Op zoek naar Chang Chongren

Standbeeld voor een miskende artiest

In De blauwe lotus, het beste Kuifje-album ooit, kreeg Kuifje een Chinese vriend, Tsjang, die hem het echte China leerde kennen. Tsjang bestond echt. Hij was beeldhouwer, en krijgt nu zelfs een museum.

De blauwe lotus is een oerboek voor de generatie die na de oorlog opgroeide. De jonge verslaggever betoont zich solidair met de allerarmsten in de derde wereld en met de strijd van de Chinezen tegen het imperialisme in de jaren dertig. In de jaren zeventig kwam ik als promotiestudent en geïmproviseerd journalist een keer of zes in de Volksrepubliek. De blauwe lotus was inmiddels wereldwijd vertaald, maar merkwaardig genoeg in China niet te krijgen – hoewel er, anders dan Kuifje in Congo, politiek toch nauwelijks iets op aan te merken kon zijn.

Onlangs ging ik voor het eerst sinds dertig jaar terug naar China, en ging ik opnieuw op zoek naar de Chinese vertaling van De blauwe lotus. Uiteindelijk vond ik die, in een van die enorme boekenwarenhuizen die de grote steden daar tegenwoordig rijk zijn: vele malen groter dan Scheltema in Amsterdam of de Fnac in Parijs. Met overal scholieren en studenten op de grond – gretig lezend, leergierig over het buitenland. Op de bovenste verdieping lag het album breeduit op een tafel uitgestald, te midden van alle andere Kuifje-albums: op half formaat, kennelijk om papier te sparen. Warempel!

Ook elders schemert Kuifje in de verte door. In de kunstenaarskolonie ‘798’ bij Peking zijn plastic parodiebeelden te zien naar een Kuifje-achtig sjabloon. Op televisie wordt kort melding gemaakt van het zoveelste relletje over de vraag of het oude Afrika-album zelfs in de gekuiste versie niet wat racistisch is. Op het station zie ik een puber met een T-shirt van De blauwe lotus, maar hij weet kennelijk niet waarnaar dat verwijst. De straatbeelden van Shanghai in het album waren gebaseerd op oude foto’s en de getoonde stadspoort bijvoorbeeld was toen al neergehaald.

In de eerste trilogie, de reizen naar de kolonie Congo, naar de Sovjet-Unie en de VS, had Kuifje zichzelf nog niet echt gevonden. Toen Hergé (Georges Rémi) aankondigde dat zijn geesteskind hierna naar het Verre Oosten zou afreizen, had studentenpastor Gosset uit Leuven hem gewaarschuwd voor clichés. Hij beval hem een Chinese kunststudent aan, om hem te helpen. Deze Tsjang was in hetzelfde jaar geboren als Hergé. Hij was wees (Hergé zelf voelde zich ook verweesd), was in Shanghai bij Franstalige paters op school geweest en had daar belangstelling voor westerse kunst gekregen. Tsjang hielp Hergé in Brussel met achtergrondinformatie, met de Chinese karakters van opschriften – zelfs zijn naam kwam erin voor.

Een paar jaar geleden heb ik een boekje gepubliceerd met onder meer een uitvoerige ‘psychoanalyse’ van de relatie tussen Kuifje en Hergé. Daaruit bleek dat in alle bekende personages, vooral in de Chevalier de Haddoque (Het geheim van de eenhoorn) en in de erven van het kasteel Molensloot onbedoeld de diepst verborgen privé-geheimen van de maker doorschemerden, met name over een onbekende grootvader van zeer hoge, vermoedelijk zelfs koninklijke rang. De trauma’s van Hergé werkten waarschijnlijk ook door in zijn ambivalente relatie tot de echte Tsjang.

In de geschiedschrijving rond Kuifje en Hergé waren de centrale plaats van De blauwe lotus in het oeuvre en de cruciale bijdrage van Tsjang daaraan lange tijd enigszins gebagatelliseerd. Toch was híj het, die de tekenaar een aantal fijne kneepjes van de karakteristieke stijl van de ‘klare lijn’ bijbracht. Het werd het beste album. Het was het album dat Kuifje tot Kuifje maakte, Hergé tot Hergé, dat hen opeens universele aantrekkingskracht gaf. De oude conservatief-roomse missiestereotypen werden losgelaten; de maker documenteerde zich voortaan zorgvuldig. Er waren verscheidene verhaallijnen en er was een duidelijke ontknoping. Tsjang werd Kuifjes eerste echte menselijke vriend, zij toonden warme gevoelens voor elkaar en Kuifje liet bij hun afscheid zelfs een zeer zeldzame traan. Warempel!

De echte Tsjang ging na zijn kennismaking met Hergé op rondreis door Europa en ging zelfs bij de paus op audiëntie. Hij was al in zijn land en op zijn oude adres teruggekeerd, toen de albumversie van De blauwe lotus in 1936 eindelijk verscheen. Hergé zei later dat hij vele brieven had gestuurd, maar dat die kennelijk nooit waren aangekomen. In het jaar na de publicatie had immers de Japanse inval, die in het album al zo’n grote rol speelde, verder doorgezet. Wel werd Hergé als dank uitgenodigd door de vrouw van de nationalistische leider Tsjang Kai-sjek, maar het duurde 33 jaar voordat hij daarop in kon gaan. De nationalisten waren toen allang verjaagd naar het eiland Taiwan, en op het vasteland waren de communisten aan de macht.

