Ismail Kadare, Leven, spel en dood van Florian Mazrek

Stand-in voor een lijk

Ismail Kadare
Leven, spel en dood van Florian Mazrek
Uit het Albanees (Jeta, loja dhe vdekja e Lul Mazrekut, 2004), vertaald door Roel Schuyt
Van Gennep, 271 blz., e 19,90

De naam van de hoofdpersoon in de oorspronkelijke titel stelde de Nederlandse vertaler natuurlijk voor problemen, Lul Mazrekut (de voornaam betekent bloem). Het «spel» in de titel slaat op de eerste rol die Florian speelt. Als hij voor de toneelschool wordt afgewezen, moet hij in militaire dienst. In een luxe badplaats met uitzicht op Korfoe moet de kust bewaakt worden, niet tegen een vijand van buiten maar tegen Albanezen die naar Griekenland willen vluchten – het grote probleem in de nadagen van het communistische bewind. Hoeveel vluchtelingen er ook omkomen, een lijk ter afschrikking ontbreekt – Florian wordt stand-in. Voor Kadare een mooie kans om er de door Achilles rond Troje gesleurde Hektor bij te halen – en de hele Ilias én Aeneis: het oude Buthrotum (nu Butrint) was een kopie van Troje en diende eertijds als wijkplaats voor vluchtelingen uit Griekenland.

In het verhaal raken de lotgevallen van de soldaat nauw verstrengeld met die van de aantrekkelijke Vjollca Morina. Zij is door de geheime dienst gerekruteerd als «minnares in overheidsdienst» (later heet het hoer), maar van een speciaal soort: zij moet jongemannen van hun vluchtplannen afhelpen. De tijd van de «rode nonnen» is voorbij; nu mag (en moet) een vrouwelijke spionne tot het uiterste gaan. De soldaat laat zich gemakkelijk vangen, maar de liefde gooit roet in het eten. Zo Florian al wilde vluchten dan alleen om elders acteur te kunnen worden; om zijn nieuwe liefde ziet hij ervan af. Vjollca gelooft onmiddellijk dat het lijk onder het laken op de kade haar geliefde is. Zij rouwt als in een Grieks drama – tot zij hem weer op straat tegen het lijf loopt en hij haar alles vertelt, de hele gore grap. Tegen die tijd vraagt de lezer zich af of de anekdote het wel waard was om tot zo’n dik boek te worden opgeblazen. Het hele verhaal wordt meermalen verteld, tien jaar later door getuigen tijdens het eerste proces inzake misdaden tegen de menselijkheid. En werkt satire nog als mosterd na de maaltijd?

Er is nog iets vreemds aan het boek. Zo goed de boeken zijn waarin Kadare het Ottomaanse verleden in fabelachtige vorm vertelt, al of niet puttend uit oude verhalen; zo grauw en pretentieus zijn de boeken over het heden. Daar komt in deze roman nog bij dat de erotische scènes geschreven lijken door iemand die net het klooster verlaten heeft – even vrijmoedig als Kadare nu Enver Hoxha bespot.