speelt, de latere Henry V, een bezoekster die hem en de rsc bedankt voor ‘de beste drie dagen uit haar leven’. Als je op haar profiel klikt staat er onder haar naam: ‘Lives for Rugby and Reading’. Haar profielfoto toont haar in het stadion van Reading Football Club, dat momenteel op plaats vijftien van de Engelse eerste divisie staat.

Natuurlijk wil je niemand wegzetten, maar hoeveel fans van, zeg, ADO Den Haag, zouden er een gemiddelde voorstelling van Toneelgroep Amsterdam bezoeken? De vraag die daar logischerwijs op volgt ligt in het verlengde van de opmerkingen van Gijs Scholten van Aschat: is dit dan laagdrempelig en lichtvoetig ‘toeristentoneel’?

Het toneel dan. Het decor is simpel genoeg: stellages en lange gordijnen waarop locaties worden geprojecteerd. Een kathedraal in Londen, een bos in Frankrijk, een herberg in Eastcheap. De kostuums zijn traditioneel, maliënkolders, harnassen – al worden ze gaandeweg iets moderner. Bij de slag om Agincourt in Henry V draagt de koning een harnas, maar zijn luitenant een stofjas en helm uit de loopgraven van de Somme, en zijn hertog een pilotenjack uit de Battle of Britain. Moderner dan dat wordt het niet. De enige muziek komt van een Gregoriaans klinkend koortje. Regisseur Doran richt zijn aandacht op niets anders dan zijn acteurs en de stukken, die integraal worden gespeeld.

‘Wie vandaag met mij zijn bloed vergiet, Hij wordt mijn broer; hoe laag zijn stand ook is’

De Henriade gaat over opvattingen van het koningschap, hoe je de illusies en de grandeur voor de buitenwacht in stand moet houden. Richard II gaat over een koning die vooral koning speelt. David Tennant speelt hem ironisch, een drama queen, iemand die geniet van zijn eigen bombastische taal; en als zijn leenheren en hertogen hem in de steek laten geniet hij van zijn eigen lijden. (Het beroemde ‘Let’s talk of graves, of worms and epitaphs/ Make dust our paper and with rainy eyes/ Write sorrow on the bosom of the earth (…) For God’s sake, let us sit upon the ground/ And tell sad stories of the death of kings.’) Hij kijkt steeds tussen zijn vingers door hoe zijn lamentaties zijn omstanders raken en lijkt oprecht geroerd door zijn eigen woorden.

Natuurlijk is hij niet opgewassen tegen de Realpolitik van de rebellen, en natuurlijk wordt hij eenmaal in de Tower uit de weg geruimd. In Henry IV draagt zijn moordenaar nu de kroon, en omdat hij weet hoe hij die verworven heeft, weet hij als geen ander hoe hij hem kwijt kan raken. (Om George RR Martin te citeren: ‘When you play the game of thrones you win, or you die.’) En dus trekt hij ten strijde als er een opstand uitbreekt in Schotland. En daar heeft hij de hulp van zijn zoon voor nodig, prins Hal, waarmee je bij het echte onderwerp van Henry IV uitkomt, de volwassenwording van prins Hal. Want Hal wil niet deugen, hij laat zijn gezicht zelden aan het hof zien, hij hoert en snoert er liever op los in de herbergen, in goed gezelschap van zijn mentor-in-liederlijkheid, de drinkende, boerende, corpulente, hoererende sir John Falstaff.

Volgens de eminente Amerikaanse criticus Harold Bloom moet je de Henriade eigenlijk de Falstaffiade noemen. In zijn grote, veelgeprezen en evenveel bekritiseerde Shakespeare: The Invention of the Human (1999) noemt Bloom Falstaff Shakespeare’s grootste personage, enkel op gelijke voet met Hamlet – want allebei bezitten ze een bewustzijn dat loskomt van het verhaal, ze staan op zichzelf, ze zijn om Hegel te citeren ‘free artists of themselves’, zegt Bloom. Juist dat Shakespeare beide personages ontwikkelde tekent zijn genialiteit, want Hamlet en Falstaff zijn familie van elkaar, of de een is de schaduw van de ander: waar Hamlet een bitter, intellectueel gevecht levert tegen zijn existentiële ontgoocheling heeft Falstaff zich er al lang bij neergelegd, en is zijn illusieloze realisme juist oorzaak van zijn vrolijkheid en spot.