Vóór mijn vertrek had ik op internet gekeken of er in of rond Shanghai nog iets over Tsjang te vinden was. De aanknopingspunten bleken schaars: alleen een column uit een Engels blad voor designers en architecten. De auteur meldde dat hij in een historisch dorp vér buiten Shanghai een kleine tentoonstelling met enkele bekende borstbeelden van Tsjang had aangetroffen. Dé Tsjang, van Kuifje. Eenmaal in Shanghai blijkt dat er bijna tien van die historische stadjes in de omgeving van de stad bestaan, net als rond het IJsselmeer of in Zeeland. Vanaf het stadion zwermen er ’s zondags bussen voor Chinese (maar niet voor buitenlandse) toeristen heen, en er is er één waarbij uitdrukkelijk sprake is van een ‘painter’s village’.

Het ‘lotusdorp’ Feng Jing, met vijvers en grachten, is zo’n 1500 jaar oud en ligt op bijna vijftig kilometer van het hart van de metropool. Langs de hele route liggen opvallend veel moderne flats en zelfs villawijken, die illustreren dat de stedelijke middenklasse haar vleugels ondertussen ver heeft uitgeslagen. Er is een prehistorisch museum met een reeks prachtige traditionele binnentuinen. Er is het huis van de bekende schilder van traditionele en propaganda-affiches Chen Shi-fa, een naaste collega van Tsjang, en het huis van de bekende cartoontekenaar Ding Cong. Er zijn de huizen van bekende schilders van ‘naïeve’ optimistische, quasi boerenkunst, die opeens in brede kring populair is. Ik lunch met twee oudere Chinese echtparen in een restaurant onder een houten galerij. Geheimzinnige delicatessen. Niemand spreekt Engels, ik zwaai met De blauwe lotus, spel steeds opnieuw de volle naam Chang Chong-ren, maar niemand heeft van hem gehoord.

Dan blijkt er nóg een ‘painters village’ te zijn. Twintig minuten met de plaatselijke bus, naar een afrit van de snelweg. Kennelijk is het de laatste jaren behoorlijk opgeleukt; er zijn oude attracties afgestoten en nieuwe aangetrokken, zoals klimrekken en touwbruggen over modderpoelen, zoals vroeger de oefenbanen van het Volksbevrijdingsleger de publieke ruimte opsierden. Van de collectie van Tsjang geen spoor. De souvenirwinkel heeft wel Mickey Mouse-poppetjes van Disney, maar geen Kuifje van Hergé.

Tsjang blijkt destijds na terugkeer in Shanghai een eigen atelier te hebben opgericht. Hij deed mee aan een competitie voor een borstbeeld van Tsjang Kai-sjek. Na de stichting van de Volksrepubliek in 1949 probeerde hij zich een loyaal burger te betonen. Hij maakte zelfs een groot beeldhouwwerk over de grote proletarische revolutie, een beetje zoals het latere Amerikaanse Iwo Jima monument. Maar hij werd gewantrouwd vanwege zijn eerdere contacten met de nationalisten, zijn katholicisme en zijn westerse kleding. Tijdens de maoïstische massabeweging van de Culturele Revolutie werd hij zelfs tot straatveger gedegradeerd.

Hergé had intussen bij zijn bezoek aan Taiwan in 1972 vergeefs naar hem rondgevraagd. Het jaar daarop trof hij in Brussel toevallig een Chinese vrouw die zich herinnerde dat een beeldhouwer met de naam Tsjang peetvader van haar zwager in Shanghai was geweest. Hergé stuurde een emotionele brief. Tsjang zag toen voor het eerst de ingekleurde albumversie van De blauwe lotus met zijn eigen bijdragen. En ook het vervolg, Kuifje in Tibet, waarin Kuifje op zoek gaat naar zijn oude vriend, die in de verlaten sneeuwwoestenij van de Himalaya is verongelukt.

Tsjang werd gerehabiliteerd als hoofd van de academie, maar de autoriteiten weigerden hun medewerking aan een reis naar België. Het weerzien vond plaats in Brussel in 1981, maar viel tegen. Hergé was ernstig ziek, Tsjang sprak nauwelijks Frans meer. De nauwe kameraadschap van ooit was tot een fantasie vervluchtigd, en irritaties kregen al snel de overhand.

Op voorspraak van de echtgenote van de toenmalige Franse president François Mitterand en de Franse cultuurminister Jack Lang – tijdens een bezoek aan China in 1984 – werd Tsjang Frans staatsburger en vestigde hij zich in Parijs. Daar kreeg hij de opdracht voor een buste van Mitterand en van de componist Debussy. En voor een grote kop van Hergé voor de stripstad Angoulême. Tsjang maakt verder een buste van de Chinese hervormer Deng Xiaoping.

