18 februari 1926 – 31 oktober 2009

Stanley Ellis

Stanley Ellis kon aan iemands stem horen of hij uit ‘Norf Suffolk’ kwam of uit ‘Sarf-East Lunnon’. De teloorgang van regionale accenten deed de dialectenkenner verdriet.

IN GEORGE BERNARD SHAWS toneelstuk Pygmalion zegt professor Henry Higgins dat hij elk dialect tot op zes mijl kan plaatsen. Binnen Londen werkt zijn radar nog nauwkeuriger: twee mijl, en waar Cockney wordt gesproken, bijvoorbeeld door zijn ambitieuze leerlinge, bloemenmeisje Eliza Doolittle, zelfs twee straten.
Onlangs is de ‘dialectoloog’ en foneticus overleden die werd gezien als het levensechte neefje van Shaws Cockney-kenner. Stanley Ellis kon meteen horen of iemand uit West-Cornwall, Zuid-Yorkshire of Noord-Suffolk kwam. Sterker, wanneer het iemand betrof die er geboren en getogen was, wist hij ook nog de exacte streek of het exacte stadsdeel te vermelden.
Dat bleek eind jaren zeventig toen Scotland Yard jacht maakte op de Yorkshire Ripper. Op een dag kwam er een telefoontje binnen van een man die beweerde de seriemoordenaar te zijn. Ellis herkende het dialect van het dorpje Castletown nabij Sunderland. Hij voegde er ongevraagd aan toe dat het zijns inziens om vals alarm ging, maar de recherche verlegde haar onderzoek toch naar Sunderland. Een kostbaar tijdverlies van achttien maanden. Drie moorden later bleek de dader, Peter Sutcliffe, uit Bradford, West-Yorkshire, te komen. Een kwart eeuw later arresteerde de politie de beller. Hij woonde inderdaad in Castleton.
Bradford was ook de stad waar Stanley Ellis in 1926 werd geboren, in een familie van wolhandelaren. Hij ging naar het staatsgymnasium en verwierf een plek op Corpus Christi, Cambridge. Hij diende in India, een paradijs voor wie is geïnteresseerd in dialecten. Na terugkeer in Blighty schreef hij een scriptie over het dialect van Lincolnshire. Praktijkkennis deed Ellis al reizende op. Hij trok het land door met een zijspanwagen, en later in een Land Rover met een caravan zodat naast de opnameapparatuur ook zijn vrouw Jean en pasgeboren kind mee konden. In totaal bestudeerde hij 118 plattelandsdialecten, vooral pratend met oude boeren. Sommige interviews duurden achttien uur. Het resultaat van tien jaar veldwerk was het vierdelige naslagwerk Survey of English Dialects.
Vanaf eind jaren zestig trad Ellis regelmatig op als deskundige tijdens rechtszaken en ook de geheime dienst maakte gebruik van zijn kennis. Tevens doceerde hij Engels aan Leeds University en was hij actief in de Yorkshire Dialect Society. Na vervroegd met pensioen te zijn gegaan, deelde hij zijn kennis met de luisteraars van Radio 4, gebruikmakend van, zoals The Daily Telegraph het in haar in memoriam treffend omschreef, ‘his natural geniality’. Hij maakte taalreizen voor de serie Talk of the Town, Talk of the Country en in een ander programma sprak hij met luisteraars over dialecten. Daarnaast beantwoordde hij vragen over de herkomst van woorden, plaatsnamen en eigennamen. Aanvankelijk deed hij dat vanuit de studio, maar het voortschrijden van de techniek maakte het mogelijk om dit, nog gekleed in zijn pyjama, vanuit zijn studeerkamer te doen. Dat het Engels een rijke taal is, illustreerde Ellis met het gegeven dat er liefst 88 woorden voor ‘linkshandig’ bestaan, variërend van ‘gibble-fisted’ tot ‘squivver-handed’. Ellis was geen taalpurist die tegen verandering was, maar de teloorgang van regionale dialecten deed hem verdriet. Hij klaagde erover dat het taalgebruik in de loop der jaren steeds simpeler, kaler en slordiger is geworden.
Zo is de variëteit aan dialecten afgenomen doordat mensen steeds meer zijn gaan reizen en niet meer hun hele leven in een bepaald gebied blijven wonen. Uit de onderzoeken van Ellis, wiens eigen West-Yorkshire-accent met de tijd wat minder sterk is geworden, is gebleken dat met name mannelijke plattelandsbewoners in Noord-Engeland hechten aan hun dialect. Zuiderlingen beschouwden het spreken met een sterk accent als onbeschaafd. Dit snobisme speelt bijvoorbeeld in de politiek, waar Shaws adagium heerst dat het voor een Engelsman onmogelijk is om zijn mond open te trekken zonder dat een landgenoot hem veracht.
Politici met een sterk accent zullen niet snel de absolute top bereiken. William Hague, de voormalige leider van de Conservatieve Partij, heeft dat gemerkt. Zijn belezenheid, humor en retorisch vermogen wogen niet op tegen zijn vroeg invallende kaalheid en vooral ook zijn Yorkshire-accent. Hague’s leermeesteres Margaret Thatcher schaamde zich dusdanig voor haar Lincolnshire-accent dat ze taallessen nam om net zo netjes te kunnen spreken als de koningin. Het beheersen van het Londense Cockney daarentegen kan in populistische tijden wel van pas komen. Telkens wanneer hij verzeild raakte in het arbeideristische ‘Sarf-East Lunnon’ ging Tony Blair bewust plat praten, in een nepdialect dat bekend kwam te staan als ‘Mockney’.
Het palet van regionale dialecten heeft plaatsgemaakt voor linguïstische wanorde, mede veroorzaakt door het tanende niveau van het taalonderwijs, de invloed van het Amerikaans-Engels en de opkomst van een autistische twittercultuur. Uitspraak is uiteraard nog altijd een aardige graadmeter van class. Fraai is het verhaal over een ober die een sjofele, in een soort pyjama geklede man aanvankelijk negeerde. Toen hij hem met tegenzin toch bediende, sprong de kelner bijna in het gelid nadat de gast ‘Water, please’ net zo had uitgesproken als de dandy Anthony Blanche dat zou hebben gedaan in de lunchscène van Brideshead Revisited.
Voor dialectspecialisten bieden de grote steden extra uitdagingen dankzij de immigranten die allen hun eigen Engels spreken, van Hindi-Engels in Hounslow en Pidgeon-Engels in Peckham tot Franglais in South-Kensington. In The English noemt Jeremy Paxman, wiens uitspraak een Yorkshire-verleden verraadt, Engels ‘het Maleis van de wereld: gemakkelijk om te leren, nog gemakkelijker om slecht te spreken’.
Voor de opvolgers van Ellis (en zijn geestelijk vader professor Higgins) zijn er nog genoeg Eliza Doolittles om te bestuderen en te onderwijzen.