Falstaff verwerpt orde, hij beschimpt ridderlijke moed (op het slagveld zegt hij: ‘Geef mij leven, kan ik het redden, goed dan. En anders komt soldateneer ongevraagd, en daarmee uit’) en dynastieke pretentie. Hij liegt maar hij bedriegt niet, want iedereen ziet door zijn leugens heen, maar blijft naar hem luisteren. Vanaf het eerste moment dat Falstaff het toneel betreedt is het lachen, gieren, brullen. Een enorm bed in een herberg rolt het toneel op, waarop kroonprins Hal (Alex Hassell) zojuist door een dame wordt bereden. Ze stapt van hem af en loopt het toneel af, waarna er nog een tweede dame van onder de lakens vandaan komt. Dan is er nog meer gerommel onder de lakens, een derde dame? – nee, aan het voeteneind verschijnt ineens de olijke bolle kop van Falstaff, en het publiek in de Barbican juicht alsof een oude vriend het toneel op is gelopen.

Medium kings of war 14 15 c2 a9 jan versweyveld

Falstaff wordt gespeeld door sir Antony Sher, een van de kroonjuwelen van de Royal Shakespeare Company. Zijn witte baard en haar staan rechtop, alsof hij net met zijn vingers in het stopcontact heeft gezeten. Zijn rood aangelopen kop suggereert een levensbedreigende constipatie. Sher laat Falstaff genieten; hij is niet alleen de vrolijkheid zelve, hij is ook datgene wat anderen vrolijk maakt, waarvan hij weer geniet. En toch is hij niet enkel ironie en spot. In zekere zin zit zijn tragedie al vroeg in het stuk geweven, zeker zoals Hassell en Sher het spelen. Het zit in een van de vrolijkste scènes uit het stuk, als Hal en Falstaff om de beurt de koning nadoen die Hal bestraffend toespreekt. De taal is prachtig, de scène is hilarisch. Hier spreekt Hal als koning tegen Falstaff, die weer Hal speelt (in de vertaling van Willy Courteaux): >

Prins: Waarom verkeert gij in het gezelschap van die kist vol grillen, dat builvat vol dierlijkheid, die opgezwollen blaas waterzucht, die reusachtige buidel wijn, die volgepropte darmenzak, die gebraden kermisos met de pudding in zijn buik, die eerwaarde Ondeugd, die grijze zondigheid, die ijdelheid in jaren? Waarin is hij goed tenzij in het proeven en drinken van wijn? Waarin zorgzaam en netjes tenzij in het snijden van kapoenen? Waarin knap tenzij in list? Waarin listig tenzij in schurkerij? Waarin schurkachtig tenzij in alles? Waarin achtenswaardig tenzij in niets?

Falstaff: Ik wou dat uwe hoogheid wat duidelijker was: wie bedoelt uwe hoogheid?

Prins: Die ploertige, afstotelijke verleider van de jeugd, Falstaff, die oude, witgebaarde Satan.

Het publiek lacht, en de herbergbezoekers lachen. Falstaff neemt het, als Hal, op voor zichzelf en zegt dat de koning iedereen uit Hals entourage moet verbannen, maar niet Falstaff (‘banish Peto, banish Bardolph, banish Poins – but for sweet Jack Falstaff, kind Jack Falstaff, true Jack Falstaff, valiant Jack Falstaff, and therefore more valiant, being as he is old Jack Falstaff, banish not him thy Harry’s company’). Weer lacht iedereen op het toneel, maar je ziet de grijnzen langzaam besterven op de gezichten van Hal en Falstaff; ze beleven hetzelfde visioen, van de kroonprins die zijn metgezellen zal wegsturen om meer koninklijk te zijn, als de tijd eenmaal daar is. Het is waarschijnlijk de enige keer dat Falstaff echt zijn mond voorbij praat, want enkel door het suggereren van verbanning, ook al is het nog grappend, creëert hij de mogelijkheid van verbanning. En hij en Hal weten heel goed hoe reëel dat kan, en zal zijn.