Na zijn overlijden, in Parijs, in 1998, namen familieleden en oud-leerlingen van Tsjang het initiatief om exemplaren van zijn werk te verzamelen. Ze maakten een tijdelijke tentoonstelling en streefden naar een duurzame gedenkplaats. Die is er toen niet gekomen – om organisatorische, financiële en politieke redenen – en de vraag is dan ook: waar is die verzameling nu?

Dankzij de Amsterdamse sinoloog en propaganda-deskundige Stefan Landsberger, toevallig ook in Shanghai, lukt het om Tsjang in het Chinees te googlen. Blijkt dat er zelfs een heus Tsjang-museum in voorbereiding is. De bijbehorende Chinese website verwijst naar een adres in Minhang: een voorstad van Shanghai met net zoveel inwoners als Amsterdam. We bellen met het museum, maar er is een verbouwing gaande; ik kan niemand te spreken krijgen en ook geen bezoek brengen. Ik stel me een van die moderne kolossen voor, een nieuw cultuurcentrum achter steigers en dekzeilen waarin dit slechts één van de vele zalen wordt. Het is mijn laatste dag, ik geef het op.

Wel heb ik terloops gezien dat er in Minhang ook een oude Chinese toeristenbestemming is, Qi Bao of Zeven Schatten: ook weer een dorpskern van duizend jaar oud. Ik besluit de laatste paar uren van mijn verblijf dan maar dááraan te besteden. Volgt een lange taxirit over verhoogde snelwegen. Ter plaatse verwijzen spaarzame borden naar een enorme tempel en pagode die betrekkelijk recent gebouwd blijken te zijn. Er staat een reusachtig gouden boeddhabeeld in het midden. Daaromheen tientallen andere gouden beelden van goden, halfgoden, heiligen, monniken, helden en monsters. Vers fruit en andere offerandes daarvoor. En overal knielende en prevelende gelovigen. Met het toegangskaartje koop je een dik rood pak met wierookstokjes om aan te steken; het hele voorplein is gehuld in een grijze walm.

Na afloop loop ik nog wat verder het oude dorp in: smalle, propvolle straatjes waar geen auto doorheen kan, een bazaar met een eindeloze opeenvolging van stalletjes en venters, huishoudelijke artikelen en mysterieuze lekkernijen, een draaikolk van wisselende geuren. De Oude Straat of Lao Jie loopt uit op een karakteristieke hoge ronde brug over een grachtje, met een soort gondeltjes erin. Op een pleintje zie ik een plattegrond, waarop – bij hoge uitzondering – naast de Chinese namen ook een Engelse vertaling staat. Dan opeens (Donder, bliksem en weerlicht!): Zhang Chongren Memorial Hall. Dat moet het zijn, direct aan de andere kant van de brug!

Het blijkt een mooi groot oud Chinees houten huis te zijn, van twee verdiepingen. Bij de voordeur hangt een bord met een foto van Tsjang en zijn werk, met onder andere de grote kop van Hergé, en een deel van de omslag van De blauwe lotus dat achter iets anders vandaan piept. Ik duw tegen de deur, die zachtjes opengaat en toegang biedt tot een hofje met galerijen. Er is niemand te zien. Ik schrik van een vreemd geluid: achter me, iets verderop, liggen een paar vermoeide bouwvakkers te snurken. Ik dwaal verder door de lege tentoonstellingsruimten die in gereedheid worden gebracht.

Dan komt een man tevoorschijn, kennelijk geen handarbeider. Ik zwaai met mijn Chinese vertaling van De blauwe lotus, laat opgewonden zien dat een hoekje ervan ook op het bord bij de ingang te zien is. Er gaat hem een licht op. Hij haalt anderen erbij. Niemand spreekt een woord Engels of Frans. Ik maak een schrijfgebaar op mijn blocnote en zeg: ‘Tsjang, Tsjang!’ Een jonge vrouw loopt naar achteren en blijft tien minuten weg. Ze komt terug met een folder die ze kennelijk diep uit een verhuisdoos heeft opgediept. Dan blijkt dat op 22 september een standbeeld voor Tsjang zal worden onthuld en het museum met zijn collectie zal worden geopend, met een conferentie van Tsjang-kundigen. Ik kan gerust naar huis, mijn persoonlijke speurtocht is voltooid.

Achteraf zie ik nu ook aan de teksten in de folder waarom ik in de haast vóór mijn vertrek zo weinig over Tsjang had kunnen vinden op internet. De naam wordt in verschillende talen op zeker een dozijn verschillende manieren gespeld. Pas als je die allemaal na elkaar intypt, rijst het volledige beeld op van een lang in Oost en West miskende Chinese artiest, die nu eindelijk de plaats heeft gevonden die hem toekomt.

Jaap van Ginneken, Striphelden op de divan. De ontraadseling van de complexen van Asterix, Babar, Donald, Kuifje en Superman, Uitgeverij Nieuwezijds, 2002 (uitverkocht)