Stan Lee (28 december 1922 – 12 november 2018)

Als geen ander begreep de comicschrijver wat de Amerikaanse samenleving in de jaren vijftig en zestig nodig had: kwetsbare superhelden, continu in tweestrijd over hun identiteit. En die blijken we nog steeds hard nodig te hebben.

Op de Zeedijk in Amsterdam, naast de rosse buurt, is een van de fijnste plekken op aarde: Henk Comics. Wie de winkel binnenstapt dompelt zich onder in de sequential art, zoals de legendarische Will Eisner de strip noemde, waarmee hij de vorm van verhalen vertellen via opeenvolgende, getekende beelden kenschetste. Hier lééft vooral de Amerikaanse variant: de comic, vehikel van de superheld. Voor de liefhebber, vooruit: geek, is dit het paradijs. In een ruimte beneden puilen de rekken uit met de nieuwste comics uit Amerika. En daar, met een verzamelboekje in zijn hand, staat Henk, die dreigt vol te schieten. Want een van de grote goden van de comics – Stan The Man Lee – is er niet meer.

Een cameraploeg van het NOS Journaal is langsgekomen om een item over de dood van Stan Lee te maken, de Amerikaan die in de jaren zestig samen met de andere goden – Jack King Kirby en Steve Ditko – de beroemde superhelden van uitgeverij Marvel bedacht, personages zoals Spider-Man, X-Men, Silver Surfer, Fantastic Four, Doctor Strange en Black Panther. Allemaal zijn ze wereldberoemd geworden, inmiddels vooral dankzij de superhelden-blockbusters uit Hollywood die zo overheersend zijn dat men het als een risico beschouwt als een grote film géén comicsverfilming is. Dit is voor een groot deel te danken aan Lee, aan de impact van zijn comics. Daarom raakt verzamelaar Henk, die al dertig jaar lang zijn winkel op de Zeedijk runt, emotioneel als de verslaggever hem vraagt wat Lee voor hem betekende. ‘Zijn helden waren kwetsbaar’, zegt hij. ‘Neem Spider-Man. Net als hij was ook ik een nerd die geen meisje kon krijgen… vroeger. Ik ben hem dankbaar dat hij er was om dit alles te creëren.’

De dood van Stan The Man komt hard aan. De reden: Lee had een simpele, specifieke stijl, een schrijversstem die direct tot de lezers sprak. Zoals in zijn rubrieken getiteld Marvel Bullpen Bulletins en Stan’s Soapbox, met koppen als: ‘A Riotous Roundup of Ridiculous Rumors and Rabelaisian Reports’. Maar vooral in de verhalen zelf, met teksten als: ‘The Torch!! A living legend! – And I thought I’d never see him with my own eyes!’ in Fantastic Four. Zijn invloed op comics – en nu ook de populaire cultuur – is zo groot, dat een commentator vlak na zijn dood opmerkte: nooit meer zal er een wereld zónder Stan Lee zijn.

Met zijn simpele, specifieke stijl sprak hij direct tot de lezers

Stanley Martin Lieber groeide op in New York in een bescheiden appartement waar zijn ouders gingen wonen nadat ze in de jaren twintig vanuit Roemenië waren geëmigreerd. Zijn moeder verafgoodde hem. Vaak zei ze na school: ‘Goh, Stan, ben je nu al thuis? Ik voel aan dat iemand je ieder moment gaat ontdekken!’ Lang hoefde ze niet te wachten. Eind jaren dertig werd Lee redacteur bij Timely, een voorloper van Marvel. In de jaren vijftig en zestig, het Zilveren Tijdperk van comics, kwam Lee met ‘zijn’ superhelden, hoewel er tot op de dag van vandaag onzekerheid bestaat over wie nu precies wat had bedacht (Lee werd ervan beschuldigd dat hij de creatieve rol van Kirby en Ditko in de creatie van de helden consequent negeerde).

Hoe dan ook, meer dan de anderen snapte Lee wat er in het land aan de hand was. Zoals Gerard Jones schrijft in Men of Tomorrow: Geeks, Gangsters, and the Birth of the Comic Book (2004) kwam er in de jaren zestig een nieuwe culturele elite die de ernst van de Koude Oorlog en de traditionele waarden van het vorige tijdperk met humor en sarcasme bejegende. Zo zorgde de popartbeweging ervoor dat intellectuelen objecten zoals soepblikken of reclame in tijdschriften konden bespotten terwijl ze deze dingen analyseerden als dragers van betekenis. Juist de comics illustreerden hoe de cultuurindustrie producten opleverde die tegelijk leegte en verleiding opriepen.

Veel comics-mannen waren sceptisch. Waarom zou iemand als Roy Lichtenstein, die strips schilderde, een serieuze kunstenaar zijn die slapend rijk werd, terwijl zo’n Irv Novick, schepper van de patriottistische held The Shield en nota bene vriend van Lichtenstein uit hun dagen in het leger, nachtenlang, slecht betaald, potloodschetsen maakte om een comics-deadline te halen? Lee daarentegen noemde zijn comics enige tijd ‘Marvel Pop-Art Productions’.

De New Yorkse jongen plugde zichzelf in de psychologie van de tijd. Zijn Marvel-superhelden, schrijft Jones, waren emotioneel labiel, constant in een tweestrijd over hun identiteit en buitensporig in het gebruik van hun superkrachten. Ze wentelden zich in het geweld van de oorlog tegen superschurken, en wel met dezelfde energie die ze spendeerden aan het worstelen met de vraag over wie ze nu werkelijk waren en wat dat betekende voor hun geliefden. Lee distilleerde menselijkheid uit deze disbalans, blijkt uit een willekeurige comic uit die tijd. Sue, Invisible Girl, die als enige lid van Fantastic Four ziet dat Prince Namor, Sub-Mariner, niet alleen maar slecht is; Ben Grimm, The Thing, die Human Torch niet kan luchten of zien (maar van hem houdt).

Meer dan ooit tevoren zijn Stan Lee en de kunstvorm die hij mede heeft gecreëerd verbonden aan het hier en nu, zo blijkt op de Zeedijk, waar ik langs ga voor mijn abonnementen. In Henk Comics is het altijd stampvol; de sfeer is constant blij. Mensen van over de hele wereld lopen hier rond. Allemaal zoeken we iets. Om in te geloven. Ik denk dat het dit is: buiten woekeren de krachten van het kwaad, hier is er hoop. Stan spreekt tot ons: ‘Face front, true believers! ’Nuff said.’