‘Geef mij leven, kan ik het redden, goed dan. En anders komt soldateneer ongevraagd, en daarmee uit’

En zo eindigt dan het tweede deel van Henry IV: Falstaff haast zich naar het hof wanneer hij hoort dat de koning is overleden en zijn vriend de kroonprins de troon zal bestijgen, in de verwachting titels en landerijen te krijgen, om vervolgens koel verstoten te worden. ‘I know thee not old man’, zegt de verse koning. Hij verwerpt zelfs Falstaffs verslavende vrolijkheid: ‘Reply not to me with a fool-born jest. Presume not that I am the thing I was.’

Het is een vermomd doodsvonnis. In het volgende stuk, Henry V, over hoe de jonge koning Noord-Frankrijk verovert, wordt en passant verteld hoe Falstaff als gebroken man stierf. Poor Jack Falstaff.

2016 is overigens Shakespeare-jaar. Vierhonderd jaar geleden stierf de bard, op 23 april. Met de driedaagse opvoering van King and Country viert de Royal Shakespeare Company alvast het jaar. Het British Film Institute kondigde afgelopen week een filmtentoonstelling aan die de wereld over zal reizen; de bbc kondigde aan een nieuwe Shakespeare-reeks uit te zullen zenden, de drie delen van Henry VI, met onder meer Judi Dench en Benedict Cumberbatch. In Nederland moeten we het voorlopig even doen met de reprise van Kings of War door Toneelgroep Amsterdam.

Henry V is het enige stuk dat King and Country gemeen heeft met Kings of War, dat van Henry V via Henry VI naar Richard III loopt. Voor zijn rol als aartsmachiavellist Richard III (of zoals Tom Lanoye hem doopte in zijn Ten o_orlog!:_ Risjaar Modderfokker den Derde), ontving Hans Kesting de Albert van Dalsumring, een ring die hij met geheven hoofd mag dragen, maar liever op basis van eerder werk dan op basis van zijn Richard III. Regisseur Ivo van Hove gaf Richard III een wijnvlek (naast zijn manke poot en bochel die Shakespeare hem al gegeven had) en laat hem in een spiegel tegen zichzelf praten. Hij walgt van zichzelf, komt woorden te kort om zijn vervormingen te beschrijven, en toch kan hij niet ophouden zichzelf te begluren. Als hij zijn broer, diens weduwe en haar zoons en hun beschermers heeft kaltgestellt springt Kesting door de kamer, likkebaardend als een ontsnapte aap. Opeens belt hij Obama, Poetin, Merkel – het wordt héél snel héél vet.

Natuurlijk heeft Ivo van Hove de stukken ingekort en naar zijn hand gezet. Het decor van Kings of War is beeldschoon: het ziet eruit als Churchills war rooms in 1940, met militaire kaarten van Frankrijk aan de muur. De kostuums komen ook uit die tijd, uniformen in tabakstinten.

Ramsey Nasr speelt een jonge Hendrik de Vijfde, die meer met zichzelf bezig lijkt dan met zijn politiek. Niet op een hedonistische manier, maar Nasr speelt hem als een koning die duidelijk op zoek is naar zijn koninklijke toon, zichzelf probeert te overtuigen van zijn waardigheid de kroon te dragen. Wanneer hij zijn beroemde Saint Crispin’s Day-speech houdt, vlak voor de veldslag bij Agincourt waar de Engelsen ver in de minderheid zijn (‘Wij enkelen, wij gelukkigen, wij, broers! Want wie vandaag met mij zijn bloed vergiet, Hij wordt mijn broer; hoe laag zijn stand ook is, Tot de adelstand verheft hem deze dag’) lijkt hij meer tegen zichzelf te praten dan tegen zijn hertogen en manschappen om hem heen, die ook amper op hem reageren.

