Opheffer

Stank-angst

Niemand schijnt meer bang te zijn voor de dood.

Ik wel.

Maar ik ben ook bang voor mijn afnemende doodsangst. Anders gezegd: ik wil bang zijn voor de dood. Om mij heen drentelen een paar ouderen die een doodswens hebben. Ze hebben alles al gezien, al hun vrienden en kennissen zijn gestorven, hun kinderen zijn al ouder en hun kleinkinderen studeren. Babyboomers op weg naar de afgrond. Hun wensen kunnen tussen duim en wijsvinger worden fijngewreven en weggegooid. Hun wereld kan in een luciferdoosje. Ze hebben het idee dat ze er niet meer toe doen, wat ook zo is.

‘Ach… Als het je tijd is, dan… eh…’ Ze maken hun zin niet af. Ze leunen tegen de paal van hun lot en wachten op het moment dat die wordt weggetrapt.

‘Hoe gaat het vandaag?’

‘Heb je me de afgelopen weken niet gemist?’

‘Jawel… Wat was er?’

‘Ik heb een staaroperatie gehad.’

Heb ik dat ook, dat ik altijd maar over mijn kwalen zeur? Ja, natuurlijk heb ik dat. Elke ziekte is namelijk een queeste, een tocht vol avonturen waarbij je moet proberen de dood voor te zijn of te verslaan. Die strijd gaat steeds moeizamer. De oude koning is steeds meer afhankelijk van hulptroepen.

In het contact met de jeugd hou je je vaak vrijwillig monddood. Niet alleen zijn je zinnen trager, omdat je trager denkt, maar je verhalen lijken uit een vuilniszak te kruipen. Het gaat over afgekloven botten, etenswaren die over de datum heen zijn, stukken vlees waar de maden doorheen kruipen, oude kleren die kapot zijn.

‘Ruik ik naar de dood?’ vroeg ik laatst aan mijn dochter.

‘Hè pap, doe niet zo reviaans.’

Ik meende het. Ik heb altijd al last van stank-angst, maar nu ik wat ouder ben is die toegenomen. Mijn vader rook naar de dood. Mijn grootmoeder ook. Een bedompte ouderdomslucht. Muf. Aardachtig. Soms ook zanderig. Het parfum van vergankelijkheid. Uit een fles in de vorm van een klein zwart gerookt glazen doodskistje waarop in sierlijke letters staat: C’était ça.

‘Ruik je echt niets?’ Ik zwaai met m’n armen.

‘Nee, ik ruik dat je je haar hebt gewassen.’

Dat vind ik oprecht fijn.

‘Zeur ik?’

‘Nu wel, pap. Doe nou gewoon leuk.’

Langs ons fietst een prachtig meisje. Mooie benen. Zestien, denk ik

Ik probeer de kurk te vinden om het bitter uit mijn mond af te sluiten.

Langs ons fietst een prachtig meisje. Mooie benen. Zestien, denk ik. Onbewust van eigen schoonheid.

‘Pap, kijk niet zo.’

‘Waarnaar?’

‘Naar dat meisje.’

‘Denk je dat ik als een geile oude bok naar dat kind kijk?’

‘Ja’, zegt ze. (Het is de waarheid.)

‘Nee’, zeg ik, ‘mijn brillenglazen zijn geslepen door Opticien Melancholica in de Oude Hoer Steeg. Alles wat ik zie, zie ik door het sepia van het verleden.

Ik vind het hoogstens jammer dat ik niet naar haar kan kijken als een oude, geile bok. Ik kan er geen fantasieën meer over ontwikkelen.’

We staan voor de school waar mijn kleinzoon zit. Ze komen de klas uit, geven de juf een keurig handje, hij ziet zijn moeder en mij en rent naar ons.

‘Mag ik bij Jeroen spelen?’

‘Opa is er.’

‘Maar ik wil zo graag bij Jeroen spelen.’

Natuurlijk mag hij bij Jeroen spelen. Ik zou ook wel bij Jeroen willen spelen. Ik zou ze kunnen leren hoe je van een tak en een stuk touw een goede pijl en boog kan maken en een fluit van fluitekruid. De jongens rennen weg.

‘Wat een energie!’ murmel ik.

‘Onvermoeibaar.’

Dan lopen we naar mijn dochters huis voor de middagboterham.

Mijn dochter gaat ‘een wasje draaien’, en ik ga op de bank een boek lezen van een jonge schrijfster.

Floris Tilanus