Het stuk geldt als een van Shakespeare’s meest patriottistische. In de uitvoering van de Royal Shakespeare Company twijfelt Henry ook aan zijn rol, maar als hij begint te speechen zwellen zijn omstanders van trots. Dat bevalt Van Hove duidelijk niet, geen Rule Britannia bij hem; hij maakt het stuk matter, al zijn koningsdrama’s draaien uiteindelijk om het interne zielenheil van de koning, die zichzelf moet overtuigen de kroon waard te zijn. Behalve Richard III natuurlijk, die vindt dat hij een natuurrecht heeft op de kroon, zoals een leeuw het zijn natuurrecht vindt een antilope op te vreten.

Het verschil is uiteindelijk evident. Als je naar King and Country kijkt, kijk je naar Shakespeare; als je naar Kings of War kijkt, kijk je vooral naar Ivo van Hove. De rsc speelt meer naturalistisch; tga meer kunstzinnig. De acteurs van de rsc stampvoeten, zwelgen, schateren; de acteurs van tga zijn ingetogen, gesloten, meer in zichzelf gekeerd. De acteurs van de rsc praten met regionale accenten; die van tga praten met de voor-tref-fe-lijk-e toneelschooldictie. De rsc laat de veldslagen op het podium zien en mannen met zwaarden zien er inherent wat knullig uit; tga laat ze op video zien, achter de schermen, beelden die er gelikt ontspoord uitzien, als een Miley Cyrus-videoclip.

Het is niet zo dat het een beter is dan het ander – en vanuit de zaal kun je ook niet beoordelen welke variant het meeste vergt om geloofwaardig te spelen – het is alleen dat het er uiteindelijk niet heel veel toe doet. Harold Bloom noemde zijn Shakespeare-boek The Invention of the Human. Wat Bloom daarmee bedoelt is dat Shakespeare met Hamlet en Falstaff in zekere zin de mens heeft uitgevonden, of tenminste: hij heeft zulke sterke, zelfbewuste en zelf-reflecterende personages geschapen dat hij ons heeft geleerd hoe we over onszelf denken. Daarom is hij onze eeuwige tijdgenoot, daarom kunnen we nooit buiten hem om denken – hij is voor en na ons, een permanente omsingeling.

En daarom mist het idee van Bokma en Scholten van Aschat, dat je van prins Hal beter prins Harry kunt maken, elk doel; het stuk wordt er niet eigentijdser van, want de waarde van Shakespeare is dat het juist tijdloos is. Dat was althans mijn ervaring, drie dagen op rij m, stoel 6 in de Barbican: ik keek naar echte mensen, met echte humor, emoties en problemen – of tenminste, dat deden ze me geloven. Dat de acteurs maillots droegen, nepzwaarden en nepharnassen, gaf me geen seconde het gevoel dat het gedateerd was. (Oké, alleen tijdens die veldslagscènes, maar dat had misschien minder met toneel te maken en meer met hoe een overdosis Game of Thrones heeft bepaald hoe ik denk dat zwaardgevechten eruitzien.)

Dat is niet als een democratiserend pleidooi bedoeld, ik zou King and Country en Kings of War beide voor geen goud willen missen. Alleen de term toeristentheater suggereert dat er toeristen zijn, en dus ook locals. En juist het genie van Shakespeare is dat we allemaal locals zijn, de doctorandus net zozeer als de voetbalsupporter.


Coen Verbraaks De vele namen van Pierre Bokma is nog te zien via uitzendinggemist.nl. Wereldreizigers kunnen King and Country nog zien in Beijing, Hongkong en New York; rsc.org.uk. Toneelgroep Amsterdams Kings of War gaat vanaf 9 februari in reprise in de Stadsschouwburg Amsterdam, ssba.nl

Beeld: (1) Joshua Richards, Sarah Parks en Antony Sher (Falstaff) in Henry IV Part I door de Royal Shakespeare Company (Keith Pattison / RSC); (2) Alwin Pulinckx, Aus Greidanus jr. en Ramsey Nasr (Henry V) in Kings of War door Toneelgroep Amsterdam (Jan Versweyveld)